Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2020:9064

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
10-08-2020
Datum publicatie
06-11-2020
Zaaknummer
AWB - 19 _ 3980
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Eigen woning. Leegstaande woning bestemd voor verkoop. Box 3. Individuele en buitenspotige last. Belastingrente op grond van artikel 30fc, lid 4, Awr terecht in rekening gebracht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 09-11-2020
V-N Vandaag 2020/2723
FutD 2020-3361
NTFR 2020/3178
Belastingadvies 2021/3.1
V-N 2021/20.2.1
NLF 2020/2522 met annotatie van -
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank noord-holland

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummer: HAA 19/3980

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 10 augustus 2020 in de zaak tussen

[X] , wonende te [Z] , eiser,

en

de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Amsterdam, verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft aan eiser voor het jaar 2016 een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 55.641 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 327. Gelijktijdig met deze aanslag heeft verweerder bij beschikkingen een verzuimboete ten bedrage van € 369 opgelegd wegens het niet tijdig doen van aangifte en belastingrente in rekening gebracht.

Verweerder heeft bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar de aanslag verminderd tot een aanslag berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 37.867 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 14.958, de in rekening gebrachte belastingrente dienovereenkomstig verminderd en de verzuimboete vernietigd.

Eiser heeft daartegen beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Eiser heeft vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn in afschrift verstrekt aan verweerder.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 juni 2020 in Haarlem.

Eiser is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden mr. [A] en mr. [B] .

Overwegingen

Feiten

1. Eiser is op 28 februari 2017 uitgenodigd tot het doen van aangifte IB/PVV voor het jaar 2016. In deze brief is vermeld dat de aangifte voor 1 mei 2017 moet zijn ingediend.

2. Tot de stukken van het geding behoort een kopie van de aangifte IB/PVV voor het jaar 2016 van eiser, welke is gedagtekend 25 maart 2017.

3. Op 6 juni 2017 heeft verweerder een herinnering gestuurd voor het doen van aangifte en op 7 juli 2017 een aanmaning.

4. Tot de stukken van het geding behoort een brief gedagtekend 11 augustus 2017 van verweerder gericht aan eiser. In deze brief staat voor zover van belang het volgende:

“(...) U heeft over het belastingjaar 2016 een onjuist aangiftebiljet inkomstenbelasting ingediend. (...)

Voorbeelden van een onjuiste aangifte kunnen zijn:

(...)

Een kopie van de aangifte of een mix van een originele aangiftebladen en kopie aangiftebladen. (....)

5. Tot de stukken van het geding behoort voorts een brief gedagtekend 17 augustus 2017 van verweerder gericht aan eiser. In deze brief staat voor zover van belang het volgende:

“ (...) N.a.v. uw telefonisch verzoek van vandaag, deel ik u het volgende mede.

Het indienen van een kopie aangifte IB 2016 is niet mogelijk

Alleen originele aangiften worden verwerkt.(...)”

6. De aangifte IB/PVV 2016 is door de belastingdienst ontvangen op 13 december 2017.

7. Eiser was het gehele jaar 2016 eigenaar van twee woningen, te weten de woning gelegen aan de [C] en de woning gelegen aan de [D] te [Z] .

8. Eiser heeft de woning te [C] verkregen op 29 maart 1990. Deze woning is gefinancierd met een lening van [E] NV. Het saldo van deze lening bedroeg op 1 januari 2016 € 27.300. In 2016 is ter zake van deze lening een bedrag van € 591 aan rente betaald. De WOZ waarde van deze woning bedroeg in 2016 € 389.000.

9. Eiser heeft op 9 januari 2007 de woning te [Z] in eigendom verkregen. De aankoop van deze woning heeft eiser gefinancierd door middel van hypothecaire leningen ten bedrage van € 280.000. De op deze leningen betaalde rente bedroeg in 2016 € 6.820. Daarnaast heeft eiser ter zake van de aankoop van deze woning een bedrag van € 105.000 geleend van zijn kinderen en € 172.000 van [F] BV. De rente op deze leningen bedroeg in 2016 € 6.300 respectievelijk € 8.944.

10. Eiser heeft met ingang van 2011 de woning in [Z] als hoofverblijf in gebruik genomen.

11. Eiser heeft de woning in [C] in 2016 ter verkoop aangeboden en deze in het tweede kwartaal van 2017 verkocht voor een bedrag van € 565.305, na aftrek van kosten.

12. De saldi van de bankrekeningen van eiser bedroegen op 1 januari 2016 € 33.694. Eiser heeft ter zake van deze saldi een rente ontvangen ten bedrage van € 398.

13. Verweerder heeft aan eiser voor het jaar 2016 een aanslag IB/PVV opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 55.641 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 327. Verweerder heeft hierbij de woning in [C] aangemerkt als eigen woning en de woning in [Z] in de rendementsgrondslag van box 3 begrepen.

14. Verweerder heeft bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar de aanslag verminderd tot een aanslag berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 37.867 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 14.958 en de beschikking belastingrente dienovereenkomstig verminderd. Verweerder heeft hierbij de woning in [Z] aangemerkt als eigen woning en de woning in [C] in de rendementsgrondslag van box 3 begrepen.

15. Tegen deze uitspraken op bezwaar is eiser in beroep gekomen.

Geschil

16. In geschil is of de aanslag IB/PVV voor het jaar 2016 zoals deze is verminderd na uitspraak op bezwaar terecht en tot de juiste hoogte is vastgesteld. Meer in het bijzonder is in geschil of de woning in [C] kan worden aangemerkt als eigen woning of dat deze woning terecht is begrepen in de rendementsgrondslag van box 3. Indien deze vraag ontkennend moet worden beantwoord, is in geschil of de berekening van het forfaitaire rendement over het inkomen in box 3 individueel leidt tot een buitensporige last welke in strijd is met artikel 1 van het Eerste protocol bij het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: artikel 1 EP). Voorts is in geschil of eiser recht heeft op een hogere giftenaftrek, of verweerder terecht en tot het juiste bedrag belastingrente in rekening heeft gebracht en of eiser recht heeft op vergoeding van door hem geleden schade.

17. Niet in geschil is dat de woning in [Z] in 2016 als eigen woning kan worden aangemerkt. Eiser is van mening dat de woning in [C] eveneens moet worden aangemerkt als eigen woning. Voorts stelt eiser zich op het standpunt dat verweerder ten onrechte belastingrente in rekening heeft gebracht en bestrijdt hij subsidiair de hoogte van de in rekening gebrachte belastingrente. Eiser concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en vermindering van de belastingaanslag tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 37.867 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van nihil en vermindering van de belastingrente tot nihil. Voorts heeft eiser verzocht om vergoeding van door hem geleden materiële en immateriële schadevergoeding.

18. Verweerder is van mening dat de woning in [C] niet kan worden aangemerkt als eigen woning en dat deze bij de berekening terecht is begrepen in de rendementsgrondslag van box 3. Voorts is verweerder van mening dat de belastingrente terecht en tot het juiste bedrag in rekening is gebracht en dat eiser geen recht heeft op vergoeding van materiële dan wel immateriële schade. Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

19. Voor het overige verwijst de rechtbank naar de gedingstukken.

Beoordeling van het geschil

Schending artikel 8:42 Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb)

20. Eiser heeft erover geklaagd dat verweerder heeft verzuimd het originele door hem ingezonden aangiftebiljet te overleggen. Voor zover eiser hiermee heeft beoogd zich op het standpunt te stellen dat verweerder niet aan de ingevolge artikel 8:42 Awb op hem rustende verplichting alle op de zaak betrekking hebbende stukken in te brengen heeft voldaan overweegt de rechtbank als volgt.

21. Op grond van artikel 8:42, eerste lid, Awb dient de inspecteur in beginsel alle stukken die hem ter beschikking staan en een rol hebben gespeeld bij zijn besluitvorming aan de belanghebbende en aan de rechter over te leggen. De verplichting om de op de zaak betrekking hebbende stukken over te leggen geldt voorts ongeacht of de belanghebbende gebaat is bij het overleggen van de desbetreffende stukken of dat de belanghebbende is geschaad in zijn belangen indien deze stukken niet worden overgelegd (zie HR 23 mei 2014, nr. 12/01827, ECLI:NL:HR:2014:1182, BNB 2014/186). Indien een partij verzuimt te voldoen aan de verplichting om stukken over te leggen is het op grond van artikel 8:31 Awb aan de rechter om daaruit de gevolgtrekkingen te maken die hem geraden voorkomen.

22. Verweerder heeft gemotiveerd weersproken dat hij heeft beschikt over het origineel door eiser ingezonden aangiftebiljet en heeft gesteld dat hij deze nimmer heeft ontvangen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser tegenover deze gemotiveerde betwisting niet aannemelijk gemaakt dat verweerder heeft beschikt over het origineel door eiser ingediende aangiftebiljet. Voorts heeft verweerder – in tegenstelling tot wat eiser stelt – bij het verweerschrift weldegelijk een afschrift van het (uiteindelijk) door hem behandelde aangiftebiljet overgelegd. Eisers klacht treft mitsdien geen doel.

Eigen woning

23. Blijkens artikel 3.111, eerste lid, Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna: Wet IB 2001) wordt onder een eigen woning verstaan een gebouw dat de belastingplichtige of personen die behoren tot zijn huishouden anders dan tijdelijk als hoofdverblijf ter beschikking staat.

24. Uit de wetsgeschiedenis volgt dat deze bepaling beoogt te bereiken dat slechts één woning voor de belastingplichtige als eigen woning geldt:

“Per belastingplichtige kan slechts één woning voor hem als centrale levensplaats dienen. Een belastingplichtige die bijvoorbeeld in het kader van zijn werk een pied à terre aanhoudt in zijn directe werkomgeving, heeft voor de toepassing van deze regeling maar één eigen woning. (…). Het hoofdverblijf dat niet in aanmerking komt voor het eigenwoningforfait wordt automatisch doorgeschoven naar de regeling van de forfaitaire rendementsheffing. Deze meer strikte benadering moet mede worden gezien in het licht van het evenwicht met de gewijzigde behandeling van tweede woningen.”

MvT, Kamerstukken II 1998/99, 26 727, nr. 3, blz. 144-145.

25. Uit de hiervoor aangehaalde passage volgt, dat als hoofdverblijf moet worden aangemerkt de centrale levensplaats van belastingplichtige. Tussen partijen is niet in geschil dat de woning in [Z] in 2016 als centrale levensplaats van eiser diende. Mitsdien heeft verweerder de woning te [Z] op grond van artikel 3.111, eerste lid, Wet IB 2001 terecht als eigen woning aangemerkt.

26. Op grond van artikel 3.111, tweede lid, Wet IB 2001 kan een voormalige eigen woning bestemd voor verkoop tijdelijk mede worden aangemerkt als eigen woning. Deze bepaling stelt daartoe een aantal cumulatieve eisen. Er moet sprake zijn van een leegstaande woning die de belastingplichtige in het kalenderjaar of in een van de drie voorafgaande jaren als eigen woning ter beschikking heeft gestaan. Voorts moet aannemelijk zijn dat de woning bestemd is voor verkoop.

27. Niet in geschil is dat de woning te [C] in 2016 bestemd was voor verkoop. Nu vaststaat dat eiser de woning in [Z] in 2011 als hoofdverblijf in gebruik heeft genomen, brengt dit met zich dat niet is voldaan aan de eis dat de woning te [C] eiser de drie voorafgaande jaren (zijnde 2013, 2014 en 2015) als eigen woning in de zin van artikel 3.111, eerste lid, van de Wet IB 2001 ter beschikking heeft gestaan. Verweerder heeft de WOZ waarde van de woning te [C] mitsdien terecht in de rendementsgrondslag van box 3 betrokken.

Gelijkheidsbeginsel

28. Eiser betoogt voorts dat de regeling opgenomen in artikel 3:111, tweede lid, Wet IB 2001 – naar de rechtbank begrijpt – in strijd is met gelijkheidsbeginsel, omdat deze regeling ongelijke gevallen gelijk behandeld. De gevolgen van de vastgoedcrisis zijn, aldus eiser, in de omgeving van [C] veel langer voelbaar geweest, dan in de regio randstad. De in artikel 3:111, tweede lid, Wet IB 2001 opgenomen driejaarstermijn is hierdoor voor woningen die in de omgeving [C] worden verkocht te kort gebleken.

29. Voor zover de grieven van eiser zijn gericht op een rechterlijke toetsing van de in artikel 3:111, tweede lid, Wet IB 2001 opgenomen regeling aan het gelijksbeginsel danwel aan de redelijkheid, kunnen deze haar niet baten. Op grond van artikel 11 van de Wet algemene bepalingen moet de rechter volgens de wet rechtspreken en is het hem niet toegestaan de innerlijke waarde of de billijkheid van de wet te toetsen, behoudens voor zover de wettelijke regeling in strijd zou zijn met een ieder verbindende verdragsbepalingen.

30. Eisers desbetreffende grieven kunnen mitsdien louter worden getoetst aan een ieder verbindende verdragsbepalingen, waaronder het gelijkheidsbeginsel van artikel 14 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het EVRM), of artikel 26 Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (hierna: het IVBPR). Bij de toetsing aan die beginselen dient de rechter de door de wetgever gemaakte keuzes te respecteren, tenzij die van redelijke grond zijn ontbloot. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser met hetgeen hij heeft aangevoerd onvoldoende inzichtelijk gemaakt op welke wijze de regeling de regeling opgenomen in artikel 3:111, tweede lid, Wet IB 2001 leidt tot een schending van vorenvermelde verdragsbepalingen.

31. Voor zover eiser een beroep op artikel 63 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR) doet, faalt dit beroep eveneens. De bevoegdheid tot toepassing van de hardheidsclausule is uitsluitend voorbehouden aan de Minister van Financiën. Een beroep op de hardheidsclausule, die immers een onbillijkheid van de wet impliceert, kan dan ook niet met vrucht aan de belastingrechter worden voorgelegd. Ook in zoverre is het beroep derhalve ongegrond.

Individuele en buitensporige last

32. Ter beoordeling ligt de vraag voor of eiser in strijd met artikel 1 van het EP wordt geconfronteerd met een individuele en buitensporige last als gevolg van de heffing van inkomstenbelasting in box 3 over 2016.

33. Volgens vaste rechtspraak van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) is belastingheffing te beschouwen als regulering van eigendom in de zin van artikel 1 van het EP. Elke inbreuk door de Staat op het ongestoorde genot van eigendom dient in overeenstemming met het nationale recht te zijn en een legitiem doel in het algemeen belang na te streven. Een inbreuk is slechts toegestaan indien er een redelijke mate van evenredigheid bestaat tussen de gebruikte middelen en het doel dat ermee wordt nagestreefd. Dit vereist een redelijke verhouding (“fair balance”) tussen voormeld algemeen belang en de bescherming van individuele rechten. Van een dergelijke redelijke verhouding is geen sprake indien de betrokken persoon wordt getroffen door een individuele en buitensporige last. De wetgever komt een ruime beoordelingsvrijheid toe waar het gaat om de beoordeling van wat in het algemeen belang is en de keuze van de middelen om dit belang te dienen. Een keuze van de wetgever binnen die beoordelingsvrijheid kan voor een belastingplichtige alleen dan leiden tot een individuele en buitensporige last indien en voor zover deze last zich in zijn geval sterker laat voelen dan in het algemeen (vergelijk Hoge Raad 6 april 2018, ECLI:NL:HR:2018:511). Bij de beoordeling van de vraag of een individuele en buitensporige last in strijd met artikel 1 van het EP zich voordoet, moeten de gevolgen van de heffing van box 3 worden bezien in samenhang met de gehele financiële situatie van de betrokkene (vergelijk Hoge Raad 14 juni 2019, ECLI:NL:HR:2019:816). Daarbij moeten de inkomsten uit box 1 en 2 en het vermogen van eiser mede in beschouwing worden genomen.

34. Eiser heeft zich met betrekking tot de woning in [C] op het standpunt gesteld dat sprake is van een negatief rendement, zodat ten onrechte een forfaitair rendement van vier procent aanmerking is genomen. Ter onderbouwing van zijn stelling dat hij een negatief rendement heeft behaald op de woning in [C] verwijst hij naar verkoopopbrengsten van in de omgeving van de woning in [C] gelegen panden die in de periode 1998/2000 voor ongeveer € 795.000 werden verkocht. Verweerder heeft gemotiveerd weersproken dat eiser in 2016 een negatief rendement op de woning in [C] heeft behaald.

35. Wat hier verder ook van zij, de rechtbank is van oordeel dat zelfs indien sprake is van een negatief rendement op de woning te [C] dit niet meebrengt dat sprake is van een individueel en buitensporige last. De rechtbank wijst hierbij op het arrest van de Hoge Raad van 10 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1129, waarin de Hoge Raad – voor zover van belang – het volgende heeft overwogen:

“Voor het aannemen van een inbreuk op artikel 1 EP [is] niet voldoende dat het rendement van een bepaalde bezitting – in dit geval de woning – structureel blijft beneden de vier percent van het daarin geïnvesteerde vermogen. Het middel dat slechts het negatieve rendement van de woning in aanmerking neemt, faalt derhalve; nog daargelaten dat wegens het eigen gebruik van een woning voor de heffing van inkomstenbelasting de economische huurwaarde van die woning als inkomste in natura van oudsher tot de belastbare inkomsten uit vermogen wordt gerekend en er geen reden is daarover anders te oordelen ten aanzien van de inkomsten uit sparen en beleggen onder de Wet IB 2001.”

36. De rechtbank is van oordeel dat dit arrest ook thans, na de recent gewezen arresten over de vermogensrendementsheffing, welke louter betrekking hebben op het behaalde respectievelijk te behalen rendement op spaartegoeden, onverminderd zijn gelding heeft behouden. De beroepsgrond faalt daarom.

Giftenaftrek

37. Eiser stelt zich voorts op het standpunt dat bij het bepalen van de omvang van de giftenaftrek een bedrag van € 735, na verhoging op de voet van artikel 6.39 Wet IB 2001, € 919, ten onrechte niet in aanmerking is genomen als periodieke gift.

38. Periodieke giften zijn ingevolge het bepaalde in artikel 6.34 Wet IB 2001 giften in de vorm van vaste en gelijkmatige periodieke uitkeringen die uiterlijk eindigen bij overlijden, aan instellingen of verenigingen. Artikel 6.38 Wet IB 2001 bepaalt dat periodieke giften in aanmerking worden genomen indien zij berusten op een bij notariële of onderhandse akte van schenking aangegane verplichting om de uitkeringen gedurende vijf of meer jaren tenminste jaarlijks uit te keren. Artikel 6.39 Wet IB 2001 bepaalt dat andere giften in aanmerking worden genomen voorzover zij met schriftelijke bescheiden kunnen worden gestaafd en voorover zij samen zowel € 60 als 1% van het verzamelinkomen vóór toepassing van de persoonsgebonden aftrek te boven gaan, en vervolgens tot ten hoogste 10% van het verzamelinkomen vóór toepassing van de persoonsgebonden aftrek.

39. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat de door eiser gedane giften berusten op een notariële of onderhandse akte van schenking. Dit blijkt in elk geval niet uit de door eiser ter zitting overgelegde stukken, waar eerder het tegendeel uit blijkt. Ook in zoverre is het beroep van eiser mitsdien ongegrond.

Belastingrente

40. Eiser stelt zich ten aanzien van de belastingrente op het standpunt dat deze ten onrechte in rekening is gebracht, nu zowel de voorlopige aanslag als de aanslag zoals vastgesteld bij uitspraak op bezwaar resulteren in een te ontvangen bedrag aan belasting. Voorts bestrijdt hij de juistheid van het bedrag dat aan belastingrente in rekening is gebracht.

41. De hoogte van verschuldigde belastingrente vloeit rechtstreeks voort uit de wet (artikel 30fc en 30hb van de Algemene wet inzake rijksbelastingen). Ingevolge artikel 30fc, tweede lid, van de AWR wordt de belastingrente enkelvoudig berekend over het tijdvak dat aanvangt zes maanden te rekenen vanaf het einde van het tijdvak waarover de belasting wordt geheven en eindigt op de dag voorafgaand aan de dag waarop de aanslag ingevolge artikel 9 van de Invorderingswet 1990 invorderbaar is, te weten zes weken na de dagtekening van de aanslag. De belastingrentebeschikking heeft als grondslag het te betalen bedrag aan belasting.

42. Het zevende lid van artikel 30fc van de AWR bepaalt dat als het te betalen bedrag aan belasting geldt het bedrag na de verrekening ingevolge – onder andere – artikel 15 van de AWR. Artikel 15 van de AWR bepaalt dat de voorlopige aanslagen en de in de belastingwet aangewezen voorheffingen worden verrekend met de aanslag, dan wel – voor zoveel nodig – bij een door de inspecteur te nemen voor bezwaar vatbare beschikking.

43. Voor het onderhavige geval betekent dit dat belastingrente verschuldigd is over de periode van 1 juli 2017 tot en met 4 januari 2019 over een bedrag van € 4.376. De belastingrente (voor de inkomstenbelasting) bedraagt 4 percent (artikel 30hb, eerste lid, van de AWR). De wettelijke regeling geeft geen mogelijkheid om van deze berekeningswijze af te wijken.

44. De rechtbank verwerpt voorts het betoog van eiser dat de belastingrente ten onrechte in rekening is gebracht omdat verweerder ten onrechte ervan uitgaat dat zijn aangifte niet tijdig is ingediend. Hiertoe overweegt de rechtbank dat de aanslag IB/PVV 2016, ook na uitspraak op bezwaar, niet overeenkomstig de ingediende aangifte van eiser is vastgesteld, zodat ook indien de aangifte IB/PVV voor het jaar 2016 tijdig zou zijn ontvangen door verweerder, op grond van het bepaalde in artikel 30fc, vierde lid, AWR belastingrente in rekening kan worden gebracht.

45. De beschikking belastingrente is mitsdien terecht en tot de juiste hoogte opgelegd.

46. Gelet op het vorenoverwogene dient het beroep van eiser ongegrond te worden verklaard.

Schadevergoeding

47. Ingevolge het overgangsrecht van artikel V in verbinding met artikel IV van de Wet nadeelcompensatie en schadevergoeding bij onrechtmatige besluiten (Staatsblad 2013, 50) is de regeling voor schadevergoeding bij onrechtmatig overheidshandelen, zoals neergelegd in de artikelen 8:88 tot en met 8:95 Awb, (nog) niet van toepassing op besluiten van de Belastingdienst (met uitzondering van besluiten betreffende de vennootschapsbelasting). Dit brengt mee dat het verzoek om schadevergoeding moet worden beoordeeld in het licht van artikel 8:73 (oud) Awb.

48. Artikel 8:73, eerste lid, Awb luidde tot 1 juli 2013: “1. Indien de bestuursrechter het beroep gegrond verklaart, kan hij, indien daarvoor gronden zijn, op verzoek van een partij het bestuursorgaan veroordelen tot vergoeding van de schade die die partij lijdt.”

49. Zoals hiervoor is overwogen, zal het beroep ongegrond worden verklaard. Het verzoek van eiser om schadevergoeding kan reeds daarom niet worden toegewezen

Proceskosten

50. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. B van Walderveen, rechter, in aanwezigheid van mr. N.G.U. Wasch, griffier. Deze uitspraak is gedaan op 10 augustus 2020. Als gevolg van de maatregelen rondom het coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak, voor zover nodig, alsnog in het openbaar uitgesproken.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na verzending hoger beroep instellen bij het gerechtshof Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312,

1000 BH Amsterdam.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.