Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2020:9180

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
25-08-2020
Datum publicatie
10-11-2020
Zaaknummer
AWB - 19 _ 4803
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Omgevingsvergunning dakkapel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummer: HAA 19/4803

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 25 augustus 2020 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. R. Hoeneveld),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Haarlem, verweerder

(gemachtigde: Z. Aygünes).

Procesverloop

Bij besluit van 23 januari 2019 heeft verweerder geweigerd aan eisers een omgevingsvergunning te verlenen voor het bouwen van een dakkapel op de eerste verdieping aan de achtergevel op het perceel [het perceel] (het perceel).

Bij besluit 12 september 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eisers ongegrond verklaard.

Eisers hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 juli 2020. Eisers zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eisers hebben de woning op het perceel [het perceel] gekocht met een dakkapel en hebben deze dakkapel (zonder vergunning) vergroot. De dakkapel was 1,60 meter breed en is nu 4,45 meter breed. De hoogte en diepte van de dakkapel zijn gelijk gebleven. Ter plaatse geldt het bestemmingsplan “Sinnevelt en Planetenwijk” (het bestemmingsplan). Het perceel heeft als bestemming ‘Wonen’. Op 23 januari 2019 heeft verweerder geweigerd alsnog een vergunning te verlenen voor de activiteit bouwen artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) en afwijken van het bestemmingsplan met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a van de Wabo en artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c van de Wabo.

2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard. Verweerder heeft daarbij overwogen dat de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan en dat het uiterlijk van het bouwwerk in strijd is met redelijke eisen van welstand. De [straat] is aangeduid met ‘orde-2’ op de Waarderingskaart van het bestemmingsplan. Voor panden met een ‘orde-2’-aanduiding geldt dat het niet wenselijk is vanaf de openbare weg zichtbare dakkapellen te realiseren. De dakkapel aan de zijgevel verstoort het beeldbepalende aanzicht van de [straat] . De breedte van de uitbreiding en het materiaalgebruik voldoen verder niet aan de beleidskaders in de Nota Dak, aldus verweerder.

3. Het wettelijk kader is opgenomen in de bijlage en maakt onderdeel uit van deze uitspraak.

4. De beslissing om al dan niet met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wabo een omgevingsvergunning te verlenen voor het afwijken van het bestemmingsplan behoort tot de bevoegdheid van verweerder, waarbij hij beleidsvrijheid heeft en de rechter de beslissing terughoudend moet toetsen, dat wil zeggen zich moet beperken tot de vraag of verweerder in redelijkheid tot het besluit heeft kunnen komen om daarvoor omgevingsvergunning te verlenen (uitspraak van de Afdeling van 24 juni 2015, ECLI:NL:RVS:2015:1956).

5. Tussen partijen is niet in geschil dat voor het uitbreiden van de dakkapel een vergunning is vereist voor het afwijken van het bestemmingsplan. De dakkapel is namelijk gebouwd in strijd met artikel 15.2 van de planregels.

6.1

Eisers voeren aan dat [het perceel] niet wordt genoemd in de waarderingstabel van ‘orde-2’-panden in bijlage 3 van de toelichting van het bestemmingsplan. Voorts is de groene belijning waarmee in de waarderingskaart ensemblebouw wordt aangeduid niet doorgetrokken tussen [het perceel] en [#] , waar de uitbreiding van de dakkapel zich bevindt. Verder moet een afweging worden gemaakt of in dit geval de uitbreiding van de dakkapel in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

6.2

Verweerder stelt zich op het standpunt dat de [het perceel] een ‘orde-2’-pand betreft, die met de rest van de bebouwing beeldbepalend is in het Beschermd Stadsgezicht. Zowel de aanduiding met de groene belijning als de ‘orde-2’-bepaling van het pand staan volgens verweerder duidelijk aangegeven op de Waarderingskaart. De splitsing van het pand heeft geen consequenties gehad voor de ruimtelijke waardering van de panden. Ter zitting heeft verweerder verklaard dat nummer [het perceel] niet opgenomen is op de waarderingskaart of in de toelichting, omdat het pand [pand] is gesplitst in 2010 (in [pand] en [het perceel] ) terwijl de waarderingskaart is gemaakt in 2009. In 2009 bestond het huisnummer [het perceel] nog niet.

6.3

De rechtbank is van oordeel dat het pand een ‘orde-2’-pand betreft en tot het ensemble behoort. Ter zitting is vast komen te staan dat [het perceel] in 2010 is gesplitst van de [pand] . De waarderingskaart is gemaakt in 2009. Dat [het perceel] niet is opgenomen op de waarderingskaart of in de toelichting is daardoor te verklaren. Evenwel is [pand] wel genoemd in de waarderingstabel en maakt het afgesplitste pand met het nieuwe huisnummer [het perceel] deel uit van de bebouwingslint dat in de waarderingstabel loopt tot nummer [#] . Het heeft dezelfde visuele kenmerken en bouwstijl, zodat verweerder in redelijk heeft kunnen oordelen dat het tot dat ensemble behoort. De beroepsgrond slaagt niet.

7.1

Eisers voeren verder aan dat verweerder het besluit onvoldoende heeft gemotiveerd. Voorts voeren eisers aan dat de adviezen van de stedenbouwkundige en de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit onvoldoende concludent zijn. Bovendien zijn eisers bereid het materiaal van de dakkapel te veranderen om het aangezicht te verbeteren en alsnog de vergunning te verkrijgen.

7.2

Verweerder stelt zich op het standpunt dat beide deskundigen adviezen, van de stedenbouwkundige en de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit, op zorgvuldige wijze tot stand zijn gekomen, geen inconsistenties bevatten en concludent zijn. Voorts past het gebruik van plastic/kunststof op een dakopbouw aan de zijgevel niet binnen de doelstellingen van de Nota Dak.

7.3

Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling mag het college aan het advies van de welstandscommissie in beginsel doorslaggevende betekenis toekennen. Tenzij het advies naar inhoud of wijze van totstandkoming zodanige gebreken vertoont dat het college dit niet - of niet zonder meer - aan zijn oordeel omtrent de welstand ten grondslag heeft mogen leggen, behoeft het overnemen van een welstandsadvies in beginsel geen nadere toelichting. Dit is anders indien de aanvrager of een derde-belanghebbende een advies overlegt van een andere deskundig te achten persoon of instantie dan wel gemotiveerd aanvoert dat het welstandsadvies in strijd is met de volgens de welstandsnota geldende criteria (zie ook de uitspraak van de Afdeling van 3 september 2014 ECLI:NL:RVS:2014:3294).

7.4

De rechtbank is van oordeel dat verweerder doorslaggevende betekenis mocht toekennen aan de adviezen van de stedenbouwkundige en de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit bij het nemen van het bestreden besluit. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat eisers geen deskundige hebben ingeschakeld waarin de conclusies daarvan worden weersproken. Ook is niet gebleken dat de adviezen onzorgvuldig tot stand zijn gekomen. Dat eisers bereid zijn om ander materiaal te gebruiken voor de dakkapel neemt niet weg dat de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit negatief heeft geadviseerd over de dakkapel als geheel. De beroepsgrond slaagt daarom niet.

8.1

Eisers voeren verder aan dat de legale dakopbouw al aanwezig was en enkel is uitgebreid. Voorts bevindt de dakopbouw zich in de zijgevel die is gericht op een dakterras. Hij is dus niet naar openbaar gebied gekeerd. De uitbreiding verandert het aanzicht vanaf de straatkant niet. Voorts voeren eisers aan dat zij de leefbaarheid en de bruikbaarheid van de woning wilden vergroten en in de veronderstelling waren dat voor de uitbreiding van de dakkapel geen vergunning was vereist. Als zij de dakkapel moeten afbreken zou dit betekenen dat eerdere gemaakte kosten zinloos waren en dat eisers nog meer kosten moeten maken. Verder is de kans op precedentwerking klein omdat de woning van eisers afwijkt van andere hoekwoningen in de buurt.

8.2

Verweerder stelt zich op het standpunt dat de dakopbouw aan de zijgevel vanaf de straatzijde zeer aanwezig is en het beeldbepalend gezicht van de stad verstoort. De verbreding heeft een onevenredige invloed op het straatbeeld en het daklandschap. Voorts is volgens verweerder de kans op precedentwerking niet uitgesloten, omdat de vorm van inknikken van de kopse panden herhaaldelijk voorkomt in het gebied. Hoewel verweerder begrijpt dat de leefbaarheid van het pand wordt vergroot, is deze vergroting niet in lijn met het stedenbouwkundig en welstandsbeleid.

8.3

De rechtbank is van oordeel dat verweerder in redelijkheid heeft kunnen besluiten de omgevingsvergunning te weigeren. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat de commissie Ruimtelijke Kwaliteit de vergunningsaanvraag heeft getoetst aan de Nota Ruimtelijke Kwaliteit en negatief heeft geadviseerd. De rechtbank acht de kans op precedentwerking klein. Maar dat doet er niet aan af dat de dakkapel prominent zichtbaar is vanaf de straat en een groot deel van het dakoppervlak beslaat. Voor zover eisers aanvoeren dat de dakkapel al aanwezig was en enkel is vergroot, kan hen dat niet baten. De huidige dakkapel is in ieder geval niet ondergeschikt aan het dakoppervlak. De uitbreiding heeft ervoor gezorgd dat het aangezicht van het dak is veranderd. Voor zover eisers kosten moeten maken om de dakkapel te verwijderen is dat spijtig, maar het gevolg van bouwen zonder de benodigde vergunning. Dat risico dient voor rekening van eisers te komen (zie de uitspraak van de Afdeling van 17 juli 2013, ECLI:NL:RVS:2013:343). Dat eisers in de veronderstelling waren dat het uitbreiden van de dakkapel vergunningsvrij was, doet hier niet aan af. De beroepsgrond slaagt niet.

9. Het beroep is ongegrond.

10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J. Maarleveld, rechter, in aanwezigheid van mr. L. van Broekhoven, griffier.

Als gevolg van maatregelen rondom het Coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Deze uitspraak is gedaan op 25 augustus 2020. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak, voor zover nodig. alsnog in het openbaar uitgesproken.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Bijlage

Wet algemene bepalingen omgevingsrecht

Artikel 2.1

1.Het is verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit:

a. het bouwen van een bouwwerk

c. het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan, een beheersverordening, een exploitatieplan, de regels gesteld krachtens artikel 4.1, derde lid, of 4.3, derde lid, van de Wet ruimtelijke ordening of een voorbereidingsbesluit voor zover toepassing is gegeven aan artikel 3.7, vierde lid, tweede volzin, van die wet,

Artikel 2.10

1. Voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, wordt de omgevingsvergunning geweigerd indien:

d. het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk waarop de aanvraag betrekking heeft, met uitzondering van een tijdelijk bouwwerk dat geen seizoensgebonden bouwwerk is, zowel op zichzelf beschouwd als in verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan, in strijd is met redelijke eisen van welstand, beoordeeld naar de criteria, bedoeld in artikel 12a, eerste lid, onder a, van de Woningwet, tenzij het bevoegd gezag van oordeel is dat de omgevingsvergunning niettemin moet worden verleend;

Artikel 2.12

1. Voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, kan de omgevingsvergunning slechts worden verleend indien de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en:

a. indien de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan of de beheersverordening:

1°. met toepassing van de in het bestemmingsplan of de beheersverordening opgenomen regels inzake afwijking,

2°. in de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen gevallen, of

3°. in overige gevallen, indien de motivering van het besluit een goede ruimtelijke onderbouwing bevat;

b. indien de activiteit in strijd is met het exploitatieplan: met toepassing van de daarin opgenomen regels inzake afwijking;

c. indien de activiteit in strijd is met de regels die zijn gesteld krachtens artikel 4.1, derde lid, of 4.3, derde lid, van de Wet ruimtelijke ordening: voor zover de betrokken regels afwijking daarvan toestaan;

d. indien de activiteit in strijd is met een voorbereidingsbesluit: met toepassing van de in het voorbereidingsbesluit opgenomen regels inzake afwijking.

2 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld omtrent de inhoud van de ruimtelijke onderbouwing, bedoeld in het eerste lid, onder a, onder 3°.

Bijlage II Besluit omgevingsrecht

Artikel 2

Een omgevingsvergunning voor activiteiten als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a of c, van de wet is niet vereist, indien deze activiteiten betrekking hebben op:

4. een dakkapel in het achterdakvlak of een niet naar openbaar toegankelijk gebied gekeerd zijdakvlak, mits wordt voldaan aan de volgende eisen:

a. voorzien van een plat dak,

b. gemeten vanaf de voet van de dakkapel niet hoger dan 1,75 m,

c. onderzijde meer dan 0,5 m en minder dan 1 m boven de dakvoet,

d. bovenzijde meer dan 0,5 m onder de daknok,

e. zijkanten meer dan 0,5 m van de zijkanten van het dakvlak, en

f. niet op:

1°. een woonwagen,

2°. een gebouw waarvoor in de omgevingsvergunning voor het bouwen daarvan is bepaald dat het slechts voor een bepaalde periode in stand mag worden gehouden, of

3°. een bouwwerk ten behoeve van recreatief nachtverblijf door één huishouden;

Artikel 4

Voor verlening van een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de wet waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2°, van de wet van het bestemmingsplan of de beheersverordening wordt afgeweken, komen in aanmerking:

4. een dakterras, balkon of andere niet op de grond gelegen buitenruimte aan of op een gebouw, een dakkapel, dakopbouw of gelijksoortige uitbreiding van een gebouw, de uitbreiding van een bouwwerk met een bouwdeel van ondergeschikte aard dan wel voorzieningen gericht op het isoleren van een gebouw;

Bestemmingsplan Sinnevelt en Planetenwijk

6.8

Hoofdopzet waarderingskaart

Bij het bestemmingsplan is naast de verbeelding ook een waarderingskaart toegevoegd (zie bijlage 9). Op de waarderingskaart zijn alle panden die vallen onder het genomineerde beschermd stadsgezicht gewaardeerd. De waardering per pand is opgenomen in bijlage 4. Het doel van de waarderingskaart is de beschermende werking van het beschermd stadsgezicht vast te leggen in een indeling in drie verschillende orden, welke zijn gekoppeld aan een mate van bescherming in de planregels.

orde 2: beeldbepalende panden van voor 1950, die op grond van hun hoge architectonische kwaliteit, hun plaats in de stedenbouwkundige structuur en/of als toonaangevend element in de gevelwand een belangrijke bijdrage leveren aan het stadsbeeld en behoudenswaardig zijn;

15.1

Bestemmingsomschrijving

De voor 'Wonen' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

a. wonen, al dan niet in combinatie met de uitoefening van beroepsbeoefening aan huis met dien verstande dat maximaal 30 % van de vloeroppervlakte van de woning mag worden gebruikt ten behoeve van het aan-huis-verbonden beroep;

b ateliers, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'atelier' op de verbeelding;

c. ondergrondse parkeervoorzieningen en parkeervoorzieningen voor wat betreft de begane grond ten behoeve van de hoofdbestemming;

d. tuinen en erven;

e. bijbehorende voorzieningen.

15.2

Bouwregels

Op de gronden met de bestemming 'Wonen' mogen gebouwen, aan- en uitbouwen, bijgebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden opgericht onder de volgende voorwaarden:

Gebouwen

  1. (hoofd)gebouwen mogen uitsluitend binnen een bouwvlak worden gebouwd;

  2. ter plaatse van de aanduiding maximale bebouwingspercentage is ten hoogste het aangegeven maximale bebouwingspercentage toegestaan. Indien geen bebouwingspercentage is aangegeven mag het bouwvlak volledig worden bebouwd;

  3. gebouwen mogen uitsluitend in de voorgevelrooilijn worden opgericht, met dien verstande dat uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'onderdoorgang' op de verbeelding onderdoorgangen met een maximale breedte van 1,2 m zijn toegestaan;

  4. voor gebouwen die op de waarderingskaart zijn aangeduid als 'orde 1' of 'orde 2' dient bij bouwen de bestaande nokrichting, dakhelling en de plaatsing in de naar de openbare weg toegekeerde bouwgrens en zijdelingse bouwgrenzen alsmede de bestaande bouw- en goothoogte zoals op de verbeelding aangeduid gehandhaafd te blijven;

  5. voor gebouwen die op de waarderingskaart zijn aangeduid als orde 3 of nieuwbouw of die niet op de waarderingskaart zijn aangeduid is ten hoogste de op de verbeelding aangegeven bouw- en/ of goothoogte toegestaan;

  6. de diepte van een (ondergronds) gebouw mag niet meer dan 4 m bedragen.

Dakkapellen

h. Dakhellingen van gebouwen die op de waarderingskaart zijn aangeduid als orde 3 of nieuwbouw of die niet op de waarderingskaart zijn aangeduid mogen worden onderbroken voor het oprichten van dakkapellen voor wat betreft het voordakvlak of op een naar de weg of openbaar groen gekeerd zijdakvlak, onder de volgende voorwaarden:

1.de dakkapel mag niet breder zijn dan de helft van de breedte van het betreffende dakvlak en bij meerdere dakkapellen mag de som van de breedte van de dakkapellen die in elkaars verlengde liggen niet meer bedragen dan de helft van de breedte van het betreffende dakvlak;

2. de bovenzijde van de dakkapel moet ten minste 0,5 m onder de noklijn zijn gelegen;

3. de onderzijde van de dakkapel moet boven de dakvoet geplaatst worden met een minimale afstand van 0,5 m;

4. de zijkanten moeten worden gerealiseerd minimaal 0,5 m van de zijkanten van het dakvlak;

5. voor het oprichten van meerdere dakkapellen geldt tevens dat er sprake moet zijn van een regelmatige rangschikking en een minimale afstand van 0,5 m tussen de afzonderlijke kapellen, waarbij de som van breedtes van dakkapellen die naast elkaar gesitueerd zijn niet groter mag zijn dan de helft van de breedte van het betreffende dakvlak.