Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2020:9050

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
08-09-2020
Datum publicatie
06-11-2020
Zaaknummer
AWB - 19 _ 3622
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Proceskostenvergoeding. Wegingsfactor. Vergoeding immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2020/2726
V-N 2020/60.29.11
NTFR 2020/3289
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Noord-Holland

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummer: HAA 19/3622

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 8 september 2020 in de zaak tussen

[X] , wonende te [Z] , eiser
(gemachtigde: M. Collij),

en

de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Amsterdam, verweerder.

De bestreden uitspraak op bezwaar

De uitspraak van verweerder van 21 juni 2019 op het bezwaar van eiser tegen de aan eiser voor het jaar 2015 opgelegde aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 26.987.

Zitting

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 augustus 2020.

Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde M. Collij. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden mr. [A] en mr. [B] .

Overwegingen

Feiten

1. Eiser heeft op 24 februari 2016 aangifte gedaan naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 22.897. In deze aangifte heeft eiser een bedrag van € 4.090 afgetrokken voor specifieke zorgkosten.

2. Verweerder heeft aan eiser met dagtekening 25 juni 2016 ten aanzien van de aftrek van specifieke zorgkosten over het jaar 2015 verzocht om nadere informatie.

3. Verweerder heeft met dagtekening 27 oktober 2017 de aanslag IB/PVV 2015 opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 26.987.

4. Verweerder is bij uitspraak op bezwaar van 21 juni 2019 gedeeltelijk aan het bezwaar omtrent de aftrek van specifieke zorgkosten tegemoet gekomen en heeft de aanslag IB/PVV 2015 verminderd tot een aanslag berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 25.140. Verweerder heeft daarbij aan eiser op basis van het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: Bpb) de proceskosten van eiser vergoed voor een bedrag van € 508 voor het bezwaarschrift en de hoorzitting met een waarde per punt van € 254 en een wegingsfactor 1 (gemiddeld) voor de zwaarte van de zaak.

5. Hiertegen heeft eiser beroep ingesteld. Bij beschikking met dagtekening 6 december 2019 heeft verweerder de aanslag IB/PVV 2015 verminderd tot een aanslag berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 24.794.

Geschil

6. In geschil is de hoogte van de proceskostenvergoeding in bezwaar en beroep.

7. Eiser stelt dat een proceskostenvergoeding dient te worden toegekend gebaseerd op een wegingsfactor 1,5. Voorts verzoekt eiser om vergoeding van de immateriële schade in verband met de duur van de procedure.

8. Verweerder stelt dat een proceskostenvergoeding dient te worden toegekend gebaseerd op een wegingsfactor 1 en dat geen recht bestaat op vergoeding van immateriële schadevergoeding.

Beoordeling van het geschil

9. Tussen partijen is de aftrek van de specifieke zorgkosten niet langer in schil. Nu de aanslag overeenkomstig de grieven van eiser is verminderd, is het beroep reeds gegrond.

Proceskostenvergoeding in de bezwaarfase

10. Eiser voert aan dat voor de kostenvergoeding in de bezwaarfase wegingsfactor 1,5 had moeten gelden, omdat deze zaak van verweerder het kenmerk “1043” heeft gekregen waardoor de aanslagregelaar en bezwaarbehandelaar consequent niet goed naar de feiten hebben gekeken. De aard van de aanslag is zeer kwalijk te noemen volgens eiser. Eiser verwijst ter onderbouwing van zijn standpunt naar de uitspraak van Gerechtshof Den Haag van 19 juni 2020 (ECLI:NL:GHDHA:2020:1204) waarin wegingsfactor 2 (zeer zwaar) werd toegekend.

11. De wegingsfactor wordt bepaald door de aard, het belang en de ingewikkeldheid van de zaak. De rechtbank acht deze zaak zoals die in bezwaar voorlag in haar aard niet van een grotere complexiteit of van een groter belang dan een gemiddelde zaak. Er is daarom geen aanleiding om aan deze zaak zoals die in de bezwaarfase heeft gediend een zwaardere wegingsfactor dan 1 (gemiddeld) toe te kennen.

12. De kostenvergoeding voor de bezwaarfase is daarom met een juiste wegingsfactor, namelijk 1 (gemiddeld), berekend en daarmee tot een juist bedrag toegekend.

Immateriële schadevergoeding

13. Eiser heeft een verzoek tot vergoeding van immateriële schade gedaan wegens overschrijding van de redelijke termijn. Bij de beoordeling van de vraag of de redelijke termijn is overschreden moet worden aangesloten bij de uitgangspunten als neergelegd in het arrest van de Hoge Raad van 22 april 2005, ECLI:NL:HR:2005:AO9006. Voor een uitspraak in eerste aanleg heeft te gelden dat deze niet binnen een redelijke termijn geschiedt indien de rechtbank niet binnen twee jaar nadat die termijn is aangevangen uitspraak doet, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden. De termijn vangt als regel aan op het moment waarop verweerder het bezwaarschrift ontvangt.

14. Verweerder heeft het bezwaarschrift tegen de aanslag IB/PVV 2015 ontvangen op 11 december 2017. Vanaf de datum van ontvangst van het bezwaarschrift, 11 december 2017, tot aan de uitspraak van de rechtbank van 8 september 2020 is meer dan twee jaar verstreken.

15. In belastingzaken wordt, indien de redelijke termijn is overschreden, verondersteld dat de belanghebbende immateriële schade heeft geleden in de vorm van spanning en frustratie, behoudens bijzondere omstandigheden (zie het arrest van de Hoge Raad, ECLI:NL:HR:2014:1461).

16. Door de verminderingsbeschikking van 6 december 2019 is volledig tegemoet gekomen aan de grieven van eiser omtrent de specifieke zorgkosten. Aan de spanning en frustratie die eiser heeft ondervonden is daarmee op die datum een einde gekomen. Dit is binnen twee jaar na de ontvangst van het bezwaarschrift. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding voor vergoeding van immateriële schade.

17. De stelling van eiser dat het verzoek verband houdt met de beslissing van verweerder omtrent de proceskostenvergoeding in de bezwaarfase, kan de rechtbank niet volgen, omdat eiser pas in beroep aanvoert dat deze vergoeding niet juist zou zijn omdat er een wegingsfactor van 1,5 dient te worden toegekend. Dat eiseres in verband hiermee spanning en frustratie heeft ondervonden is niet aannemelijk geworden. In dit geval kan daarom worden volstaan met de constatering dat de redelijke termijn is overschreden.

Proceskosten

18. Nu verweerder naar aanleiding van de uitspraak op bezwaar en de verminderingsbeschikking reeds een kostenvergoeding voor de bezwaarfase en de beroepsfase (voor het indienen van het beroep) heeft toegekend, zal de rechtbank verweerder enkel veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten in beroep.

19. De rechtbank stelt deze kosten op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.050 (te weten 1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 525 en een wegingsfactor 1 (gemiddeld) voor de zwaarte van de zaak. Eiser heeft verzocht om toepassing van wegingsfactor 1,5 (zwaar). De rechtbank heeft geen aanknopingspunten aangetroffen in het dossier die aanleiding geven tot het oordeel dat er geen sprake is van een zaak met gemiddeld gewicht en acht de zaak, gelet op de aard en omvang daarvan, niet dermate gecompliceerd dat moet worden afgeweken van de standaard gehanteerde wegingsfactor 1.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar, behoudens de beslissing over de kosten van

bezwaar;

- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde uitspraak op bezwaar.

- constateert dat de redelijke termijn is overschreden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.050;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 47 aan eiser te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan op 8 september 2020 door mr. G.H. de Soeten, rechter, in aanwezigheid van mr. E.P. van der Zalm, griffier. Als gevolg van de maatregelen rondom het coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak, voor zover nodig, alsnog in het openbaar uitgesproken.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na verzending hoger beroep instellen bij het gerechtshof Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.