Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2020:9114

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
29-10-2020
Datum publicatie
11-11-2020
Zaaknummer
20-5017
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

last tot verlaging schutting, vovo toegewezen, belang verzoeker bij schorsing weegt zwaarder dan de door verweerder genoemde belangen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummer: HAA 20/5017


uitspraak van de voorzieningenrechter van 29 oktober 2020 in de zaak tussen

[verzoeker] , te [woonplaats] , verzoeker,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Purmerend, verweerder,
(gemachtigde: mr. R.G. van der Eijk).

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: [derde partij] , te [woonplaats]

(gemachtigde: H. Zijlstra).

Procesverloop
Bij besluit van 28 augustus 2020 (het primaire besluit) heeft verweerder verzoeker en

[naam] gelast om binnen vier weken de erfafscheiding te verlagen en verlaagd te houden tot een maximale hoogte van 2 meter.

Bij besluit van 28 september 2020 heeft verweerder de aan de last verbonden begunstigingstermijn verlengd tot 10 oktober 2020.

Verzoeker heeft tegen beide besluiten bezwaar gemaakt. Hij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Op 6 oktober 2020 heeft de voorzieningenrechter een ordemaatregel getroffen in die zin dat het besluit van 28 augustus 2020 is geschorst.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 oktober 2020. Verzoeker is verschenen, vergezeld door [naam] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Ook waren voor verweerder aanwezig M. Hellenberg, L. Ligthart en mr. J. Spijker. Namens derde-partij is niemand verschenen.

Overwegingen

1. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

2. Ter zitting heeft de voorzieningenrechter bepaald dat het primaire besluit geschorst blijft tot de dag van de uitspraak op het verzoek.

3. Verzoeker en [naam] wonen aan de [adres] in [woonplaats] . Aan de achterkant van hun perceel hebben zij een schutting geplaatst. Daarachter ligt een steeg. Volgens verweerder heeft de schutting een gemiddelde hoogte van 2,35 meter, gemeten vanuit het hart van de steeg. Verweerder heeft verzoeker en [naam] bij het primaire besluit gelast om de schutting te verlagen en verlaagd te houden tot een maximale hoogte van 2 meter. De begunstigingstermijn is inmiddels verlopen. Tot verdere verlenging van de begunstigingstermijn is verweerder niet bereid.

4. In de bezwaarprocedure moet verweerder tot een heroverweging van het besluit komen met inachtneming van alle omstandigheden. Gelet op de gronden van het bezwaar, zal verweerder daarbij in elk geval aandacht moeten besteden aan het standpunt van verzoeker dat in de directe omgeving van zijn woning diverse schuttingen staan die de maximaal toegestane hoogte overschrijden en dat daarom aan hem ook een hogere schutting moet worden toegestaan. Verzoeker heeft inmiddels concrete voorbeelden aangedragen van schuttingen in de nabijheid van zijn woning die hoger zijn dan 2 meter, waarnaar verweerder in de bezwaarfase onderzoek moet doen. Daarbij zal verweerder de last onder dwangsom en de aan verzoeker geweigerde omgevingsvergunning voor een verhoogde schutting in samenhang moeten bezien.

Verder dient verweerder in de beslissing op bezwaar de wijze waarop hij verzoeker en derde-partij afzonderlijk van elkaar heeft gehoord en de wijze van verslaglegging daarvan nader te toe te lichten. Dit geldt ook voor de keuze om bij de behandeling van het bezwaar van verzoeker tegen het primaire besluit geen bezwaaradviescommissie te betrekken en bij de behandeling van het bezwaar van derde-partij tegen de hem opgelegde last onder dwangsom met betrekking tot de bouwlamp wel.

5.1

De vraag die in deze procedure moet worden beantwoord, is of verzoeker de gelegenheid geboden moet worden om de beslissing op bezwaar af te wachten of dat van hem gevergd kan worden dat hij de schutting nu al tot de door verweerder genoemde hoogte terugbrengt. Het komt in dit geval aan op de afweging van de belangen van verweerder enerzijds en de belangen van verzoeker anderzijds.

5.2

Verweerder heeft gewezen op het belang van openbare orde en veiligheid. Volgens verweerder is het nu te donker in de steeg en voelen omwonenden zich onveilig. Daarbij heeft verweerder aangegeven dat de beslissing op bezwaar op korte termijn wordt verwacht. Ook heeft verweerder aangevoerd dat derde-partij zich ondertussen houdt aan besluiten die verweerder, mede op verzoek van omwonenden, genomen heeft en dat de gelijke behandeling in geding komt als verzoeker voorlopig geen navolging zou hoeven geven aan het primaire besluit.

5.3

Ter zitting heeft verzoeker – samengevat – verklaard dat zijn belang om de schutting op de huidige hoogte te houden erin is gelegen dat hij nog steeds overlast ervaart van derde-partij. De schutting heeft hij verhoogd om te voorkomen dat derde-partij op gemakkelijke wijze over de schutting heen kan kijken. Volgens verzoeker is die overlast nog steeds niet verminderd. Daarbij komt dat verzoeker wil voorkomen dat hij nu kosten moet maken om de schutting te verlagen, terwijl nog niet op de bezwaren tegen de opgelegde last en de geweigerde omgevingsvergunning is beslist.

5.4

De voorzieningenrechter is van oordeel dat het belang van verzoeker bij schorsing van het besluit tot oplegging van de last in dit geval - mede gelet op de beperkte termijn waarop de beslissing op bezwaar wordt verwacht - zwaarder weegt dan de door verweerder genoemde belangen. Dat derde-partij er volgens verweerder tot op heden kennelijk voor kiest om zich bij de hem opgelegde lasten neer te leggen, doet hieraan niet af.

6. De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe en treft de voorlopige voorziening dat het primaire besluit wordt geschorst tot twee weken na bekendmaking van de beslissing op bezwaar.

7. Omdat de voorzieningenrechter het verzoek toewijst, bepaalt de voorzieningenrechter dat verweerder aan verzoeker het door hem betaalde griffierecht vergoedt.

8. De voorzieningenrechter veroordeelt verweerder in de door verzoeker gemaakte proceskosten. Verzoeker maakt aanspraak op reis- en verblijfkosten die hij heeft moeten maken om het onderzoek ter zitting bij te wonen. De voorzieningenrechter kent daarvoor een vergoeding toe, tot een bedrag van € 17,40. Dit bedrag is vastgesteld op een tarief waarvan de hoogte gelijk is aan de reiskosten per openbaar middel van vervoer, laagste klasse, retour. Daarnaast kent de voorzieningenrechter een bedrag van € 45,- toe, zijnde verletkosten voor het bijwonen van de zitting.

Beslissing

De voorzieningenrechter:

- schorst het primaire besluit tot twee weken na bekendmaking van de beslissing op bezwaar;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 178,- aan verzoeker te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoeker tot een bedrag van € 62,40.


Deze uitspraak is gedaan door mr. E. Jochem, voorzieningenrechter, in aanwezigheid vanmr. F. Vermeij, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 29 oktober 2020.

griffier

voorzieningenrechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.