Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2020:8882

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
03-11-2020
Datum publicatie
11-11-2020
Zaaknummer
AWB - 19 _ 3276
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Niet in geschil is dat de aanslag op de juiste wijze is vastgesteld. Dat het te betalen bedrag mede tot stand is gekomen door de eerder verleende voorlopige teruggaven, is het gevolg van een handelwijze van de ontvanger en heeft geen invloed op de rechtmatigheid van de aanslag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 11-11-2020
V-N Vandaag 2020/2792
FutD 2020-3386
NTFR 2020/3456
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank noord-holland

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummer: HAA 19/3276

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 3 november 2020 in de zaak tussen

[X] , wonende te [Z] , eiseres

en

de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Amsterdam, verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft aan eiseres met dagtekening 2 juni 2018 voor het jaar 2016 een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (hierna: ib/pvv) opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 61.595. Daarnaast is bij beschikkingen belastingrente ten bedrage van € 118 in rekening gebracht en een verzuimboete van € 369 opgelegd.

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 29 mei 2019 de aanslag en de beschikkingen gehandhaafd.

Eiseres heeft daartegen beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 september 2020 te Haarlem.

Eiseres is verschenen, tot bijstand vergezeld van [A] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door [B] en mr. drs. [C] .

Overwegingen

Feiten

1. Verweerder heeft aan eiseres op 15 januari 2016 een voorlopige aanslag ib/pvv 2016 opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 25.079. Deze resulteerde in een voorlopige teruggaaf van € 2.283 en is in 2016 in maandelijkse termijnen uitbetaald.

2. Verweerder heeft op 31 mei 2017 een uitnodiging tot het doen van aangifte over 2016 verzonden. Op verzoek van eiseres is uitstel voor het indienen van de aangifte verleend tot 1 november 2017.

3. Verweerder heeft aan eiseres met dagtekening 29 januari 2018 een herinnering verstuurd en op 9 maart 2018 een aanmaning. De uiterste datum voor indiening van de aangifte is bepaald op 23 maart 2018.

4. Eiseres heeft op 14 april 2018 aangifte ib/pvv 2016 gedaan naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 61.595. In deze aangifte heeft eiseres € 61.595 aan loon aangegeven.

5. Verweerder heeft de definitieve aanslag opgelegd conform de aangifte. Deze aanslag resulteerde in een te betalen bedrag aan belasting van € 2.857. Daarbij is ook een verzuimboete opgelegd van € 369 en belastingrente in rekening gebracht ten bedrage van
€ 118.

6. Verweerder heeft een overzicht overgelegd van de inkomensgegevens van eiseres, zoals aangeleverd door de werkgevers en uitkeringsinstanties:

Loonheffing Loon

[D] BV € 11.734 € 30.806

[E] BV € 271 € 673

Stichting [F] € 6.534 € 30.116

Totaal € 18.539 € 61.595

Geschil
7. In geschil is of de aanslag op de juiste wijze tot stand is gekomen. Voorts is de boete in geschil.

8. Eiseres voert aan dat zij meermalen heeft verzocht om de voorlopige teruggaven stop te zetten doch dat de Belastingdienst doorging met verrekening van de voorlopige teruggaven met andere belastingschulden. Vanwege het feit dat werd verrekend en geen gelden op haar rekening werden gestort, kon zij de bedragen ook niet opzij zetten. Deze handelwijze van de Belastingdienst heeft ertoe geleid dat zij nu een bedrag van € 3.340 aan inkomstenbelasting moet terugbetalen en er dus nog een schuld bij heeft, die zij amper kan betalen.

9. Verweerder betwist dat eiseres verzoeken tot het stopzetten van de voorlopige teruggaaf over 2016 heeft ingediend. In de computersystemen van de Belastingdienst is slechts één verzoek aangetroffen ten aanzien van het jaar 2015, ingediend in november 2015. Eiseres heeft op 2 maart 2017 de vooringevulde aangifte ib/pvv 2016 gedownload. De voorlopige teruggaaf was toen al geheel aan haar uitbetaald. Vervolgens heeft zij nog verzocht om uitstel voor het indienen van de aangifte. De verzuimboete wegens het te laat indienen van de aangifte is terecht en naar het juiste bedrag opgelegd. Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

Beoordeling van het geschil

10. De rechtbank stelt vast dat eiseres niet betwist dat de aanslag naar het juiste bedrag is vastgesteld. De hoogte van de aanslag is derhalve tussen partijen niet in geschil.

11. De grief van eiseres dat het op de aanslag te betalen bedrag mede tot stand is gekomen door de eerder verleende voorlopige teruggaven en verweerder daarmee onzorgvuldig heeft gehandeld, kan niet tot gegrondverklaring van het beroep leiden, aangezien eiseres zich hiermee richt tegen de wijze waarop de ontvanger van de Belastingdienst in de invorderingssfeer uitvoering heeft gegeven aan de voorlopige teruggaaf over 2016. Die handelwijze van de ontvanger heeft geen invloed op de rechtmatigheid van de onderhavige aanslag en de daarbij in de heffingssfeer toegepaste verrekening (vgl. Hoge Raad 26 november 2010, nr. 10/00875, ECLI:NL:HR:2010:BO5009).

12. Eiseres heeft aangevoerd dat zij meermalen met de Belastingtelefoon heeft gebeld en heeft verzocht de voorlopige teruggaven te beëindigen en dat zij haar hogere inkomen ook heeft ingevoerd in het systeem van de Belastingdienst, zodat dit nieuwe inkomensgegeven bekend was. Verweerder heeft aangegeven dat in het systeem van de Belastingdienst alleen een gewijzigd inkomensgegeven voor het jaar 2015 bekend is.

De rechtbank overweegt dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij met betrekking tot het jaar 2016 een schriftelijk verzoek tot stopzetting van de voorlopige teruggaven heeft ingediend. Zij heeft evenmin met betrekking tot de voorlopige aanslag, zo is ook niet in geschil, een verzoek om herziening ingediend. Ten aanzien van het in de systemen ingevoerde gewijzigde inkomensgegeven door eiseres heeft eiseres ter zitting verklaard dat het heel goed mogelijk is dat zij dat voor de toeslagen heeft gedaan. Verweerder baseert zich bij het vaststellen van een voorlopige aanslag ib/pvv echter op de gegevens in het systeem van de inkomstenbelasting en niet op informatie van de afdeling toeslagen. Met betrekking tot de gesprekken met een medewerker van de Belastingtelefoon geldt dat dergelijke gesprekken informatief van aard zijn. Eiseres heeft niet aangegeven wat precies de inhoud van deze gesprekken is geweest en een schriftelijke vastlegging van de gesprekken ontbreekt. Eiseres heeft evenwel niet gesteld dat de betreffende medewerker zou hebben toegezegd dat hiermee een officieel verzoek tot beëindiging van de voorlopige teruggaven over 2016 was gedaan en dat voor de effectuering ervan zou worden zorggedragen. Eiseres heeft na ingewonnen advies bij de Belastingtelefoon geen verzoek om herziening ingediend en evenmin bij de inspecteur met betrekking tot de inkomstenbelasting een gewijzigd inkomensgegeven voor het jaar 2016 doorgegeven.

13. Gelet op het voorgaande kan niet worden geoordeeld dat de aanslag op onjuiste wijze tot stand is gekomen.

Verzuimboete

14. Verweerder heeft aan eiseres een verzuimboete opgelegd wegens het niet tijdig doen van aangifte. Ingevolge artikel 9, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR) wordt met betrekking tot belastingen welke ingevolge de belastingwet bij wege van aanslag worden geheven, de aangifte gedaan bij de inspecteur binnen een door hem gestelde termijn van tenminste een maand na het uitnodigen tot het doen van aangifte. In het derde lid is bepaald dat de inspecteur de belastingplichtige daarna kan aanmanen binnen een door hem gestelde termijn aangifte te doen. Indien de belastingplichtige de aangifte niet binnen de ingevolge artikel 9, derde lid, gestelde termijn (van aanmaning) heeft gedaan, vormt dit ingevolge artikel 67a, eerste lid, van de AWR een verzuim ter zake waarvan de inspecteur hem gelijktijdig met de vaststelling van de aanslag, een boete van ten hoogste € 5.278 kan opleggen.

Verweerder heeft op grond van paragraaf 21, tweede lid, van het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst een verzuimboete opgelegd van € 369 (7% van het wettelijk maximum van € 5.278).

15. Op verweerder rust de last aannemelijk te maken dat sprake is van een handelen waarvoor een boete kan worden opgelegd. Verweerder heeft hiertoe gesteld dat aan eiseres op 31 mei 2017 een aangiftebiljet is uitgereikt en dat op 9 maart 2018 een aanmaning is verzonden waarin zij in de gelegenheid werd gesteld uiterlijk 23 maart 2018 de aangifte in te dienen. Door eiseres wordt niet betwist dat zij bovengenoemde stukken heeft ontvangen. Voorts is niet in geschil is dat het aangiftebiljet eerst op 14 april 2018 bij de Belastingdienst is binnengekomen. Op grond van het voorgaande oordeelt de rechtbank daarom dat verweerder terecht een boete wegens het te laat doen van aangifte heeft opgelegd. De rechtbank is van oordeel dat gelet op de geringe draagkracht van eiseres de boete moet worden gematigd tot € 50.

Slotsom

16. Gelet op het vorenoverwogene dient het beroep gegrond te worden verklaard.

Proceskosten

17. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten. Daarvoor komen op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht in aanmerking de reiskosten openbaar vervoer tweede klasse om de zitting te kunnen bijwonen. De rechtbank stelt deze kosten op € 12.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar voor zover deze op de boete betrekking heeft;

- vermindert de boete tot € 50 en bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde deel van de uitspraak op bezwaar;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 12; en

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 47 aan eiseres te vergoeden.

Deze uitspraak is op 3 november 2020 gedaan door mr. S.KA. Efstratiades, rechter, in aanwezigheid van mr. M.C. Anema, griffier. Als gevolg van de maatregelen rondom het coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak, voor zover nodig, alsnog in het openbaar uitgesproken.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na verzending hoger beroep instellen bij het gerechtshof Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312,

1000 BH Amsterdam.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.