Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2020:9236

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
12-11-2020
Datum publicatie
23-11-2020
Zaaknummer
HAA 19/4107
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Ontvankelijkheid bezwaren en beroepen. WOZ-waarde woning aannemelijk, ondanks onjuiste vermelding inhoud op taxatieverslag. Na vernietiging aanslag en twee aanmaningen geen vergoeding rechtsbijstandskosten van bezwaar, geen beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 23-11-2020
V-N Vandaag 2020/2889
FutD 2020-3550
NTFR 2020/3532
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank noord-holland

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummer: HAA 19/4107

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 12 november 2020 in de zaak tussen

[X] , wonende te [Z] , eiser,

en

de ontvanger en de heffingsambtenaar van Cocensus, verweerders.

Procesverloop

De heffingsambtenaar van Cocensus (de heffingsambtenaar) heeft aan eiser in een geschrift met dagtekening 30 april 2019 een aanslag onroerende-zaakbelastingen 2018, een aanslag afvalstoffenheffing 2018 en een aanslag rioolheffing 2018 opgelegd. Het aanslagbedrag is in totaal € 945,60 (de aanslag1). Tevens is bij beschikking de waarde van de onroerende zaak [A] te [Z] (de woning) voor het kalenderjaar 2019 vastgesteld op € 360.000.

De ontvanger van Cocensus heeft wegens het uitblijven van de betaling van dat bedrag bij aanmaning met dagtekening 27 juli 2019 een bedrag van € 16 aanmaningskosten in rekening gebracht aan eiser (de eerste aanmaning).

Eiser heeft op 30 juli 2019 bezwaar gemaakt tegen zowel de aanslag als tegen de eerste aanmaning.

Eiser heeft op 19 augustus 2019 beroep ingesteld.

Verweerders hebben een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 augustus 2020 te Haarlem. Eiser is verschenen, vergezeld van [B] . Verweerders hebben zich ter zake van de aanmaningskosten laten vertegenwoordigen door [C] (de ontvanger) en ter zake van de aanslag door [D] (de heffingsambtenaar).

Overwegingen

Feiten

1. De woning is een vrijstaande woning met inpandige garage uit het bouwjaar 1974. Het perceel heeft een oppervlakte van 490 m2.

2. In een procedure over de waardering van de woning voor het jaar 2016 (ECLI:NL:GHAMS:2019:5024) heeft het Gerechtshof Amsterdam geoordeeld dat de inhoud van de woning 509,60 m3 bedraagt. Samen met een in aanmerking genomen inhoud voor de garage van 170 m3 heeft dit geleid tot een door het gerechtshof in goede justitie vastgestelde waarde van de woning van € 336.000 op waardepeildatum 1 januari 2015.

3. De heffingsambtenaar heeft een taxatieverslag ingebracht dat ziet op de waardering van de woning op waardepeildatum 1 januari 2017. Op dat taxatieverslag is vermeld dat de woning een inhoud 651 m3 heeft en dat de garage een inhoud van 100 m3 heeft. De woning wordt in dat taxatieverslag vergeleken met de volgende drie woningen in [Z] :

adres

perceel
(m2)

inhoud woning (m3)

Inhoud aan-/bijbouw (m3)

verkoopdatum

verkoopprijs

[E]

544

370

155

1 maart 2017

€ 474.000

[F]

487

450

onbekend
(opp. 40 m2)

1 maart 2017

€ 405.000

[G]

778

421

onbekend
(opp. 26 m2)

3 augustus 2016

€ 415.000

4. Nadat door eiser beroep is ingesteld, hebben verweerders de volgende besluiten genomen of gewijzigd:

- Bij uitspraak op bezwaar van 21 augustus 2019 is het bezwaar tegen de eerste aanmaning gegrond verklaard en is de eerste aanmaning vernietigd. Er is geen vergoeding van kosten van bezwaar toegekend.

- Met dagtekening 31 augustus 2019 is aan eiser een aanslagbiljet toegezonden met dezelfde inhoud als de aanslag.

- Met dagtekening 16 november 2019 is wegens het uitblijven van de betaling van dat bedrag bij aanmaning een bedrag van € 16 aan kosten in rekening gebracht (de tweede aanmaning).

- Met dagtekening 28 november is het bezwaar tegen de tweede aanmaning ongegrond verklaard.

- Met dagtekening 3 juli 2020 is aan eiser bericht dat de aanslag vernietigd is. De tweede aanmaning is daardoor ook vernietigd. Er is geen vergoeding van kosten van bezwaar toegekend.

Geschil

5. In geschil is de waarde van de woning op de voor het kalenderjaar 2018 geldende waardepeildatum 1 januari 2017. Verder is in geschil of eiser recht heeft op vergoeding van kosten van beroepsmatig verleende rechtsbijstand voor drie ingediende bezwaren.

6. Eiser stelt dat de WOZ-waardebeschikking voor de woning vernietigd moet worden omdat de heffingsambtenaar daarbij geen belang meer heeft en omdat de gehanteerde inhoud van de woning in het taxatieverslag niet correct is. Verder stelt eiser dat hij recht heeft op vergoeding van kosten van beroepsmatig verleende bijstand voor het bezwaar tegen (1) de aanslag, (2) de eerste aanmaning en (3) de tweede aanmaning. Dat de werkzaamheden door eisers ex-echtgenote zijn verricht staat daar niet aan in de weg, aldus eiser.

7. De heffingsambtenaar stelt dat het klopt dat in het taxatieverslag van de woning van onjuiste inhoudsmaten is uitgegaan, maar dat de beschikte waarde van de woning niet te hoog is. Verder stellen verweerders dat geen recht op vergoeding van kosten in de bezwaarfase bestaat, omdat eiser de relevante proceshandelingen zelf heeft verricht.

Beoordeling van het geschil

Ontvankelijkheid bezwaren

8. Voor een kostenvergoeding in bezwaar kan pas aanleiding zijn als vast staat dat het bezwaarschrift ontvankelijk is. De rechtbank dient de ontvankelijkheid ambtshalve te onderzoeken. Op 30 juli 2019 heeft eiser bezwaar gemaakt tegen de eerste aanmaning en tegen de aanslag. Daarbij heeft eiser gesteld dat hij tegen de aanslag niet eerder kon ageren omdat hij die niet had ontvangen. Eiser kwam pas van het bestaan van de aanslag op de hoogte toen hij de aanmaning ontving. Verweerders hebben plausibel geacht dat eiser de aanslag niet had ontvangen, omdat eiser andere aanslagen die met diezelfde dagtekening van 30 april 2019 aan eiser zijn verzonden wel heeft ontvangen. Het is verweerder namelijk bekend dat eiser op aanslagen binnen korte tijd reageert, ofwel door betaling van het aanslagbedrag, dan wel met het indienen van een bezwaarschrift.

9. De termijn voor het indienen van bezwaarschrift bedraagt zes weken2. Het bezwaar tegen de eerste aanmaning met dagtekening 27 juli 2019 is op 30 juli 2019 tijdig ingediend en dus ontvankelijk. Het bezwaar tegen de aanslag met dagtekening 30 april 2019 is eveneens ontvangen op 30 juli 2019, maar dat is buiten de termijn van zes weken na de dagtekening van de aanslag. De vraag die de rechtbank moet onderzoeken, is of dat bezwaar tegen de aanslag niettemin ontvankelijk is.

10. De rechtbank komt tot het oordeel dat het bezwaar tegen de aanslag ontvankelijk is. Eisers standpunt houdt in dat hij de aanslag niet heeft ontvangen. Gezien de verklaringen van verweerder over de reactie van eiser op toegezonden aanslagen, acht de rechtbank de ontkenning van de ontvangst van de aanslag geloofwaardig. Bij een dergelijke voldoende betwisting door eiser is het vervolgens aan verweerder om nader bewijs te leveren van de verzending van de aanslag aan eiser om zo de ontvangst aannemelijk te maken3. Dit heeft verweerder niet gedaan. Er zijn ook geen indicaties dat eiser de aanslag toch (eerder) heeft ontvangen. Daarom moet ervan uitgegaan worden dat de dag van dagtekening van de aanslag is gelegen vóór de dag van bekendmaking. De bezwaartermijn is dan niet op de dag na die van dagtekening van de aanslag aangevangen, maar op de dag na de bekendmaking van de aanslag4. Eiser werd er op 27 juli 2019 mee bekend dat er aanslag was. Het op 30 juli 2019 ontvangen bezwaar van eiser is spoedig daarna ingediend. Het was daarom in elk geval niet te laat, de bezwaartermijn is op zijn vroegst op 28 juli 2019 gaan lopen. Indien de bezwaartermijn zelfs dan nog niet was aangevangen, omdat eiser nog steeds geen aanslag had die op de voorgeschreven wijze aan hem bekend is gemaakt, blijft niet-ontvankelijkverklaring ook achterwege, aangezien er op dat moment reeds een besluit tot stand was gekomen5.

11. Het bezwaar tegen de tweede aanmaning met dagtekening 16 november 2019 is op 21 november 2019 tijdig ingediend en dus eveneens ontvankelijk.

Ontvankelijkheid beroepen

12. Het beroepschrift van eiser is ingediend op 19 augustus 2019 en richt zich tegen het uitblijven van een reactie van verweerder op eisers bezwaar tegen de aanslag en de eerste aanmaning. Op dat moment had verweerder nog geen uitspraak op bezwaar gedaan en was de termijn om dat te doen nog niet verstreken. Hangende het beroep heeft verweerder (op 21 augustus 2019) uitspraak op het bezwaar tegen de eerste aanmaning gedaan en heeft verweerder (op of omstreeks 3 juli 2020) de aanslag vernietigd.

13. Op grond van artikel 6:20, derde lid, van de Awb moet het beroep worden geacht mede te zijn gericht tegen het alsnog genomen besluit, tenzij dit geheel aan het beroep tegemoetkomt. In die bepaling ligt besloten dat een beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit niet niet-ontvankelijk mag worden verklaard op de grond dat het voor het begin van de termijn van beroep tegen de nadien gegeven (reële) uitspraak is ingediend. Daarvoor is niet vereist dat ten tijde van het instellen van het desbetreffende beroep de beslistermijn daadwerkelijk is verstreken6. De beslissing van 3 juli 2020 waarbij verweerder aan eiser laat weten dat de aanslag is vernietigd, zal de rechtbank beschouwen als uitspraak op het bezwaar tegen de aanslag. De rechtbank neemt hierbij in overweging dat deze beslissing is genomen in reactie op het onderhavige beroep en ook zo door eiser is opgevat. Dit betekent dat de beroepen van eiser met deze uitspraken op bezwaar over de aanslag en de eerste aanmaning in beginsel een voorwerp hebben gekregen. Eiser heeft bij deze beroepen een procesbelang, omdat de WOZ-beschikking in stand is gebleven en het hem ook gaat om de beslissingen van verweerder om aan eiser voor beide bezwaren geen vergoeding van kosten toe te kennen. De beroepen moeten worden geacht mede te zijn gericht tegen de uitspraken op bezwaar van 19 augustus 2019 en 3 juli 2020. In zoverre de beroepen zich richtten tegen het uitblijven van deze uitspraken zijn zij daarom ongegrond.

14. Tijdens het beroep heeft verweerder het van een nieuwe dagtekening voorziene aanslagbiljet aan eiser uitgereikt en daarbij een nieuwe betalingstermijn voor de aanslag gesteld. Nadat een verzoek om uitstel van betaling werd afgewezen en betaling uitbleef heeft verweerder de tweede aanmaning verzonden en heeft deze bij uitspraak op bezwaar van 28 november 2019 gehandhaafd. Eiser heeft in zijn op 3 december 2019 bij verweerder ingekomen reactie daarop laten weten dat en waarom hij het niet eens is met deze uitspraak en dat dit aanvullend moet vallen onder het door eiser ingestelde beroep met zaaknummer HAA 19/4107 (het beroep in deze zaak), omdat het in wezen om dezelfde kwestie gaat. De rechtbank heeft de stukken die op deze tweede aanmaning betrekking hebben op 20 december 2019 ontvangen en ingeboekt onder het lopende beroep in zaaknummer
HAA 19/4107. Het beroep van eiser tegen de uitspraak op bezwaar over de tweede aanmaning is daarmee tijdig ingekomen bij de rechtbank en als samenhangend met de reeds lopende beroepen inzake de aanslag en de eerste aanmaning daarbij gevoegd. Hangende het beroep heeft verweerder bij beslissing van 3 juli 2019 aan eiser laten weten dat de tweede aanmaning vernietigd is. Eiser heeft bij dit beroep een procesbelang, omdat dit beroep ziet op de beslissing van verweerder om aan eiser voor het bezwaar tegen de tweede aanmaning geen vergoeding van kosten toe te kennen.

WOZ-beschikking

15. Eiser heeft gesteld dat de heffingsambtenaar geen belang heeft bij een waardebepaling van zijn woning, omdat de aanslag voor de gemeentelijke belastingen vernietigd is. Met dit betoog miskent eiser dat de heffingsambtenaar de wettelijke plicht heeft om de WOZ-waarde te bepalen en bij beschikking vast te stellen7. De ingevolge de Wet WOZ vastgestelde waarde geldt bovendien niet alleen voor gemeentelijke belastingen, maar ook voor andere (rijks)belastingen. De heffingsambtenaar dient daardoor niet alleen het gemeentelijke belang, maar ook het algemene overheidsbelang bij de vaststelling van de waarde.

16. Eiser betoogt verder dat de WOZ-beschikking vernietigd moet worden, aangezien op het bijbehorende taxatieverslag onjuiste inhoudsafmetingen staan. De heffingsambtenaar heeft erkend dat de daarop vermelde maten onjuist zijn, maar dat ook uitgaande van de correcte inhoudsmaten het taxatieverslag nog steeds voldoende onderbouwing vormt dat de beschikte waarde van de woning niet te hoog is.

17. De rechtbank stelt vast dat op de heffingsambtenaar de last rust aannemelijk te maken dat de beschikte waarde van de woning niet te hoog is. Ten aanzien van de WOZ-beschikking is de rechtbank van oordeel dat het enkele feit dat op het taxatieverslag onjuiste maten staan niet tot vernietiging van die beschikking leidt. Het taxatieverslag als zodanig vormt namelijk geen essentieel onderdeel van de WOZ-beschikking. Ook kan de heffingsambtenaar zich op dat taxatieverslag beroepen ter onderbouwing van de bij die beschikking vastgestelde waarde, mits hierbij rekening wordt gehouden met de juiste maatvoering van eisers woning. Uitgaande van de door het Gerechtshof Amsterdam vastgestelde inhoudsmaten van de woning vormt het taxatieverslag naar het oordeel van de rechtbank voldoende onderbouwing van de waarde van € 360.000 op de waardepeildatum. Uitgaande van een perceel van 490 m2, een woning van 509,60 m3 en een inpandige garage van 170 m3 kan geconstateerd worden dat eisers woning en garage groter (tot veel groter) van inhoud zijn dan de vergelijkingsobjecten en dat de woning toch een flink lagere WOZ-waardering heeft gekregen. De [F] , zijnde de woning met de meest vergelijkbare perceelgrootte van 487 m2 wordt dan nog voor een aanzienlijk hogere prijs van € 405.000 verkocht.

18. De waarde van de woning van € 360.000 is dan ook door de heffingsambtenaar aannemelijk gemaakt. Wat eiser daartegen heeft ingebracht vormt onvoldoende grond voor het oordeel dat de beschikte waarde van de woning te hoog is.

Vergoeding van kosten van bezwaar

19. De aanslag (of aanslagen) en de eerste en tweede aanmaning zijn hangende dit beroep vernietigd (met uitzondering van de WOZ-beschikking). Aan de orde is daarom uitsluitend nog de vraag of eiser recht heeft op een vergoeding van kosten van bezwaar voor door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

20. Er bevindt zich geen machtiging voor procesvertegenwoordiging in het dossier. Het tegen de aanslag ingediende bezwaarschrift is ondertekend door eiser zelf. Het vermeldt in de aanhef ‘Door [eiser], [adres eiser]’. In het bezwaar staat ‘Er zal de hulp ingeroepen worden van kantoor [H] . Tbv de wetsartikelen hierop van toepassing zijnde.’ Verder wordt verwezen naar het separate bezwaarschrift tegen de eerste aanmaning. Dat bezwaarschrift tegen de eerste aanmaning bevat een verzoek om vergoeding van kosten van bezwaar, maar is eveneens ondertekend door eiser en bevat eveneens de hiervoor geciteerde tekst in de aanhef.

21. Deze twee bezwaarschriften zijn, zoals zij ook vermelden, ingediend door eiser zelf. Er is geen aanleiding te veronderstellen dat hij hierbij beroepsmatig is bijgestaan. De juistheid van deze veronderstelling blijkt uit de aankondiging dat eiser dat hij hulp zal inroepen en dat dus voor het indienen van die stukken niet heeft gedaan.

21. Ook voor wat betreft de overige stukken die door eiser zijn ingediend, is de rechtbank van oordeel dat geen sprake is van beroepsmatig verleende bijstand. Hoewel op een deel van de stukken een stempelafdruk van [B] , belastingconsulente, is geplaatst en hoewel op een deel van de stukken staat ‘Door [H] ’, staat gelet op de op de bijzonder persoonlijke vorm, stijl en inhoud van alle in bezwaar (en beroep) ingebrachte schrifturen, de pleitnota’s daar onder begrepen, voor de rechtbank vast dat al deze stukken door belanghebbende zelf zijn opgesteld8. Eiser is op de zitting in persoon verschenen en heeft uitsluitend zelf het woord gevoerd. Ter zitting bij de rechtbank heeft eiser bovendien toegelicht dat [B] werkzaamheden van administratieve aard verricht, omdat eiser door zijn ziekte soms dingen ontgaan. Dat eiser ter zitting heeft vermeld dat [B] als rechtskundige hulpverlener aanwezig is, leidt daarom niet tot een ander oordeel.

23. Aangezien geen sprake is van beroepsmatig verleende bijstand is er geen aanleiding om rechtsbijstandskosten van het bezwaar te vergoeden.

Slotsom

24. Aangezien na het instellen van beroep de aanslag (of aanslagen) de eerste aanmaning en de tweede aanmaning vernietigd zijn, dienen die beroepen gegrond verklaard te worden. Het beroep tegen de WOZ-beschikking dient ongegrond verklaard te worden.

Proceskosten beroep

25. De door eiser ingestelde beroepen zijn door de rechtbank aangemerkt als één zaak. Er is sprake van samenhang van deze beroepen. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten van het beroep die voor vergoeding in aanmerking komen op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht.

26. Zoals onder 13 tot en met 15 is geoordeeld, is geen sprake van kosten van door een derde beroepsmatig verleende bijstand. Eiser heeft ter zitting gesteld dat er wel reiskosten zijn. De rechtbank zal verweerder daarom veroordelen tot vergoeding van de reiskosten van eiser. Ingevolge artikel 2, eerste lid, aanhef en onderdeel c, van het Besluit proceskosten bestuursrecht wordt het bedrag van deze kosten vastgesteld op de voor het bijwonen van het onderzoek ter zitting gemaakte reiskosten per openbaar vervoer tweede klasse, [Z] - Haarlem retour, voor een totaalbedrag van € [#] .

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep tegen de WOZ-beschikking ongegrond;

  • -

    verklaart de beroepen tegen de aanslag (of aanslagen), tegen de eerste aanmaning en tegen de tweede aanmaning gegrond;

  • -

    vernietigt de uitspraken op bezwaar, behoudens de beslissingen over de WOZ-waarde en de kosten van bezwaar;

  • -

    bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van de vernietigde gedeelten van de uitspraken op bezwaar;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € [#] , en

  • -

    draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 47 aan eiser te vergoeden.

Deze uitspraak is op 12 november 2020 gedaan door mr. M. Ferrier, rechter, in aanwezigheid van mr. J.J. Graanstra, griffier. Als gevolg van de maatregelen rondom het coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak, voor zover nodig, alsnog in het openbaar uitgesproken.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na verzending hoger beroep instellen bij het gerechtshof Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312,

1000 BH Amsterdam.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.

1 Onder ‘de aanslag’ wordt waar nodig ook de WOZ-beschikking verstaan.

2 Artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

3 Hoge Raad 15 december 2006, ECLI:NL:HR:2006:AZ4416.

4 Artikel 231, eerste lid, van de Gemeentewet, artikel 22j aanhef en onder a van de Algemene wet inzake rijksbelastingen en artikel 6:8, eerste lid, van de Awb (CRvB 5 februari 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:225).

5 Artikel 6:10, eerste lid en onder a, van de Awb.

6 Hoge Raad 14 oktober 2005, ECLI:NL:HR:2005:AU4298.

7 Artikel 20, eerste lid, en artikel 22, eerste lid, van de Wet WOZ.

8 Zie ook Gerechtshof Amsterdam 4 april 2019, ECLI:NL:GHAMS:2019:1272 (en Hoge Raad 18 oktober 2019, ECLI:NL:HR:2019:1604).