Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2020:9216

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
07-09-2020
Datum publicatie
11-11-2020
Zaaknummer
AWB - 20 _ 891
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Afwijzing verzoek om terug te komen op een eerdere omzetting AOW-pensioen van gehuwden naar ongehuwden. Onjuiste voorstelling van zaken. Definitieve keuze. Toepassing artikel 4:6, tweede lid Awb.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummer: HAA 20/891

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 7 september 2020 in de zaak tussen

[eiseres] , te [woonplaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. Th.F. van Gastel),

en

de Raad van bestuur van de Sociale Verzekeringsbank (SVB), verweerder

(gemachtigde: mr. S.M.C. Rooijers).

Procesverloop

Bij besluit van 7 november 2019 (het primaire besluit) heeft verweerder het verzoek van eiseres en haar echtgenoot tot herziening van het besluit tot omzetting van het AOW-pensioen van 16 april 2019 afgewezen.

Bij besluit van 15 januari 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 juli 2020.

Partijen zijn gehoord via Skype. Voor eiseres is verschenen mr. S. Van der Hoeven (als waarnemer voor mr. Th. Van Gastel). Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1.1

Eiseres en haar echtgenoot ontvingen een AOW-pensioen voor gehuwden. Eiseres is in januari 2019 opgenomen in een verzorgingshuis. Op 24 maart 2019 heeft de echtgenoot verweerder in kennis gesteld van de opname en gevraagd om het AOW-pensioen voor gehuwden te wijzigen in een AOW-pensioen voor ongehuwden.

Verweerder heeft beiden bij brief van 27 maart 2019 geïnformeerd over de mogelijke (financiële) gevolgen van die keuze. Bij die brief is een ‘formulier aanvraag omzetten AOW-pensioen’ gevoegd. Beiden hebben dat formulier ingevuld en ondertekend op 31 maart 2019.

Op 16 april 2019 heeft verweerder vervolgens het AOW-pensioen omgezet van de norm voor gehuwden naar de norm voor ongehuwden, ingaande april 2019.

1.2

Op 16 juli 2019 hebben eiseres en haar echtgenoot aan verweerder gevraagd om terug te komen op het besluit van 16 april 2019. In het primaire besluit heeft verweerder het verzoek afgewezen, omdat er geen nieuwe feiten of omstandigheden zijn aangevoerd en niet blijkt dat de beslissing onmiskenbaar onjuist is. Ook wordt gesteld dat de AOW niet verandert vanaf 18 juli 2019, omdat de omstandigheden niet zijn gewijzigd.

2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder de bezwaren ongegrond verklaard en het besluit tot afwijzing van het verzoek om herziening gehandhaafd. Verweerder stelt eiseres met de brief van 27 maart 2019 voldoende te hebben geïnformeerd over de mogelijke financiële gevolgen en eventuele risico’s van de keuze voor een ongehuwden AOW. Ook is duidelijk gemaakt dat de keuze niet kan worden teruggedraaid zolang de opname duurt. Verweerder stelt dat het tot de eigen verantwoordelijkheid behoorde om de financiële gevolgen te (laten) onderzoeken.

Volgens verweerder heeft eiseres met het verzoek van 18 juli 2019 geen nieuwe feiten of omstandigheden aangevoerd en is de beslissing van 16 april 2019 ook niet onmiskenbaar onjuist. Dat eiseres terugkomt van haar eerdere keuze maakt volgens verweerder de beslissing niet onjuist.

3. Eiseres heeft aangevoerd dat het verzoek om herziening ten onrechte is afgewezen. Bij haar was sprake van een onjuiste voorstelling van zaken en om die reden mag het besluit niet onherroepelijk zijn. Het terugkomen is volgens eiseres gelegen in overige omstandigheden zoals benoemd in SB1076, namelijk een fout van haar en haar echtgenoot. Verweerder moet haar verzoek toewijzen op grond van het rechtszekerheidsbeginsel. Op het moment dat zij het bericht van de SVB ontving was voor haar niet duidelijk dat een omzetting niet meer gewijzigd kon worden. Zij ging ervan uit dat zij door de opname in een verzorgingshuis recht had op een ongehuwde AOW. Later kwam eiseres er achter dat deze veronderstelling niet juist was. Zij was niet materieel gescheiden van haar echtgenoot en dat maakte dat zij is teruggekomen op haar verzoek tot omzetting. Zij veronderstelde dat zij bij nader inzien haar status van AOW voor ongehuwden weer kon omzetten. Eiseres meent dat de informatie wat betreft keuze en gevolgen onvoldoende aan hen is overgebracht.

De rechtbank overweegt als volgt.

4. De strekking van het verzoek van 16 juli 2019 is om verweerder ertoe te bewegen terug te komen van zijn besluit van 16 april 2019. Naar vaste rechtspraak is het uitgangspunt dat een bestuursorgaan in het algemeen bevoegd is om zo’n verzoek inhoudelijk te behandelen en daarbij het oorspronkelijke besluit in volle omvang te heroverwegen. Het bestuursorgaan kan er ingevolge artikel 4:6, tweede lid, van de Awb ook voor kiezen om, als er volgens hem geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn, het verzoek op die grond af te wijzen. Voor het toetsingskader van de bestuursrechter is van belang welke keuze het bestuursorgaan heeft gemaakt. Als het bestuursorgaan het verzoek om terug te komen van een besluit op inhoudelijke gronden afwijst, dan toetst de bestuursrechter het besluit op dat verzoek aan de hand van de aangevoerde beroepsgronden als ware dit het eerste besluit over dat verzoek. Als het bestuursorgaan – overeenkomstige – toepassing geeft aan artikel 4:6, tweede lid, van de Awb, dan toetst de bestuursrechter aan de hand van de aangevoerde beroepsgronden en eventueel door het bestuursorgaan gevoerd beleid of het bestuursorgaan zich terecht en zorgvuldig voorbereid en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat er geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn.

Als het bestreden besluit die toets doorstaat, kan de bestuursrechter niettemin aan de hand van de beroepsgronden tot het oordeel komen dat het bestreden besluit evident onredelijk is.

5. Verweerder heeft op het verzoek van 16 juli 2019 beslist met – overeenkomstige – toepassing van artikel 4:6, tweede lid, van de Awb. Dit betekent dan dat de bestuursrechter enkel toetst of er nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn.

Onder nieuw gebleken feiten en veranderde omstandigheden worden verstaan feiten of omstandigheden die ná het eerdere besluit zijn voorgevallen, dan wel feiten of omstandigheden die weliswaar vóór het eerdere besluit zijn voorgevallen, maar die niet vóór dat besluit konden worden aangevoerd. Nieuw gebleken feiten zijn ook bewijsstukken van al eerder gestelde feiten of omstandigheden, als deze bewijsstukken niet eerder konden worden overgelegd.

6. Naar het oordeel van de rechtbank kan dat wat eiseres heeft aangevoerd ter ondersteuning van het verzoek niet aangemerkt worden als nieuwe feiten en/of gewijzigde omstandigheden. Dit is van de kant van eiseres ter zitting ook erkend. In wat eiseres heeft aangevoerd kan naar het oordeel van de rechtbank evenmin aanleiding worden gevonden voor het oordeel dat het besluit evident onredelijk zou zijn. Dat bij eiseres sprake was van een onjuiste voorstelling van zaken en zij veronderstelde de status bij nader inzien weer te kunnen omzetten biedt daar geen onderbouwing voor. Van belang is ook dat zij in verweerders brief er op is gewezen dat zolang de ene huwelijkspartner is opgenomen in een Wlz-instelling de keuze niet ongedaan kan worden gemaakt. De onmogelijkheid tot het aanpassen van de keuze gedurende het verblijf in een Wlz-instelling heeft te maken met de jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep. Terugkomen op de gemaakte keuze heeft vaak een financiële achtergrond. Uit de jurisprudentie volgt dat het niet de bedoeling is dat betrokkenen de keuze voor (registratie van) hun leefvorm telkens afhankelijk zouden mogen stellen van de in financieel opzicht voor hen gunstigste uitkomst.

7. Met betrekking tot de periode na het verzoek, wordt het volgende overwogen. Naar het oordeel van de rechtbank kan er aanleiding zijn om voor de toekomst op het besluit tot omzetting terug te komen, indien zou komen vast te staan dat, gelet op de feitelijke situatie, het door verweerder ingenomen standpunt niet juist was. Verweerder hanteert ook een soortgelijk uitgangspunt in zijn beleid (beleidsregel SB1076): verweerder acht zich in redelijkheid gehouden terug te komen van een rechtens onaantastbaar besluit indien dit besluit onmiskenbaar onjuist moet worden geacht. In dit geval heeft verweerder geen aanleiding gezien om de eerdere besluiten onmiskenbaar onjuist te achten. De rechtbank kan dat onderschrijven. Er is geen sprake van een situatie waarin door verweerder een onjuiste beslissing is genomen. Het besluit tot omzetting is immers genomen op beider verzoek en er was feitelijk door de opname sprake van een situatie van duurzaam gescheiden levens. Verweerder stelt terecht dat het terugkomen op een eerdere keuze, ongeacht de reden, die beslissing niet onjuist maakt. Het besluit mankeert niet een gebrek wat verweerder redelijkerwijs niet aan eiseres kan blijven tegenwerpen voor de toekomst. Bovendien is de feitelijke situatie thans niet anders. Eiseres is nog steeds opgenomen in een verzorgingstehuis. Het besluit van verweerder waarin eiseres als duurzaam gescheiden levend is aangemerkt komt dus nog overeen met de feitelijke situatie waarin eiseres en haar echtgenoot – ongewild – zijn komen te verkeren. Voor het terugkomen op het oorspronkelijke besluit bestaat dan ook geen grond. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding om te concluderen dat verweerder gehouden was om het AOW-pensioen voor de toekomst te herzien en weer te berekenen naar de norm van een gehuwde.

8. De rechtbank voegt daaraan toe dat het onderdeel van de beleidsregel waarnaar door (de gemachtigde van) eiseres wordt verwezen alleen van toepassing is als een besluit onmiskenbaar onjuist is. Voor de mate van de terugwerkende kracht maakt het dan uit door wie die onmiskenbare onjuistheid is veroorzaakt, dus wie de fout heeft gemaakt. In dit geval is echter geen sprake van een onmiskenbaar onjuist besluit. Dit onderdeel van die beleidsregel geldt hier dus niet.

9. Eiseres heeft voorts nog aangevoerd dat de informatie door verweerder onvoldoende aan hen is overgebracht. De rechtbank is van oordeel dat verweerder niet tekort is geschoten in zijn informatieverplichting en geen onjuiste of onvolledige informatie heeft verstrekt over de omzetting en de mogelijke (financiële) gevolgen van de wijziging. Eiseres is in voldoende mate gewaarschuwd voor de eventuele gevolgen van een bepaalde keuze. Dat zij er kennelijk vanuit ging dat zij op het verzoek tot omzetting kon terugkomen moet voor haar rekening blijven.

10. Het beroep is daarom ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan op 7 september 2020 door mr. M.H. Affourtit-Kramer, rechter, in aanwezigheid van mr. H.R.A. Horring, griffier.

Als gevolg van maatregelen rondom het coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak, voor zover nodig, alsnog in het openbaar uitgesproken.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.