Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2020:8795

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
28-10-2020
Datum publicatie
30-10-2020
Zaaknummer
C/15/305321 / FA RK 20-3753
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Wijziging ouderlijk gezag na kindbrief. Het gezin heeft een belaste voorgeschiedenis met een zeer conflictueuze echtscheiding. Ook heeft de minderjarige de vader en haar halfbroer beschuldigd van seksueel misbruik. Dit is echter nooit vastgesteld, en de zaak is na onderzoek door het OM geseponeerd. De minderjarige heeft alleen nog sporadisch telefonisch/via WhatsApp contact met haar vader. Zij voelt het als een belasting dat hij nog mede het gezag over haar heeft, terwijl hij verder niet betrokken is bij haar leven. De minderjarige ziet beëindiging van zijn gezag als een kans om met een schone lei opnieuw te beginnen.

De kinderrechter ziet dat de vader zijn uiterste best heeft gedaan geen druk op de minderjarige uit te oefenen, en haar niet dwars te zitten. Hij heeft bijvoorbeeld telkens ingestemd met de wensen van zijn dochter met betrekking tot de omgang, als gevolg waarvan hij haar nu niet meer ziet. De kinderrechter ziet het belang van de vader – en van zijn familie – om het laatste restje binding met de minderjarige te behouden. De kinderrechter constateert echter dat de minderjarige zeer gekwetst en beschadigd is. Zij heeft haar leven voor zich en wil dit zelf vormgeven. De kinderrechter is van oordeel dat daarvoor nodig is dat zoveel mogelijk ballast bij haar wordt weggehaald, wat betekent dat het gezag van de vader wordt beëindigd. De kinderrechter benadrukt hierbij dat de beslissing niet voortkomt uit de eerdere verdenkingen van misbruik, waarvoor nooit enige reële aanwijzing is gevonden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PFR-Updates.nl 2020-0266
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Familie en Jeugd

locatie Haarlem

gezag, naar aanleiding van kindbrief

zaak-/rekestnr.: C/15/305321 / FA RK 20-3753

ambtshalve beschikking van de kinderrechter van 28 oktober 2020

naar aanleiding van de brief van de minderjarige:

[minderjarige] ,

wonende te [plaats] ,

hierna te noemen: [minderjarige] ,

kind van:

[de moeder] ,

wonende te [plaats] ,

hierna te noemen: de moeder,

en

[de vader] ,

wonende te [plaats] ,

hierna te noemen: de vader,

advocaat: mr. Y. van der Linden, kantoorhoudende te Helmond.

1 De procedure

1.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de ambtshalve beschikking van de enkelvoudige kamer voor familiezaken van 26 augustus 2020 en de daarin genoemde stukken;

- het rapport van [de bijzondere curator] (hierna te noemen: de bijzondere curator) van 29 september 2020;

- het verweerschrift, met bijlagen, van de vader van 5 oktober 2020.

1.2

De behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op de zitting van 6 oktober 2020 in aanwezigheid van de ouders, de vader bijgestaan door mr. Van der Linden, voornoemd. Tevens was de bijzondere curator ter zitting aanwezig. Op verzoek van [minderjarige] , en in overleg met de overige betrokkenen, heeft de kinderrechter haar bijzondere toestemming verleend om de zitting als toehoorder bij te wonen.

1.3

[minderjarige] is voorafgaand aan de zitting, en na afloop van de behandeling, in raadkamer gehoord, in bijzijn van de bijzondere curator.

2 De verdere beoordeling

2.1

Bij beschikking van 26 augustus 2020 is de bijzondere curator benoemd en verzocht de kinderrechter te adviseren.

de bijzondere curator

2.2

De bijzondere curator heeft de kinderrechter in haar rapport en hetgeen zij ter zitting naar voren heeft gebracht als volgt geadviseerd. De bijzondere curator acht het in het belang van [minderjarige] dat haar moeder alleen wordt belast met het ouderlijk gezag, omdat [minderjarige] klem en verloren is geraakt tussen haar ouders. Er is geen contact tussen [minderjarige] en de vader, of tussen de ouders onderling, zodat de moeder nu feitelijk alleen het gezag uitoefent. De bijzondere curator is van oordeel dat het voor [minderjarige] schadelijk is als het ouderlijk gezag van haar vader voortduurt, omdat dit haar positieve ontwikkeling naar volwassenheid in de weg staat. Het zou gunstig voor haar ontwikkeling zijn wanneer het gezag van de vader wordt beëindigd. [minderjarige] is dan niet langer afhankelijk van zijn toestemming voor praktische zaken, zoals de aanvraag van een paspoort, terwijl hij – in haar woorden – niets van haar weet en haar niets te bieden heeft. De bijzondere curator verwacht dat de relatie tussen [minderjarige] en haar vader – of met zijn kant van de familie – door beëindiging van zijn gezag niet verder zal beschadigen dan nu al het geval is.

Ter zitting heeft de bijzondere curator toegelicht dat voor haar advies niet doorslaggevend is geweest dat [minderjarige] klem en verloren is geraakt tussen de ouders, maar dat het anderszins in haar belang noodzakelijk is dat de moeder alleen met het gezag wordt belast. Het emotionele belang van [minderjarige] staat hierbij voorop. [minderjarige] wil dat haar vader aan haar vraagt hoe het met haar gaat, in plaats van door anderen over haar te worden geïnformeerd. Ook speelt het praktische belang een rol dat derden zich niet tegenover de vader behoeven te verantwoorden, naast bovengenoemd belang met betrekking tot zijn toestemming voor belangrijke zaken.

Uit het gesprek van de bijzondere curator met de vader heeft zij niet de indruk gekregen dat hij zich kan inzetten voor een betere verhouding met [minderjarige] zolang zij door de moeder wordt verzorgd. De vader is er namelijk van overtuigd dat [minderjarige] door haar moeder wordt beïnvloed.

Tot slot heeft de bijzondere curator aangegeven bij [minderjarige] geen signalen te hebben gezien van ouderverstoting. De bijzondere curator vond de vraag van de rechtbank hiernaar een vreemde eend in de bijt in de lijst met onderzoeksvragen. Zij denkt echter wel dat [minderjarige] een diepe loyaliteit naar haar moeder voelt.

[minderjarige]

2.3

heeft vooropgesteld dat zij met dit verzoek voor zichzelf wil opkomen, en aan haar vader wil laten zien dat zij geen kwetsbaar meisje (meer) is. Zij ziet in het beëindigen van zijn gezag de mogelijkheid om met een schone lei te beginnen en een meer gelijkwaardige relatie met haar vader te hebben. Ook als haar verzoek wordt afgewezen, blijft staan dat zij met haar verzoek het heft in eigen handen heeft genomen. Daarnaast heeft [minderjarige] het gevoel dat er in het verleden nooit echt naar haar geluisterd is. Haar verhaal dat zij en haar broer [broer] seksueel misbruikt zijn door haar vader en haar halfbroer [halfbroer] , is nooit serieus genomen. Door het misbruik en de daaruit voortvloeiende spanningen, heeft zij een conversiestoornis ontwikkeld en is haar broer [broer] verslaafd geraakt.
Verder heeft [minderjarige] aangegeven dat zij niet begrijpt dat haar vader zegt dat zij geen contact met hem of zijn familie zoekt. Ook nu heeft zij contact met de familie van zijn kant, en dat zal wat haar betreft, niet anders worden als hij geen gezag meer over haar heeft. Zij ervaart nu dat hij geen belangstelling voor haar heeft en haar niet vraagt hoe het met haar gaat. Zij wil niet langer een ‘onderdaan’ van hem zijn maar op gelijk niveau met haar vader staan.

de vader

2.4

Door en namens de vader is gepleit voor afwijzing van het verzoek van [minderjarige] . De vader heeft zich op het standpunt gesteld dat [minderjarige] niet klem of verloren is geraakt tussen de ouders, en dat wijziging van het gezag niet in het belang van [minderjarige] is. Zowel [minderjarige] als de moeder hebben bij de bijzondere curator aangegeven dat het niet om het resultaat gaat, maar om het proces.
De vader heeft naar voren gebracht dat hij in deze procedure de geschiedenis niet wil oprakelen, maar dat hij er niet aan ontkomt naar voren te brengen dat de beschuldiging van seksueel misbruik, het contact van de vader met [minderjarige] en [broer] bij voortduring ernstig nadelig is blijven beïnvloeden. De moeder heeft hierin een blijvende negatieve rol gespeeld. Het verleden heeft sporen getrokken die nog steeds niet zijn hersteld. De bijzondere curator is daaraan in haar rapport geheel voorbij gegaan. Zij is er ook aan voorbij gegaan dat alle strafrechtelijke onderzoeken zowel tegen de vader als tegen [halfbroer] , ten aanzien van het vermeende seksueel misbruik, zijn geseponeerd, en dat hij keer op keer gelijk heeft gekregen van de rechter.
De vader heeft benadrukt altijd goed te hebben geluisterd naar [minderjarige] , en ook naar haar broer [broer] . De vader heeft daarnaast altijd geprobeerd begrip voor [minderjarige] en haar broer op te brengen en heeft hij steeds overal aan meegewerkt om [minderjarige] niet onder druk te zetten. Hij begrijpt dat het misbruik-verhaal voor [minderjarige] ‘haar’ werkelijkheid is, hoewel het zich in feite niet heeft voorgedaan. Wanneer het verzoek om zijn gezag te beëindigen wordt toegewezen, zullen [minderjarige] en de moeder (en hun omgeving) dit zien als bevestiging van de beschuldiging van het misbruik, aldus de vader.


Ter onderbouwing van zijn verweer heeft de vader gewezen op het (zeer uitgebreide) civielrechtelijk onderzoek van [GZ-psycholoog en orthopedagoog] , GZ-psycholoog en orthopedagoog, van juni 2012, dat als bijlagen 9 en 10 bij het verweerschrift is gevoegd en is uitgevoerd in opdracht van de rechtbank Utrecht.
Uit het onderzoek blijkt ondermeer dat de essentie van de problematiek van de moeder is gelegen in haar bovenmatige angst en wantrouwen – bijna paranoia – betreffende de veiligheid van haar kinderen in relatie tot de vader. Zij is bang voor een herhaling van seksueel misbruik, zodat het beschermen van de kinderen haar ten tijde van het onderzoek volledig in beslag nam. Voorts is vermeld dat de moeder geneigd is tot sociaal-wenselijke antwoorden. Uit het rapport is niet gebleken dat er bij de moeder sprake is van persoonlijkheidsproblematiek in algemene zin, of van een belaste geschiedenis. Het vermeende misbruik is de leidraad voor haar handelen naar de vader. Het idee dat op deze manier omgaan met dit gegeven mogelijk schadelijker is dan het vermeend seksueel misbruik, deelt de moeder niet.


De vader is, zo volgt uit voornoemd onderzoek (uit 2012) , een stabiele vader. Hij is goed in staat zich in zijn kinderen te verplaatsen en heeft een goede relatie met zijn kinderen en ex-vrouw uit zijn eerdere huwelijk. Ook is gebleken dat hij kan aansluiten bij de beleving en de behoeften van [minderjarige] en [broer] . Bij hem is geen sprake van persoonlijkheidsproblematiek of een belaste voorgeschiedenis, en hij is niet geneigd tot sociaal-wenselijke antwoorden. In contact met zijn ex-partner [ex-partner] voelt hij zich machteloos, achtergesteld en onrechtvaardig behandeld, aldus het onderzoek uit 2012.


De vader stelt zich op het standpunt dat er bij [minderjarige] sprake is van ouderverstoting, en vindt het onbegrijpelijk dat de bijzondere curator hiervan geen signalen ziet. De bijzondere curator is geen expert op dit gebied. Daarnaast heeft zij ten onrechte geen enkel feitenonderzoek gedaan en geen aandacht besteed aan het gedrag van de afwijzende ouder (de moeder). Het onderzoek naar de dynamiek van het gezin en [minderjarige] schiet bovendien tekort. De bijzondere curator heeft verder geen gebruik gemaakt van de maatstaven van de Raad voor de Kinderbescherming met betrekking tot ouderverstoting. Hieruit heeft de vader (gemotiveerd) geconcludeerd dat de bijzondere curator slecht onderzoek heeft verricht.

Tot slot acht de vader het risico aanzienlijk dat [minderjarige] hem en zijn familie (nog meer) op afstand zal houden wanneer zijn gezag zal worden beëindigd, en dat zij haar achternaam zal willen wijzigen. Toewijzing van het verzoek van [minderjarige] zal tot veel verdriet leiden bij de vader maar ook bij zijn gezin en zijn familie. Het zal het laatste duwtje zijn dat nodig is om hem definitief uit het leven van [minderjarige] te verbannen, aldus nog steeds de vader.

de moeder

2.5

De moeder heeft aangegeven in te stemmen met het rapport van de bijzondere curator.

beoordeling van de kinderrechter

2.6

Artikel 1:251a lid 1 in samenhang met artikel 1: 251a lid 4 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) bepaalt, voor zover hier van belang:

1. De rechter kan na a lid 4 ontbinding van het huwelijk (…) bepalen dat het gezag over een kind aan één ouder toekomt indien:

a. er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen, of

b. wijziging van het gezag anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.

2.7

De kinderrechter overweegt dat zij bij haar afwegingen, overeenkomstig de wettelijke regeling, het belang van [minderjarige] centraal heeft gesteld. Artikel 1:247 BW bepaalt dat het ouderlijk gezag de plicht en het recht van de ouder omvat zijn minderjarige kind te verzorgen en op te voeden. In deze procedure staat dit niet ter discussie, en betreft het slechts het emotioneel belang van [minderjarige] . Zij is immers van mening dat de problemen in haar leven hun oorzaak hebben bij haar vader, en zijn verergerd door de manier waarop ermee (ook door de hulpverlening) is omgegaan. Door het gezag bij hem weg te halen, hoopt zij met een schone lei en op gelijk niveau met haar vader, een nieuw begin te kunnen maken. Vanuit [minderjarige] bezien is dit een begrijpelijk standpunt.

De kinderrechter ziet echter ook het belang van de vader en zijn familie om het laatste restje binding met [minderjarige] te behouden. Dit geldt naar het oordeel van de kinderrechter te meer omdat de vader steeds heeft laten zien dat hij geen druk op [minderjarige] heeft willen uitoefenen en haar niet heeft willen dwarszitten. Hij heeft integendeel telkens naar aanleiding van haar wensen contactmomenten afgestaan, met als gevolg dat hij haar nu niet meer ziet en slechts zeer weinig contact met haar heeft. Ter zitting heeft de vader daarnaast als voorbeeld genoemd dat hij recent aan de moeder heeft gevraagd of hij bij de eindejaarsuitvoering van [minderjarige] aanwezig mocht zijn. Toen de moeder aangaf dat hij niet welkom was, heeft hij hierover geen contact gehad met [minderjarige] , om haar niet onder druk te zetten. Hoewel mogelijk is dat zij daardoor denkt dat de vader niet in haar geïnteresseerd is, ziet de kinderrechter dit als een voorbeeld dat de vader zijn best doet telkens vanuit het belang van zijn dochter te handelen.

Daarnaast heeft de kinderrechter meegewogen dat een beëindiging van het gezag, door [minderjarige] , haar moeder en derden ten onrechte gezien zou kunnen worden als een bevestiging dat de vader zich heeft schuldig gemaakt aan het seksueel misbruik. Naar het oordeel van de kinderrechter dient dit te worden voorkomen.

Voorts is de kinderrechter van oordeel dat de conclusie van de bijzondere curator dat geen sprake is van ouderverstoting, slechts zeer beperkt gemotiveerd is, zodat op basis van haar onderzoek niet kan worden vastgesteld dat dit niet aan de orde is.

2.8

Echter, tegelijk kan worden geconstateerd dat het hier gaat om een zeer gekwetst en beschadigd jong meisje dat eindelijk in staat is, naar haar idee, het heft in eigen hand te nemen. Zij is 16 jaar, en heeft haar leven voor zich. Zij wil dit, eindelijk, zelf vormgeven en daarbij zoveel mogelijk op haar eigen benen staan. Op dit moment is daarvoor nodig dat zoveel mogelijk ballast bij haar wordt weggehaald en dat betekent dat, hoe onrechtvaardig dit ook in de ogen van de vader zal zijn, het gezag bij hem zal worden weggehaald. [minderjarige] die een lange weg gegaan is, zal alleen op deze manier een nieuwe start kunnen maken.

2.9

Tot slot overweegt de kinderrechter dat zij begrijpt hoe hard deze beslissing bij de vader, zijn gezin en zijn familie zal aankomen. Zij hecht eraan opnieuw te benadrukken dat deze beslissing niet voortkomt uit de eerdere verdenkingen van misbruik, maar gevormd wordt door de overtuiging dat het belang van [minderjarige] gediend is bij de beslissing het gezag bij haar vader weg te halen, in de hoop dat [minderjarige] op deze manier het verleden beter achter zich kan laten. De kinderrechter gunt het zowel [minderjarige] als de vader zeer dat hun relatie zich normaliseert en dat zij in de toekomst beter contact met elkaar zullen hebben.

3 De beslissing

De rechtbank:

3.1

wijst het verzoek van de minderjarige toe en belast de moeder met het eenhoofdig gezag over de minderjarige

[minderjarige] , geboren te [plaats] op [geboortedatum] ;

3.2

ontslaat [de bijzondere curator] van haar taak als bijzondere curator;

3.3

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mr. A. Stefels, rechter, tevens kinderrechter, in tegenwoordigheid van mr. T. Alexander als griffier en in het openbaar uitgesproken op 28 oktober 2020.

Tegen deze beschikking kan – voor zover er definitief is beslist – door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te Amsterdam. De verzoekende partij en/of de zich verwerende partij dient het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen.