Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2020:9047

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
10-09-2020
Datum publicatie
06-11-2020
Zaaknummer
AWB - 19 _ 4081 en 19_4082
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Navorderingsaanslag IB/PVV. Nieuw feit. Ambtelijk verzuim. Eigen woning. Leegstaande woning bestemd voor verkoop. Kraakwachtsituatie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 09-11-2020
V-N Vandaag 2020/2747
FutD 2020-3367
NTFR 2020/3177
NLF 2020/2523 met annotatie van
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank noord-holland

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummers: HAA 19/4081 en HAA 19/4082

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 10 september 2020 in de zaken tussen

[X] , wonende te [Z] , eiser

(gemachtigde: M. Collij),

en

de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Amsterdam, verweerder.

Procesverloop

HAA 19/4081

Verweerder heeft aan eiser voor het jaar 2012 een navorderingsaanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 32.936. Daarbij heeft verweerder bij beschikking belastingrente in rekening gebracht.

HAA 19/4082

Verweerder heeft aan eiser voor het jaar 2013 een navorderingsaanslag IB/PVV opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 26.649. Daarbij heeft verweerder bij beschikking belastingrente in rekening gebracht.

In beide zaken

Verweerder heeft bij uitspraken op bezwaar de navorderingsaanslagen gehandhaafd.

Eiser heeft daartegen beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn in afschrift verstrekt aan de wederpartij.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 augustus 2020 te Haarlem. De zaken zijn gelijktijdig behandeld met de zaak, kenmerk HAA 19/4077, van [A] , fiscale partner van eiser.

Namens eiser is zijn gemachtigde M. Collij verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden mr. [B] en mr. [C] .

Overwegingen

Feiten

1. Eiser is geboren op [#] . Hij is het hele jaar 2012 en 2013 gehuwd met [A] geboren op [#] (hierna: de partner)

2. Eiser en de partner zijn in de onderhavige jaren ieder voor 50% eigenaar van de woning gelegen aan de [D] , alsmede van de woning gelegen aan het [E] . Eiser en de partner staan met ingang van 23 februari 2012 ingeschreven op het adres [D] . Tot die datum stonden zij ingeschreven op het adres [E] .

3. Met ingang van 16 februari 2012 is de woning te [E] in gebruik gegeven aan een derde, die met zich met ingang van 27 februari 2012 heeft ingeschreven op dit adres. Met ingang van 1 februari 2017 is eiser de woning te [E] gaan verhuren aan [F] .

4. Eiser en de partner hebben de aankoop van de grond en de daarop te bouwen nieuwbouwwoning te [Z] gefinancierd met een tweetal hypothecaire leningen bij de [G] . In 2012 is voor deze leningen een bedrag van € 11.153 aan rente betaald, en in 2013 een bedrag van € 10.603. In 2012 hadden eiser en de partner tevens een bouwdepot bij de [G] . Op het bouwdepot is in 2012 een bedrag van € 217 aan rente ontvangen.

5. Eiser heeft op 12 december 2013 aangifte IB/PVV voor het jaar 2012 ingediend. Het hierin aangegeven inkomen uit werk en woning bedraagt € 31.694. In deze aangifte is een bedrag van € 12.154 voor betaalde rente en kosten van geldleningen die zijn gebruikt voor de eigen woning in aftrek gebracht. Dit bedrag bestaat naast de door eiser op de leningen bij [G] betaalde rente, uit rente en kosten met betrekking tot de woning te [E] . Van de resulterende (negatieve) inkomsten uit eigen woning is een bedrag van € 7.495 aan eiser toegerekend. Voorts is in deze aangifte een bedrag van € 26 als giftenaftrek in aanmerking genomen, waarvan een bedrag van € 24 aan eiser is toegerekend.

6. De definitieve aanslagen IB/PVV 2012 is met dagtekening 11 januari 2014 overeenkomstig de ingediende aangifte geautomatiseerd opgelegd.

7. Eiser heeft op 20 oktober 2014 aangiften IB/PVV voor het jaar 2013 ingediend. Het hierin aangegeven inkomen uit werk en woning bedraagt € 20.187. In deze aangifte is een bedrag van € 16.603 voor betaalde rente en kosten van geldleningen die zijn gebruikt voor de eigen woning in aftrek gebracht. Dit bedrag bestaat naast de door eiser op de leningen bij [G] betaalde rente, uit rente en kosten met betrekking tot de woning te [E] . Van de resulterende (negatieve) inkomsten uit eigen woning is een bedrag van € 14.507 aan eiser toegerekend. Voorts is in deze aangiften een bedrag van € 515 als giftenaftrek in aanmerking genomen, waarvan een bedrag van € 462 aan eiser is toegerekend.

8. De definitieve aanslag IB/PVV 2013 is met dagtekening 9 september 2015 overeenkomstig de ingediende aangifte geautomatiseerd opgelegd.

9. Na het vaststellen van de definitieve aanslagen IB/PVV 2012 en 2013 is een onderzoek gedaan naar het aangiftegedrag van de gemachtigde van eiser. In dat kader is aan eiser een vragenbrief verzonden met dagtekening 14 maart 2017, waarin onder meer werd verzocht de aftrek inzake de eigenwoningschuld en de opgevoerde giftenaftrek nader te onderbouwen.

10. Na correspondentie tussen eiser respectievelijk zijn gemachtigde en verweerder zijn met dagtekening 2 december 2017 de navorderingsaanslagen IB/PVV 2012 en 2013 opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 32.932 (2012) respectievelijk € 26.649 (2013) resulterend in navorderingen ten bedrage van € 564 (2012) respectievelijk € 2.714 (2013). Hierbij is de aftrek eigen woning gecorrigeerd met een bedrag van € 1.218 (2012) respectievelijk € 6.000 (2013) en de giftenaftrek in het geheel gecorrigeerd.

11. De correcties van de aftrek eigen woning zijn als volgt berekend:

2012

Aangegeven rente en kosten

€ 12.154

Betaalde rente [G]

€ 11.153

-/-

Ontvangen rente op bouwdepot

€ 217

+

Correctie

€ 1.218

2013

Aangegeven rente en kosten

€ 16.603

Betaalde rente [G]

€ 10.602

-/-

Correctie

€ 6.001

Geschil

12. In geschil is of verweerder alle op de zaak betrekking hebbende stukken heeft ingebracht, en of de navorderingsaanslagen terecht en tot de juiste hoogte aan eiser zijn opgelegd.

13. Eiser stelt zich op het standpunt dat verweerder niet alle op de zaak betrekking hebbende stukken heeft overgelegd en dat de navorderingsaanslagen ten onterechte zijn opgelegd. In dit verband wijst hij op het ontbreken van een nieuw feit dan wel de aanwezigheid van een ambtelijk verzuim dat aan navordering in de weg staat. Eiser is tot slot van mening dat de negatieve inkomsten uit eigen woning ten onrechte zijn gecorrigeerd en dat de rente die hij heeft betaald voor de voormalige eigen woning te [E] ook voor aftrek in aanmerking komt.

14. Eiser concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en vernietiging van de navorderingsaanslagen. Tevens verzoekt hij om toekenning van een vergoeding van immateriële schade vanwege de lange duur van de procedure.

15. Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van de beroepen. Hij stelt alle op de zaak betrekking hebbende stukken te hebben ingebracht en dat de navorderingsaanslagen terecht en tot de juiste hoogte zijn opgelegd.

16. Voor het overige verwijst de rechtbank naar de gedingstukken.

Beoordeling van het geschil

Op de zaak betrekking hebbende stukken

17. Eiser stelt zich op het standpunt dat verweerder niet heeft voldaan aan zijn verplichting alle op de zaak betrekking hebbende stukken als bedoeld in artikel 8:42 Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) in te brengen. In het bijzonder betoogt eiser dat verweerder de volgende stukken ten aanzien van het onderzoek naar het kantoor van de gemachtigde van eiser moet inbrengen: de verslaglegging die aan een hem toegezonden Excelsheet ten grondslag ligt, het pre weeg document van 9 november 2016 en het verslag van het tripartite overleg van 17 november 2016. De rechtbank is van oordeel dat tot de op de zaak betrekking hebbende stukken niet meer stukken behoren dan verweerder in deze procedure heeft overgelegd. De door eiser genoemde stukken hebben betrekking op het onderzoek naar de gemachtigde van eiser en diens kantoor. Daarmee zijn dit nog geen op deze zaak betrekking hebbende stukken. De enkele omstandigheid dat het onderzoek heeft geleid tot het stellen van vragen aan eiser maakt dat niet anders. Deze stukken zijn door verweerder ook niet gebruikt bij het vaststellen van de onderhavige navorderingsaanslagen. De grief van eiser dat verweerder niet alle stukken als bedoeld in artikel 8:42 Awb heeft ingebracht, wordt daarom verworpen.

Nieuw feit/ambtelijk verzuim

18. Te weinig geheven of teveel teruggegeven belasting kan op grond van artikel 16, eerste lid, Algemene wet inzake rijksbelastingen worden nagevorderd. Navordering is niet mogelijk op grond van een feit dat de inspecteur ten tijde van het opleggen van de (primitieve) aanslag bekend was of redelijkerwijs bekend had moeten zijn.

19. Volgens vaste rechtspraak mag de inspecteur bij het vaststellen van een aanslag uitgaan van de juistheid van de gegevens die een belastingplichtige bij zijn aangifte heeft verstrekt. Navordering is evenwel niet mogelijk als de inspecteur een ambtelijk verzuim heeft begaan. Daarvan is sprake als de inspecteur, na met een normale zorgvuldigheid kennis te hebben genomen van de inhoud van de aangifte, en mede gelet op de overige in aanmerking komende omstandigheden van het geval, aan de juistheid van enig daarin opgenomen gegeven in redelijkheid behoorde te twijfelen (vgl. HR 31 mei 2013, ECLI:NL:HR:2013:BX7184, HR 22 maart 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL7165 en HR 16 april 2010, ECLI:NL:HR:2010:BJ9082).

20. In het onderhavige geval mocht verweerder naar het oordeel van de rechtbank uitgaan van de juistheid van de aangiften IB/PVV 2012 en 2013 nu daarin geen exorbitant hoge bedragen aan hypotheekrenteaftrek en giftenaftrek stonden vermeld. De aangiften zijn dan ook niet zodanig ongebruikelijk dat onmiddellijk duidelijk moest zijn dat deze niet zonder onderzoek naar de juistheid ervan konden worden gevolgd. Nu de aangiften ook verder verzorgd oogden waren er voor verweerder in beginsel dan ook geen beletselen de aangiften zonder verder onderzoek te volgen.

21. Eiser heeft in dit verband nog aangevoerd dat verweerder over een renseignement van de hypotheekverstrekker moet hebben beschikt. Bij kennisneming met normale zorgvuldigheid van eisers aangiften zou verweerder bemerkt moeten hebben dat de door eiser in aftrek gebrachte hypotheekrente niet overeen kwam met dit renseignement. Naar het oordeel van de rechtbank is het enkele feit dat verweerder moet hebben beschikt over een renseignement van de hypotheekverstrekker echter nog geen reden voor verweerder om aan de juistheid van de in de aangiften opgenomen aftrekpost in redelijkheid te twijfelen, nu er ook een andere, niet onwaarschijnlijke verklaring mogelijk is voor het niet met elkaar overeenkomen van het renseignement en de in aftrek gebrachte rente. Zo is het mogelijk dat eiser en de partner de aankoop van de eigen woning gedeeltelijk gefinancierd hadden met een onderhandse lening. De rechtbank komt tot het oordeel dat aan het vereiste van het nieuwe feit ten aanzien van beide navorderingsaanslagen is voldaan.

Ambtelijk verzuim?

22. De namens eiser geschetste omstandigheid dat het kantoor van zijn gemachtigde, Werkkollektief Hoorn, vanaf april 2015 onderwerp is van een strafrechtelijk onderzoek en aan een verscherpt onderzoek werd onderworpen omdat gebleken zou zijn dat medewerkers van het kantoor in de door hen verzorgde aangiften gefingeerde aftrekposten zouden hebben opgevoerd, rechtvaardigt niet de conclusie dat in die gevallen waarin een verscherpte controle achterwege is gebleven reeds daarom kan worden gesproken van een ambtelijk verzuim dat aan de bevoegdheid tot navordering in de weg staat. Verweerder heeft dienaangaande verklaard dat naar aanleiding van de gerezen verdenking in eerste instantie een beperkt onderzoek is ingesteld naar de juistheid van 173 door het kantoor van de gemachtigde ingediende aangiften IB/PVV. Op basis van de beantwoording van de in die zaken met dagtekening 30 juni 2015 verzonden vragenbrieven en het onderzoek naar de juistheid daarvan is vervolgens geconcludeerd dat een uitgebreider onderzoek naar de juistheid gerechtvaardigd was. Vanaf begin 2016 werden dan ook de digitaal ingediende aangiften die zijn voorzien van het beconnummer van gemachtigde en waarvan de aftrekposten boven een bepaald bedrag uitkwamen aan een onderzoek onderworpen. In het kader van dit bredere onderzoek zijn ook de vragenbrieven van 14 maart 2017 aan eiseres toegezonden. De rechtbank acht deze werkwijze van verweerder zorgvuldig en voldoende voortvarend.

23. Gelet op het voorgaande is de rechtbank in onderhavige zaak van oordeel dat pas voor het eerst sprake kan zijn van een mogelijk ambtelijk verzuim ten aanzien van definitieve aanslagen die zijn opgelegd vanaf begin 2016. Daar is in deze zaken geen sprake van. De definitieve aanslagen over 2012 en 2013 zijn respectievelijk op 11 januari 2014 en 9 september 2015 opgelegd.

Correctiebeleid

24. De aan eiser opgelegde navorderingsaanslagen overschrijden beide de grens van € 450 zodat de navorderingsaanslagen in overeenstemming met het correctiebeleid zijn opgelegd.

Eigen woning

25. Blijkens artikel 3.111, eerste lid, Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna: Wet IB 2001) wordt onder een eigen woning verstaan een gebouw dat de belastingplichtige of personen die behoren tot zijn huishouden anders dan tijdelijk als hoofdverblijf ter beschikking staat.

26. Uit de wetsgeschiedenis volgt dat deze bepaling beoogt te bereiken dat slechts één woning voor de belastingplichtige als eigen woning geldt:

“Per belastingplichtige kan slechts één woning voor hem als centrale levensplaats dienen. Een belastingplichtige die bijvoorbeeld in het kader van zijn werk een pied à terre aanhoudt in zijn directe werkomgeving, heeft voor de toepassing van deze regeling maar één eigen woning. (…). Het hoofdverblijf dat niet in aanmerking komt voor het eigenwoningforfait wordt automatisch doorgeschoven naar de regeling van de forfaitaire rendementsheffing. Deze meer strikte benadering moet mede worden gezien in het licht van het evenwicht met de gewijzigde behandeling van tweede woningen.”

MvT, Kamerstukken II 1998/99, 26 727, nr. 3, blz. 144-145.

27. Uit de hiervoor aangehaalde passage volgt, dat als hoofdverblijf moet worden aangemerkt de centrale levensplaats van belastingplichtige. Tussen partijen is niet in geschil dat de woning te Hoorn in 2012 en 2013 als centrale levensplaats van eiser diende. Mitsdien heeft verweerder de woning te Hoorn op grond van artikel 3.111, eerste lid, Wet IB 2001 terecht als eigen woning aangemerkt.

28. Op grond van artikel 3.111, tweede lid, Wet IB 2001 kan een voormalige eigen woning bestemd voor verkoop tijdelijk mede worden aangemerkt als eigen woning. Deze bepaling stelt daartoe een aantal cumulatieve eisen. Er moet sprake zijn van een leegstaande woning die de belastingplichtige in het kalenderjaar of in een van de drie voorafgaande jaren als eigen woning ter beschikking heeft gestaan. Voorts moet aannemelijk zijn dat de woning bestemd is voor verkoop.

29. Niet in geschil is dat de woning te [E] in 2012 en 2013 bestemd was voor verkoop. Verweerder stelt zich echter op het standpunt dat niet is voldaan aan de voorwaarde dat sprake is van een leegstaande woning, omdat de woning te [E] met ingang van 16 februari 2012 in gebruik is gegeven aan een derde. Eiser heeft zich daartegenover op het standpunt gesteld dat wel is voldaan aan de voorwaarde dat sprake is van een leegstaande woning. Hiertoe stelt eiser onder verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 7 juni 2013, ECLI:NL:HR:2013:CA2316 dat sprake was van een huisbewaarder respectievelijk kraakwachtsituatie.

30. Van een kraakwachtsituatie als bedoeld in voornoemd arrest is sprake indien met een derde is overeengekomen dat hij zorg zal dragen dat de woning niet wordt gekraakt, en deze derde, behoudens een beperkte bijdrage in de energiekosten, geen vergoeding hoeft te betalen voor het daarmee gepaard gaande verblijf in de woning en hij de woning zal moeten verlaten zodra de eigenaar dat noodzakelijk acht. De rechtbank stelt voorop dat de bewijslast dat sprake is van een kraakwachtsituatie op eiser rust. Tussen partijen is niet in geschil dat eiser de voormalige eigen woning te [E] in gebruik heeft gegeven aan een derde die zich ook op dit adres heeft ingeschreven. Eiser heeft naar het oordeel van de rechtbank niet aannemelijk gemaakt dat de woning in gebruik is gegeven voor kraakwacht, nu hij geen enkel inzicht heeft gegeven in de met die derde gemaakte afspraken en zijn stelling ook niet met bescheiden heeft onderbouwd. De blote stelling dat sprake is van een met een kraakwacht vergelijkbaar te achten situatie is onvoldoende om aannemelijk te achten dat hiervan sprake is.

31. Gelet op het vorenoverwogene heeft verweerder mitsdien de rente en kosten die eiser in aftrek gebracht ten aanzien van de woning te [E] terecht in aftrek geweigerd.

Giftenaftrek

32. Tussen partijen is niet langer in geschil dat eiser de gestelde giften niet met bescheiden kan onderbouwen, en dat deze correctie door verweerder terecht is aangebracht.

Vergoeding immateriële schade

33. Eiser heeft een verzoek tot vergoeding van immateriële schade gedaan wegens overschrijding van de redelijke termijn. Bij de beoordeling van de vraag of de redelijke termijn is overschreden moet worden aangesloten bij de uitgangspunten als neergelegd in het arrest van de Hoge Raad van 22 april 2005, ECLI:NL:HR:2005:AO9006. Voor een uitspraak in eerste aanleg heeft te gelden dat deze niet binnen een redelijke termijn geschiedt indien de rechtbank niet binnen twee jaar nadat die termijn is aangevangen uitspraak doet, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden. De termijn vangt als regel aan op het moment waarop verweerder het bezwaarschrift ontvangt. Indien de redelijke termijn is overschreden, dient als uitgangspunt voor de schadevergoeding een tarief te worden gehanteerd van € 500 per half jaar dat die termijn is overschreden, waarbij ter bepaling van de totale vergoeding de geconstateerde overschrijding naar boven wordt afgerond.

34. In zijn arrest van 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252 heeft de Hoge Raad overwogen dat in gevallen waarin meerdere zaken van één belanghebbende gezamenlijk zijn behandeld, dient te worden beoordeeld of die zaken in hoofdzaak betrekking hebben op hetzelfde onderwerp. Indien hiervan sprake is, wordt per fase van de procedure waarin sprake is geweest van gezamenlijke behandeling, voor die zaken gezamenlijk slechts eenmaal het tarief van € 500 per half jaar gehanteerd. Naar het oordeel van de rechtbank hebben de onderhavige zaken in de hoofdzaak betrekking op hetzelfde onderwerp.

35. Verweerder heeft de bezwaarschriften tegen de aan eiser opgelegde navorderingsaanslagen ontvangen op 2 januari 2018. Verweerder heeft uitspraak op het bezwaar gedaan met dagtekening 8 juli 2019. Vanaf de datum van ontvangst van de gelijktijdig ingediende bezwaarschriften, 2 januari 2018, tot aan de uitspraak van de rechtbank van 10 september 2020 is meer dan twee jaar verstreken. Van bijzondere omstandigheden die een langere termijn dan twee jaar rechtvaardigen, is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake.

36. Op grond van de arresten van de Hoge Raad van 22 maart 2013, ECLI:NL:HR:2013:BX6666 en 9 augustus 2013, ECLI:NL:HR:2013:199 is een termijn van zes maanden voor de behandeling van een bezwaar redelijk en voor de beroepsfase een termijn van anderhalf jaar. De rechtbank zal de toerekening van de overschrijding van de redelijke termijn bepalen met inachtneming van het overzichtsarrest van de Hoge Raad van 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252. Gelet op het feit dat de termijn op 2 januari 2018 is aangevangen en de rechtbank uitspraak doet op 10 september 2020, is de voor de procedure in eerste aanleg in aanmerking te nemen termijn (afgerond) 33 maanden. De redelijke termijn is derhalve overschreden met (afgerond) negen maanden. Daarmee correspondeert een vergoeding van immateriële schade van € 1.000. De gehele overschrijding dient te worden toegerekend aan de bezwaarfase.

37. De omstandigheid dat een aantal belanghebbenden samen een procedure voeren of zaken van verschillende belanghebbenden gezamenlijk zijn behandeld kan een zodanig matigende invloed hebben op de spanning, het ongemak en de onzekerheid die worden ondervonden door een te lang durende procedure, dat dit een reden kan vormen om de wegens schending van de redelijke termijn toe te kennen schadevergoeding te matigen. Bij dit laatste blijft vooropstaan dat iedere belanghebbende een zelfstandig recht op schadevergoeding heeft (vgl. HR 30 januari 2015, ECLI:NL:HR:2015:147).

38. De omstandigheid dat ook aan de fiscale partner een navorderingsaanslag is opgelegd over een later jaar heeft naar het oordeel van de rechtbank geen matigende invloed zoals verweerder heeft betoogd. Eiser en zijn partner zijn afzonderlijke belastingplichtigen. Zij zijn beiden afzonderlijk in een belastinggeschil betrokken en moeten dus geacht worden ieder afzonderlijk spanning en frustratie te hebben ondervonden, en hebben op die grond beiden zelfstandig recht op immateriële schadevergoeding Niet valt in te zien waarom het feit dat de fiscale partner ook in een belastinggeschil betrokken is, de (veronderstelde) spanning en frustratie bij eiser zou verminderen. Misschien is het tegendeel zelfs het geval. Bovendien is voor matiging van de immateriële schadevergoeding slechts aanleiding indien de zaken in alle fasen gezamenlijk zijn behandeld en indien de zaken in hoofdzaak betrekking hebben op hetzelfde onderwerp. Nu verweerder in de zaak van de echtgenote van eiser de stelling heeft ingenomen dat sprake is van kwade trouw, en dat op die grond een navorderingsaanslag aan haar kan worden opgelegd, hetgeen niet speelt in deze zaken, is de rechtbank van oordeel dat deze zaken niet in hoofdzaak betrekking hebben op hetzelfde onderwerp.

39. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, zal de rechtbank verweerder veroordelen tot het betalen van een schadevergoeding van € 1.000 voor de overschrijding van de redelijke termijn.

40. Gelet op het vorenoverwogene dienen de beroepen ongegrond te worden verklaard.

Proceskosten

41. De rechtbank ziet aanleiding verweerder te veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten. De rechtbank stelt de te vergoeden kosten op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde in beroep beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.572 (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, 1 punt voor het verschijnen ter hoorzitting met een waarde per punt van € 261, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 525 en een wegingsfactor 1). Daarbij acht de rechtbank de onderhavige zaken en de gelijktijdig behandelde zaak van [A] (HAA 19/4077) onderling samenhangend. Daarom zal een de helft van dit bedrag, oftewel € 786, in deze uitspraak worden toegekend. Van overige voor vergoeding in aanmerking komende kosten is de rechtbank niet gebleken. Beslissing

De rechtbank:

- verklaart de beroepen ongegrond;

- veroordeelt verweerder tot het betalen van een schadevergoeding van € 1.000 voor de overschrijding van de redelijke termijn;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 786; en

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 47 aan eiser te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. G.H. de Soeten, rechter, in aanwezigheid van mr. E.P. van der Zalm, griffier, op 10 september 2020. Als gevolg van de maatregelen rondom het coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak, voor zover nodig, alsnog in het openbaar uitgesproken.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na verzending hoger beroep instellen bij het gerechtshof Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312,

1000 BH Amsterdam.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.