Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2020:9058

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
08-09-2020
Datum publicatie
06-11-2020
Zaaknummer
AWB - 19 _ 3951
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Proceskostenvergoeding. Wegingsfactor. Vergoeding immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2020/3287
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Noord-Holland

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummer: HAA 19/3951

Uitspraak van de enkelvoudige kamer van 8 september 2020 in de zaak tussen

[X] , wonende te [Z] , eiser
(gemachtigde: M. Collij),

en

de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Amsterdam, verweerder.

De bestreden uitspraak op bezwaar

De uitspraak van verweerder van 26 juni 2019 op het bezwaar van eiser tegen de aan eiser voor het jaar 2012 opgelegde navorderingsaanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 26.358 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 2.335, alsmede tegen de daarbij bij beschikking in rekening gebrachte belastingrente.

Zitting

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 augustus 2020.

Namens eiser is verschenen zijn gemachtigde M. Collij. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden mr. [A] en mr. [B] .

Overwegingen

Navorderingsaanslag IB/PVV 2012

1. Verweerder heeft een navorderingsaanslag 2012 opgelegd. Deze resulteert in een te betalen bedrag van € 265. Bij uitspraak op bezwaar is de navorderingsaanslag gehandhaafd.

Hiertegen heeft eiser beroep ingediend.

2. Verweerder heeft zich bij brief van 16 juni 2020 nader op het standpunt gesteld dat de navordering wegens strijd met het correctiebeleid is opgelegd en heeft bij beschikking met dagtekening 30 juni 2020 de navorderingsaanslag vernietigd. Daarmee is volledig tegemoetgekomen aan het bezwaar van eiser. Dit brengt mee dat het beroep inzake de navorderingsaanslag niet meer tot een voor eiser gunstiger resultaat kan leiden.

3. Daarmee komt het belang aan dit beroep te ontvallen (vgl. Hoge Raad 8 september 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU4755; Hoge Raad 3 december 2010, ECLI:NL:HR:2010:BO5988; Hoge Raad 15 januari 2016, ECLI:NL:HR:2016:43). Het beroep dient daarom niet-ontvankelijk te worden verklaard. Daaraan doet niet af dat eiser om vergoeding van immateriële schade heeft verzocht. Een dergelijk verzoek maakt een niet-ontvankelijk beroep niet alsnog ontvankelijk (vgl. Hof 's-Hertogenbosch 25 maart 2016, ECLI:NL:GHSHE:2016:1137).

Immateriële schadevergoeding

4. Eiser heeft een verzoek tot vergoeding van immateriële schade gedaan wegens overschrijding van de redelijke termijn. Bij de beoordeling van de vraag of de redelijke termijn is overschreden moet worden aangesloten bij de uitgangspunten als neergelegd in het arrest van de Hoge Raad van 22 april 2005, ECLI:NL:HR:2005:AO9006. Voor een uitspraak in eerste aanleg heeft te gelden dat deze niet binnen een redelijke termijn geschiedt indien de rechtbank niet binnen twee jaar nadat die termijn is aangevangen uitspraak doet, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden. De termijn vangt als regel aan op het moment waarop verweerder het bezwaarschrift ontvangt. Indien de redelijke termijn is overschreden, dient als uitgangspunt voor de schadevergoeding een tarief te worden gehanteerd van € 500 per half jaar dat die termijn is overschreden, waarbij ter bepaling van de totale vergoeding de geconstateerde overschrijding naar boven wordt afgerond.

5. Verweerder heeft het bezwaarschrift tegen de aan eiser voor het belastingjaar 2012 opgelegde navorderingsaanslag ontvangen op 21 november 2017. Verweerder heeft uitspraak op het bezwaar gedaan met dagtekening 26 juni 2019. Vanaf de datum van ontvangst van het bezwaarschrift, 21 november 2017, tot aan de uitspraak van de rechtbank van 8 september 2020 is meer dan twee jaar verstreken. Van bijzondere omstandigheden die een langere termijn dan twee jaar rechtvaardigen, is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake.

6. Op grond van de arresten van de Hoge Raad van 22 maart 2013, ECLI:NL:HR:2013:BX6666 en 9 augustus 2013, ECLI:NL:HR:2013:199 is een termijn van zes maanden voor de behandeling van een bezwaar redelijk en voor de beroepsfase een termijn van anderhalf jaar. De rechtbank zal de toerekening van de overschrijding van de redelijke termijn bepalen met inachtneming van het overzichtsarrest van de Hoge Raad van 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252. Gelet op het feit dat de termijn op 21 november 2017 is aangevangen en de rechtbank uitspraak doet op 8 september 2020, is de voor de procedure in eerste aanleg in aanmerking te nemen termijn (afgerond) 34 maanden. De redelijke termijn is derhalve overschreden met (afgerond) tien maanden. Daarmee correspondeert een vergoeding van immateriële schade van € 1.000. De gehele overschrijding dient te worden toegerekend aan de bezwaarfase.

7. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, zal de rechtbank verweerder veroordelen tot het betalen van een schadevergoeding van € 1.000 voor de overschrijding van de redelijke termijn in de eerste fase.

Proceskosten

8. Naar de Hoge Raad heeft geoordeeld in zijn arrest van 3 december 2010, ECLI:NL:HR:2010:BO5988, behoort de rechter, in gevallen als de onderhavige waarin een rechtsmiddel niet-ontvankelijk wordt verklaard omdat het bestuursorgaan geheel aan de bezwaren van de belanghebbende tegemoet is gekomen, vergoeding van griffierecht te gelasten, en dient hij als hoofdregel het bestuursorgaan in de proceskosten te veroordelen, tenzij de noodzaak tot het instellen van beroep uitsluitend voortvloeide uit de handelwijze van de belanghebbende. In dit geval is de rechtbank van oordeel dat de noodzaak tot het instellen van beroep niet uitsluitend voortvloeide uit de handelwijze van eiser, zodat de rechtbank verweerder veroordeelt in de door eiser gemaakte proceskosten in bezwaar en beroep.

9. Eiser heeft zich op het standpunt gesteld dat in deze zaak een wegingsfactor van 1,5 (zwaar) op zijn plaats is, omdat deze zaak van verweerder het kenmerk “1043” heeft gekregen waardoor de aanslagregelaar en bezwaarbehandelaar consequent niet goed naar de feiten hebben gekeken. De aard van de aanslag is zeer kwalijk te noemen volgens eiser. Eiser verwijst ter onderbouwing van zijn standpunt naar de uitspraak van Gerechtshof Den Haag van 19 juni 2020 (ECLI:NL:GHDHA:2020:1204) waarin wegingsfactor 2 (zeer zwaar) werd toegekend.

10. De wegingsfactor wordt bepaald door de aard, het belang en de ingewikkeldheid van de zaak. De rechtbank acht deze zaak zoals die in bezwaar en beroep voorlag in haar aard niet van een grotere complexiteit of van een groter belang dan een gemiddelde zaak. Er is daarom geen aanleiding om aan deze zaak zoals die in de bezwaarfase heeft gediend een zwaardere wegingsfactor dan 1 (gemiddeld) toe te kennen.

11. De rechtbank stelt de kosten op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.047 (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift en 1 punt voor het verschijnen bij de hoorzitting met een waarde per punt van € 261 en 1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 525 en een wegingsfactor 1).

12. De rechtbank kent geen punt toe voor het verschijnen ter zitting nu verweerder bij voornoemde brief van 16 juni 2020 aan eiser heeft voorgesteld om de zaak in te trekken en heeft aangeboden om de kosten voor het indienen van het bezwaarschrift, voor het hoorgesprek en voor het indienen van beroep (in totaal € 1.047), alsmede de griffiekosten en een bedrag van € 1.000 aan immateriële schade te vergoeden. Eiser heeft hiermee niet ingestemd. Ter zitting heeft gemachtigde van eiser medegedeeld dat niet is ingetrokken omdat hij van mening is dat een wegingsfactor 1,5 voor de proceskostenvergoeding moet worden toegepast. De rechtbank is van oordeel, gelet op de aard, omvang en ingewikkeldheid van deze zaak, dat van deze stelling van eiser die eerst ter zitting is opgebracht en door gemachtigde ook onvoldoende is onderbouwd, niet gezegd kan worden dat eiser deze in redelijkheid kon innemen. Daarom geldt voor de kosten van de zitting dat eiser deze redelijkerwijs niet had hoeven maken in de zin als bedoeld in artikel 7:15 van de Algemene wet bestuursrecht, zodat voor vergoeding daarvan geen reden is.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep niet-ontvankelijk;

- veroordeelt verweerder tot het betalen van een schadevergoeding van € 1.000 voor de overschrijding van de redelijke termijn;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van

€ 1.047;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 47 aan eiser te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan op 8 september 2010 door mr. G.H. de Soeten, rechter, in aanwezigheid van mr. E.P. van der Zalm, griffier. Als gevolg van de maatregelen rondom het coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak, voor zover nodig, alsnog in het openbaar uitgesproken.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na verzending hoger beroep instellen bij het gerechtshof Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312,

1000 BH Amsterdam.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.