Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2020:8852

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
23-09-2020
Datum publicatie
30-11-2020
Zaaknummer
8374668 \ CV EXPL 20-2406
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Onbetaalde factuur kinderopvang. Beroep op verrekening (niet genoten opvangdagen) slaagt niet. Evenmin aangetoond dat kinderopvang tekort is geschoten in haar zorgplicht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Handel, Kanton en Insolventie

locatie Haarlem

Zaaknr./rolnr.: 8374668 \ CV EXPL 20-2406

Uitspraakdatum: 23 september 2020

Vonnis van de kantonrechter in de zaak van:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

Partou B.V.

gevestigd en kantoorhoudende te Vianen

eiseres in conventie

verweerster in reconventie

verder te noemen: Partou

gemachtigde: mr. O.J. Boeder

tegen

1 [gedaagde sub 1]

2. [gedaagde sub 2]

beiden wonende te [woonplaats]

gedaagden in conventie

eisers in reconventie

afzonderlijk te noemen: [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] , gezamenlijk te noemen: [gedaagde sub 2] c.s.

verschenen in persoon

1 Het procesverloop

1.1.

Partou heeft bij dagvaarding van 5 maart 2020 een vordering tegen [gedaagde sub 2] c.s. ingesteld. [gedaagde sub 2] c.s. heeft schriftelijk geantwoord en daarbij een tegenvordering ingediend. Partou heeft schriftelijk gereageerd op de tegenvordering en heeft voorafgaand aan de zitting nog bij akte van 10 augustus 2020 producties toegezonden.

1.2.

Op 21 augustus 2020 heeft een zitting plaatsgevonden. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat partijen ter toelichting van hun standpunten naar voren hebben gebracht.

2 De feiten

2.1.

Partou is een onderneming die zich bezig houdt met kinderopvang. Partou en [gedaagde sub 1] (mede namens [gedaagde sub 2] ) zijn op 28 februari 2019 een overeenkomst aangegaan per 1 maart 2019 voor de kinderopvang van de zoon van [gedaagde sub 2] c.s., [naam kind] (hierna: [kind] ), geboren op [datum] 2015. De overeenkomst is geëindigd op [datum] 2019, de dag waarop [kind] vier jaar werd en naar school ging.

2.2.

Op deze overeenkomst zijn de algemene voorwaarden van Partou van toepassing. In artikel 9 van de algemene voorwaarden staat: “1. Als het kind afwezig is na afmelding, bijvoorbeeld door vakantie of ziekte, kunnen in overleg met Partou de niet-gebruikte opvangdagen twee weken vóór tot vier maanden na (onafhankelijk van het kalenderjaar) de gemiste dagen alsnog worden opgenomen (‘ruilen’). (…) Niet gebruikte opvangdagen worden niet financieel gecompenseerd.(…)”

2.3.

Bij brief van 6 maart 2019 heeft [gedaagde sub 2] c.s. aan Partou meegedeeld dat [kind] vanwege een vakantie van 20 september 2019 tot 4 oktober 2019 geen gebruik zal maken van de kinderopvang.

2.4.

Op 23 oktober 2019 heeft Partou [gedaagde sub 2] c.s. een factuur gestuurd met nummer [factuurnummer] van € 697,33 voor de opvangperiode van [datum] 2019 tot en met [datum] 2019. [gedaagde sub 2] c.s. heeft die factuur niet betaald.

2.5.

Bij brief van 25 november 2019 heeft Partou [gedaagde sub 2] c.s. gesommeerd tot betaling binnen veertien dagen na ontvangst van de brief en aangezegd dat bij gebreke daarvan incassokosten verschuldigd worden.

3 De vordering

3.1.

Partou vordert dat de kantonrechter [gedaagde sub 2] c.s., voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, hoofdelijk veroordeelt tot betaling van een bedrag van € 826,46, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf datum dagvaarding en de proceskosten.

3.2.

Partou legt aan de vordering ten grondslag – kort weergeven – dat [gedaagde sub 2] c.s. in gebreke is gebleven met de betaling van factuur [factuurnummer] van 23 oktober 2019, die ziet op de verschuldigde ouderbijdrage ter hoogte van € 697,33 voor de kinderopvang van [kind] van [datum] tot en met [datum] 2019. Ondanks verzonden aanmaningen is [gedaagde sub 2] c.s. in gebreke gebleven met betaling van voornoemde factuur en daardoor is hij tevens buitengerechtelijke incassokosten ter hoogte van € 126,57 en wettelijke rente tot datum dagvaarding ter hoogte van € 2,56 verschuldigd.

4 Het verweer en de tegenvordering

4.1.

[gedaagde sub 2] c.s. betwist de vordering. Hij voert aan – samengevat – dat mondeling met Partou is overeengekomen dat hij, gedurende de periode dat [kind] vanwege vakantie geen gebruik maakte van de kinderopvang, geen ouderbijdrage verschuldigd is.

4.2.

[gedaagde sub 2] c.s. vordert bij wijze van tegenvordering dat de kantonrechter Partou veroordeelt tot betaling van € 25.986,03. Hij legt aan de tegenvordering ten grondslag – kort weergegeven – dat Partou tekort is geschoten in de nakoming van de overeenkomst doordat zij haar zorgplicht heeft geschonden. Vanwege deze wanprestatie heeft [gedaagde sub 2] c.s. schade geleden doordat [gedaagde sub 1] een bedrag ter hoogte van € 2.754,02 aan inkomsten is misgelopen en [gedaagde sub 2] een bedrag ter hoogte van € 23.232,00. Partou is daarvoor aansprakelijk.

4.3.

Partou betwist de tegenvordering.

5 De beoordeling

de vordering

5.1.

Tussen partijen is niet in geschil dat [kind] van [datum] 2019 tot en met [datum] 2019 gebruik heeft gemaakt van de kinderopvang van Partou. [gedaagde sub 2] c.s. is dan ook in beginsel gehouden om de factuur te voldoen. Voor zover [gedaagde sub 2] c.s. zich beroept op verrekening omdat [kind] in de periode van 20 september 2019 tot 4 oktober 2019 geen gebruik heeft gemaakt van de kinderopvang, overweegt de kantonrechter als volgt. [gedaagde sub 2] c.s. voert aan dat hij ten aanzien van die periode onverschuldigd heeft betaald, omdat [kind] toen met vakantie was en mondeling met een medewerker van Partou is afgesproken dat [gedaagde sub 2] c.s. gedurende deze periode geen ouderbijdrage verschuldigd zou zijn. Partou betwist gemotiveerd dat een dergelijke afspraak is gemaakt en verwijst daarbij ook naar artikel 9 van de algemene voorwaarden waarin staat dat niet genoten opvangdagen niet financieel worden gecompenseerd. Daar tegenover heeft [gedaagde sub 2] c.s. onvoldoende aangevoerd om vast te kunnen stellen dat in afwijking van artikel 9 van de algemene voorwaarden een concrete andere afspraak met Partou is gemaakt. Het enkele feit dat de vakantie van [kind] bij brief van 6 maart 2019 is aangekondigd is daarvoor onvoldoende. Er kan dan ook niet op eenvoudige wijze worden vastgesteld dat het beroep van [gedaagde sub 2] c.s. op onverschuldigde betaling gegrond is. Nu in artikel 6:136 BW –kort gezegd – is bepaald dat een beroep op verrekening alleen kan worden toegewezen als op eenvoudige wijze kan worden vastgesteld dat dat verweer gegrond is, gaat de kantonrechter voorbij aan het verweer van [gedaagde sub 2] c.s. De conclusie is dat de kantonrechter de vordering van Partou tot betaling van de factuur zal toewijzen.

5.2.

Partou maakt ook aanspraak op de vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De kantonrechter stelt vast dat aan de vereisten zoals gesteld in artikel 6:96 BW is voldaan. Daarmee is de vergoeding verschuldigd en zal het gevorderde bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten worden toegewezen.

5.3.

Daarnaast vordert Partou wettelijke rente over de hoofdsom van € 697,33, over de buitengerechtelijke incassokosten en over de reeds berekende rente. De gevorderde rente over de hoofdsom zal als onbetwist worden toegewezen. De gevorderde rente over de buitengerechtelijke incassokosten zal worden afgewezen, omdat niet is gesteld of gebleken dat deze kosten daadwerkelijk zijn betaald. De gevorderde rente over de reeds verschuldigde rente zal eveneens worden afgewezen, nu deze op grond van artikel 6:119 lid 2 BW slechts kan worden toegewezen over de rente die (meer dan) een vol jaar verschuldigd is. Daarvan is in dit geval geen sprake.

5.4.

De proceskosten komen voor rekening van [gedaagde sub 2] c.s., omdat hij ongelijk krijgt.

de tegenvordering

5.5.

De kantonrechter begrijpt dat [gedaagde sub 2] c.s. stelt dat Partou te kort is geschoten in haar zorgplicht ten aanzien van [kind] door; (1) niet te zorgen voor/ dan wel bij te dragen aan de zindelijkheid van [kind] ; (2) niet bij te dragen aan de spraakontwikkeling van [kind] ; en (3) zonder instemming van [gedaagde sub 2] c.s. een rapport te sturen naar de basisschool van [kind] . Als gevolg van dit alles was [gedaagde sub 2] c.s. genoodzaakt [kind] enkele keren vroegtijdig op te halen van school en hem vervolgens helemaal thuis te houden. Doordat [gedaagde sub 2] c.s. toen dus geen opvang voor [kind] had, kon hij zijn werkzaamheden niet (volledig) uitvoeren. Hierdoor derfde [gedaagde sub 2] inkomsten ter hoogte van € 23.232,00 en [gedaagde sub 1] ter hoogte van € 2.754,03.

5.6.

Partou voert aan dat voor de vordering van [gedaagde sub 2] elke grondslag ontbreekt. Partou betwist dat zij tekort is geschoten. Bij haar zijn geen bijzonderheden bekend over de ontwikkeling van [kind] en [gedaagde sub 2] c.s. heeft haar bovendien niet in gebreke gesteld, zodat er ook geen sprake is van verzuim. Ook betwist Partou de hoogte van de gestelde schade.

5.7.

Nu Partou betwist dat zij tekort is geschoten in de nakoming van de overeenkomst had het op de weg van [gedaagde sub 2] c.s. gelegen om nader toe te lichten en met stukken te onderbouwen dat er problemen waren met de ontwikkeling van [kind] en met name dat [gedaagde sub 2] c.s. Partou daarop heeft aangesproken en in gebreke heeft gesteld. De enkele stelling dat [gedaagde sub 2] c.s. vaak telefonisch contact heeft gezocht met Partou en gevraagd heeft om een gesprek is daarvoor onvoldoende, zeker nu Partou dat heeft betwist. Ook heeft [gedaagde sub 2] c.s. niet toegelicht dat en waarom het versturen van een rapport door Partou aan de school van [kind] een tekortkoming van de overeenkomst inhoudt. Er kan dan ook niet worden geoordeeld dat Partou in verzuim is en dus ook niet dat sprake is van wanprestatie. Daarbij komt dat, ook al zou komen vast te staan dat sprake is van een tekortkoming, [gedaagde sub 2] c.s. onvoldoende uiteen heeft gezet dat er een causaal verband is tussen de gestelde wanprestatie en de gestelde schade. Met andere woorden: dat [kind] eerder moest worden opgehaald van school dan wel helemaal niet meer naar school is gegaan en dat [gedaagde sub 2] c.s. daardoor inkomsten hebben misgelopen en dat dat komt doordat Partou tekort is geschoten in de nakoming van de overeenkomst van kinderopvang die van kracht was in de periode vóór [kind] naar school ging, is onvoldoende toegelicht. De conclusie is dan ook dat de kantonrechter de vordering van [gedaagde sub 2] c.s. zal afwijzen.

5.8.

De proceskosten komen voor rekening van [gedaagde sub 2] c.s., omdat hij ongelijk krijgt.

6 De beslissing

De kantonrechter:

de vordering

6.1.

veroordeelt [gedaagde sub 2] c.s. hoofdelijk tot betaling aan Partou van € 826,46, te vermeerderen met de wettelijke rente over € 697,33 vanaf 5 maart 2020 tot aan de dag van de gehele betaling;

6.2.

veroordeelt [gedaagde sub 2] c.s. hoofdelijk tot betaling van de proceskosten, die de kantonrechter aan de kant van Partou tot en met vandaag vaststelt op:
dagvaarding € 105,09;
griffierecht € 499,00;
salaris gemachtigde € 240,00;

6.3.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

6.4.

wijst de vordering voor het overige af.

de tegenvordering

6.5.

wijst de vordering af;

6.6.

veroordeelt [gedaagde sub 2] c.s. hoofdelijk tot betaling van de proceskosten, die tot en met vandaag voor Partou worden vastgesteld op een bedrag van € 240,00 aan salaris van de gemachtigde van Partou.

6.7.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.M. Kruithof en op bovengenoemde datum in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.

De griffier De kantonrechter