Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2020:8941

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
07-09-2020
Datum publicatie
03-11-2020
Zaaknummer
C/15/307118 / HA RK 20/164
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Wraking
Inhoudsindicatie

Wraking rechter-commissaris in strafzaak vanwege beperkt anoniem horen van een getuige. Verzoek is afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beslissing

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Wrakingskamer

zaaknummer / rekestnummer: C/15/307118 / HA RK 20/164

Beslissing van 7 september 2020

Op het verzoek tot wraking ingediend door:

[verzoeker] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoeker,

raadsman mr. Y. Moszkowicz, advocaat te Utrecht.

Het verzoek is gericht tegen:

mr. F.G. Hijink,

hierna te noemen: de rechter.

1 Procesverloop

1.1

Verzoeker heeft op 2 september 2020 schriftelijk de wraking verzocht van de rechter in de bij deze rechtbank, team Kabinet RC, aanhangige zaak met als parketnummer 15-039209-20, hierna te noemen: de hoofdzaak.

1.2

De rechter heeft niet in de wraking berust en heeft schriftelijk op het verzoek gereageerd.

1.3

Het verzoek is vervolgens behandeld ter openbare zitting van de wrakingskamer van 7 september 2020. De raadsman en de rechter zijn in de gelegenheid gesteld te worden gehoord. De raadsman is verschenen.

2 Het standpunt van verzoeker

Verzoeker heeft als grondslag van het wrakingsverzoek – samengevat –het volgende aangevoerd.

De rechter heeft ambtshalve in eerste instantie bepaald om een getuige beperkt anoniem te horen, terwijl daar geen objectieve aanleiding voor was. Het tegendeel, de betreffende getuige heeft nota bene opdracht tot verdwijning van cliënt gegeven. Vervolgens is door de rechter kennelijk vastgesteld dat de personalia en het adres van de betreffende getuige in het dossier zijn terechtgekomen. Zonder aan de verdediging te willen uitleggen waarom, is vervolgens het verhoor geannuleerd. De reden van annuleren van het verhoor is dus gelegen in de kennelijke aanname van de rechter-commissaris dat verzoeker een gevaar zou vormen voor deze getuige. Door vervolgens in het proces-verbaal van de bevindingen en verrichtingen, in strijd met de waarheid, op te tekenen dat haar maatregelen waaronder het annuleren van het verhoor op verzoek zijn geweest van de getuige, is los van het feit dat niet de waarheid wordt gesproken, de vooringenomenheid gemanifesteerd. Door daarover niet de waarheid te spreken is niet alleen de vooringenomenheid van de rechter maar ook, naar het oordeel van verzoeker, het ontbreken van haar integriteit in deze aan het licht gekomen.

3 De beoordeling

3.1

Een rechter kan worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Uitgangspunt daarbij is dat de rechter uit hoofde van zijn aanstelling wordt vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die een zwaarwegende aanwijzing vormen dat een rechter jegens een partij een vooringenomenheid koestert (zogenaamde subjectieve toets). Daarnaast kan de vrees voor partijdigheid objectief gerechtvaardigd zijn indien sprake is van feiten of omstandigheden die, geheel afgezien van de persoonlijke instelling van de rechter in de hoofdzaak, grond geven om te vrezen dat een rechter niet onpartijdig is, waarbij ook de (te vermijden) schijn van partijdigheid van belang is. Die feiten of omstandigheden moeten zwaarwegende redenen opleveren voor objectiveerbare twijfel aan de onpartijdigheid (zogenaamde objectieve toets).

Het subjectieve oordeel van verzoeker is voor de beoordeling van beide toetsen wel belangrijk maar niet doorslaggevend.

3.2

De wrakingskamer gaat uit van de volgende feiten.

De hoofdzaak is op 21 juli 2020 door de meervoudige strafkamer van deze rechtbank verwezen naar de rechter-commissaris, teneinde daar een bepaalde getuige te doen horen. De gewraakte rechter is rechter-commissaris in de hoofdzaak. In overleg met de raadsman en de officier van justitie is een datum bepaald om de getuige te doen horen. Vervolgens heeft de getuige naar de griffie gebeld dat zij bang is om te getuigen indien haar gegevens in het dossier zouden komen.

Door de rechter is een proces-verbaal van verrichtingen en bevindingen d.d. 1 september 2020 opgemaakt. Hierin staat dat de getuige beperkt anoniem gehoord gaat worden op grond van artikel 190 lid 3 Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) op verzoek van deze getuige. In het proces-verbaal staat voorts dat de rechter is gebleken dat de persoonsgegevens van deze getuige in het Advocatenportaal terecht zijn gekomen. Om uit te zoeken hoe dit is verlopen, is besloten om het getuigenverhoor dat gepland stond op 1 september 2020 uit te stellen.

3.3

Wat betreft het beperkt anoniem doen horen op verzoek van de getuige, oordeelt de wrakingskamer als volgt. De wrakingsgrond is dat dit in strijd is met de waarheid, omdat de rechter eerder in een telefoongesprek met de raadsman van verzoeker heeft gezegd dat dit ambtshalve geschiedde. De wrakingskamer overweegt dat de scheidslijn tussen het beperkt anoniem horen ex artikel 190 lid 3 Sv., op verzoek van de getuige of ambtshalve, een dunne is. Ook als daadwerkelijk niet concreet door de getuige een dergelijk verzoek is gedaan, kan het wel zo zijn dat een getuige aan de griffie vraagt om haar gegevens uit het dossier te laten. In dit geval heeft de getuige gezegd dat zij bang was te getuigen als haar adresgegevens in het dossier zouden komen. Begrijpelijkerwijze heeft de rechter hierop ambtshalve beslist. Dat niettemin in het proces-verbaal van 1 september 2020 wordt gesproken over een verzoek daartoe van de getuige, leidt niet tot de conclusie dat de rechter vooringenomen is geweest of de schijn daartoe heeft gewekt.

3.4

Verzoeker heeft voorts aangevoerd dat de rechter het getuigenverhoor direct heeft geannuleerd zonder uit te leggen waarom zij dit deed. Ook deze grond faalt. Het is aan de rechter om te beslissen wat zij met het verhoor doet in deze situatie, waarin de adresgegevens van de beperkt anonieme getuige per ongeluk in het dossier terecht zijn gekomen. Indien deze beslissing voor de raadsman een onwelgevallige is, levert dit geen wrakingsgrond op. De rechtbank verwijst daarbij naar het arrest van de Hoge Raad van 25 september 2018 (ECLI:NL:HR:2018:1413).

3.5

De feiten en omstandigheden die verzoeker ter onderbouwing van zijn verzoek naar voren heeft gebracht, leveren dan ook geen grond op voor het oordeel dat de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden en vormen derhalve geen grond voor wraking. De wrakingskamer zal het verzoek daarom afwijzen.

4 Beslissing

De rechtbank

4.1

wijst het verzoek tot wraking van de rechter af,

4.2

beveelt de griffier onverwijld aan verzoeker, de rechter en de officier van justitie in de hoofdzaak een voor eensluidende gewaarmerkt afschrift van deze beslissing toe te zenden,

4.3

beveelt dat het proces in de hoofdzaak wordt voortgezet in de stand waarin het zich bevond ten tijde van het indienen van het verzoek.

Deze beslissing is gegeven door mr. Th.S. Röell, voorzitter, mr. P.H.B. Littooy en

mr. L.M. Kos, leden van de wrakingskamer, in tegenwoordigheid van J.A. Huismans, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 7 september 2020.

griffier voorzitter

Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.