Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2020:8762

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
02-11-2020
Datum publicatie
11-11-2020
Zaaknummer
AWB - 20 _ 2768
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Raad van de orde van advocaten weigert advocaat stagiair toestemming wijziging patroon, beëindigt stage en schrapt van tableau, omdat niet binnen de daarvoor geldende termijn aan eisen is voldaan. Beroepen ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummers: HAA 20/2767, HAA 20/2768 en 20/2786

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 2 november 2020 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser

en

de algemene raad van de Nederlandse orde van advocaten, verweerder,

gemachtigde: mr. M.E. Veenboer , juridische adviseur bij het bureau van de orde.

Tevens heeft als derde-partij aan de procedure met zaaknummer 20/2786 deel genomen:

de raad van de orde van advocaten in het arrondissement Amsterdam (hierna: de Amsterdamse raad).

Procesverloop

Bij besluit van 20 december 2019 (het primaire besluit 1) heeft de raad van de orde van advocaten in het arrondissement Den Haag (hierna: de Haagse raad) goedkeuring onthouden aan eisers verzoek van 30 oktober 2019 om goedkeuring stage en wijziging patronaat. Het door eiser hiertegen ingestelde administratief beroep heeft verweerder bij besluit van 14 mei 2020 (het bestreden besluit I) niet-ontvankelijk verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit I op 15 mei 2020 beroep ingesteld. Dit beroep is bij de rechtbank geregistreerd met zaaknummer HAA 20/2768.

Eiser heeft de voorzieningenrechter in verband met het bestreden besluit I verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. De voorzieningenrechter heeft dat verzoek op 28 mei 2020 afgewezen (ECLI:NL:RBNHO:2020:4090).

Bij besluit van 30 januari 2020 (het primaire besluit 2) heeft de Amsterdamse raad aan mr. [naam 1] (hierna: mr. [naam 1] ) op zijn verzoek van 6 november 2019 goedkeuring verleend om eisers stage door opzegging te doen eindigen. Eiser heeft administratief beroep bij verweerder ingesteld tegen dit besluit. Verweerder heeft dit administratief beroep bij besluit van 18 mei 2020 (het bestreden besluit II) ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit II op 19 mei 2020 beroep ingesteld. Dit beroep is bij de rechtbank geregistreerd met zaaknummer HAA 20/2786.

Eiser heeft de voorzieningenrechter verzocht om in verband met bestreden besluit II een voorlopige voorziening te treffen. De voorzieningenrechter heeft dit verzoek op 28 mei 2020 afgewezen (ECLI:NL:RBNH:2020:4089).

Op 2 april 2020 heeft verweerder aan verzoeker medegedeeld dat hij met ingang van 3 juni 2020 van het tableau van de Nederlandse orde van advocaten wordt geschrapt (het primaire besluit 3). Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt. Verweerder heeft het bezwaar bij besluit van 14 mei 2020 (het bestreden besluit III) ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit III op 15 mei 2020 beroep ingesteld. Dit beroep is bij de rechtbank geregistreerd met zaaknummer HAA 20/2767.

Eiser heeft de voorzieningenrechter verzocht om in verband met bestreden besluit III een voorlopige voorziening te treffen. De voorzieningenrechter heeft dit verzoek op 28 mei 2020 afgewezen (ECLI:NL:RBNH:2020:4091).

Eiser heeft op 5 juni 2020 in de zaken HAA 20/2786 en HAA 20/2757 een nader stuk ingediend en in alle zaken verzocht om versnelde behandeling van zijn beroep. De rechtbank heeft dit verzoek toegewezen.

Verweerder heeft in alle zaken een verweerschrift ingediend.

Eiser heeft op 24 juli 2020 in zaak HAA 20/2786 en op diezelfde dag in alle zaken en op 6, 27 en 30 juli 2020 in zaak HAA 20/2768 nadere stukken ingediend.

De rechtbank heeft de beroepen op 5 augustus 2020 gelijktijdig op zitting behandeld. Eiser is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. [naam 2] en mr. [naam 3] . Eiser had in zijn brieven van 21 juni 2020 en 18 juli 2020 die bijstand aangekondigd, maar ook meegedeeld dat hij zelf de correspondentie van de rechtbank wil blijven ontvangen. Eiser werd voorts vergezeld van [naam 4] .

Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, vergezeld van mr. E.J. Henrichs , deken van de Amsterdamse orde van advocaten.

De Amsterdamse raad heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.C. Ellerman, lid van die raad.

De rechtbank had in zaak HAA 20/2768 de Haagse raad ook aangemerkt als derde-belanghebbende. Die raad is echter niet in het geding verschenen. Aan de verklaring ter zitting van mr. Ellerman dat zij ook voor de Haagse raad is verschenen, gaat rechtbank voorbij, omdat zij geen machtiging van die raad heeft overgelegd.

Ter zitting heeft de rechtbank verzoeken van eiser om nog nadere stukken over te leggen als tardief en om (alsnog) getuigen te (doen) horen als onvoldoende gespecificeerd, afgewezen.

De rechtbank heeft het onderzoek na de zitting gesloten.

De rechtbank heeft na sluiting van het onderzoek op 5 en 28 augustus 2020, 5, 19 en 23 september 2020 en 10 oktober 2020 verzoeken van eiser ontvangen om heropening van het onderzoek in een of meer van de zaken.

Overwegingen

1.1

Ter beoordeling liggen voor drie beroepen die vanwege de onderlinge samenhang gelijktijdig op zitting zijn behandeld. De zaken hangen alle samen met de wens van eiser om als advocaat werkzaam te zijn en daartoe (onvoorwaardelijk) te zijn ingeschreven op het tableau van de Nederlandse orde van advocaten (hierna: het tableau). Daartoe dient hij de verplichte beroepsopleiding als advocaat-stagiair met goed gevolg te hebben afgerond. Het examen dat onderdeel uitmaakt van die opleiding, heeft eiser met goed gevolg afgelegd. Daarnaast is voor het met goed gevolg afronden van de beroepsopleiding vereist dat eiser een door de bevoegde raad van de orde afgegeven stageverklaring verkrijgt.

1.2

De rechtbank ziet geen aanleiding tot heropening van het onderzoek in een of meer van de zaken. De rechtbank zal eerst de beroepsgronden bespreken en daarna deze beslissing nog nader toelichten.

2. De rechtbank gaat bij de beoordeling van de beroepen uit van de volgende feiten en omstandigheden.

2.1

Eiser is per 17 augustus 2016 (voorwaardelijk) ingeschreven als advocaat op het tableau. Hij oefende sedertdien de praktijk uit als stagiair-ondernemer in Amsterdam .

2.2

Als patroon trad op mr. [naam 5] .

2.3

Als mentor was aangewezen mr. H.M. [naam 6] , toen lid van de Amsterdamse raad en portefeuillehouder stagiaires-ondernemer.

2.4

Op 12 februari 2019 verzochtt de Amsterdamse orde van advocaten aan mr. [naam 5] om binnen 14 dagen het eindverslag van de stage van eiser in te dienen.

2.5

Bij formulier, gedateerd 21 februari 2019 heeft eiser aan de Amsterdamse raad verzocht om wijziging van patroon. Met dat verzoek werd beoogd om mr. [naam 7] , kantoorgenoot van mr. [naam 5] , voortaan als patroon te laten optreden. Als reden voor het verzoek heeft eiser opgegeven: “organisatorische redenen”. Later, bij e-mail van 5 april 2019, deelt mr. [naam 7] aan de deken van de Amsterdamse orde mee dat hij zijn bereidheid voor de patroonswisseling om hem moverende redenen intrekt.

2.6

Omstreeks februari/begin maart 2019 heeft eiser contact gezocht met een advocaat in het arrondissement Noord-Holland, mr. [naam 8] , over een mogelijke overname door hem van het patronaat. Eiser heeft in die periode ook bij de orde van advocaten in dat arrondissement geïnformeerd naar de eisen die die orde aan (voortzetting van) de stage in dat arrondissement zou stellen.

2.7

Op 4 maart 2019 heeft eiser een gesprek gehad met de mentor. Eiser heeft (uiterlijk) rond die tijd vernomen dat zijn patroon, mr. [naam 5] , eerder (in 2017) voorwaardelijk als advocaat geschorst is geweest.

2.8

In het gesprek van eiser met zijn mentor in maart 2019 is onder meer ter sprake gekomen dat eiser zijn stage onder begeleiding van een andere patroon zou voortzetten en eiser elders, ook buiten zijn kantoor om, naar een andere patroon heeft gezocht, met name in het arrondissement Noord-Holland.

2.9

Eiser heeft contact gekregen met mr. [naam 1] . Mr. [naam 1] heeft de mentor op 11 maart 2019 benaderd. Eiser heeft samen met mr. [naam 1] een verzoek aan de Amsterdamse raad gericht om mr. [naam 1] als eisers patroon goed te keuren. Dat verzoek was gedateerd 26 maart 2019.

2.10

In een e-mail van 4 april 2019 aan eiser heeft de mentor op een rij gezet wat er vanaf begin maart 2019 tot dan is voorgevallen. Hij schrijft – samengevat – onder meer: eiser heeft op 4 maart 2019 gezegd dat de begeleiding door mr. [naam 5] onder de maat was; eiser heeft op 1 april 2019 in een bevreemding wekkende brief aan mr. [naam 7] verzocht bij de orde te informeren waarom geadviseerd was om het kantoor van mr. [naam 7] te verlaten en een andere patroon te zoeken, terwijl eiser zelf met de wens om naar het kantoor van mr. [naam 8] in Noord-Holland te verhuizen naar de mentor was gekomen omdat hij door mr. [naam 5] niet goed zou worden begeleid; op eisers vraag of hij de stageverklaring op 17 augustus 2019 zal kunnen krijgen, heeft de mentor geantwoord dat eiser (gelet op wat eiser zelf heeft gezegd over de begeleiding door mr. [naam 5] en wat eiser daarover tegen mr. [naam 1] heeft gezegd en gelet op de processtukken die de mentor heeft gezien en wat hij – na 17 augustus 2016 - weet over de juridische kwaliteit van mr. [naam 5] ) er zeker niet van uit mag gaan dat hij de stageverklaring in augustus 2019 zal verkrijgen.

2.11

Eisers mentor heeft bij e-mail van 25 april 2019 aan eiser meegedeeld dat hem ter ore is gekomen dat mr. [naam 8] afziet van zijn voornemen om patroon van eiser te worden. Daarbij heeft hij eiser gevraagd of nog begeleiding plaatsvindt door mr. [naam 5] . Daarnaast is in de mail het volgende opgenomen: “ Ik wijs u er op dat zo lang u niet feitelijk wordt begeleid, uw stage is opgeschort. U mag slechts onder begeleiding van een patroon praktijk uitoefenen”.

2.12

Op 30 april 2019 heeft de Amsterdamse raad de gevraagde goedkeuring voor de stage en het patronaat van mr. [naam 1] per 1 mei 2019 verleend.

2.13

Op 30 augustus 2019 heeft de Amsterdams raad besloten tot verlenging van de stage met zes maanden tot 17 februari 2020. Dit besluit is op 3 oktober 2019 schriftelijk vastgelegd en aan eiser gezonden.

2.14

Op 8 en 10 oktober 2019 hebben gesprekken plaatsgevonden waarbij eiser en mr. [naam 1] waren betrokken over de (voortgang van de) stage onder patronaat van mr. [naam 1] . Op 16 oktober 2019 is daarvan een verslag opgemaakt en getekend.

2.15

In de tweede helft van oktober 2019 is eiser nauwelijks op het kantoor van mr. [naam 1] verschenen.

2.16

Op 30 oktober 2019 heeft eiser het verzoek aan de Haagse raad gedaan om het vervolg van zijn stage in Den Haag met mr. [naam 9] als patroon goed te keuren. Per 1 november 2019 heeft eiser zijn kantoor verplaatst van Amsterdam naar Den Haag.

2.17

Op 6 november 2019 heeft mr. [naam 1] aan de Amsterdamse raad de goedkeuring verzocht voor opzegging van de stage.

2.18

Op 7 november 2019 heeft de Amsterdamse raad aan eiser meegedeeld dat zijn stage is geschorst door de verplaatsing van zijn kantoor naar Den Haag zonder dat er daar een patroon is aangewezen, althans omdat eiser door de verhuizing feitelijk niet meer door een patroon werd begeleid.

2.19

Op 28 november 2019 heeft een bemiddelingsgesprek plaatsgevonden tussen eiser, mr. [naam 1] en de mentor.

2.20

Op 20 december 2019 volgde het besluit van de Haagse raad tot onthouding van goedkeuring van de stage en mr. [naam 9] als patroon (het primaire besluit 1).

2.21

Op 16 januari 2020 vond er een bemiddelingsgesprek en een hoorgesprek plaats waarbij onder meer eiser, bijgestaan door zijn toenmalige advocaat mr. [naam 10] , en mr. [naam 1] aanwezig waren. In het hoorgesprek was het verzoek van mr. [naam 1] tot goedkeuring van de opzegging van de stage aan de orde. In het verslag van het hoorgesprek is vermeld: “Naar aanleiding van mr. [naam 10] ’ toelichting wordt besproken dat de raad van de orde de over en weer gemaakte verwijten in het midden zou kunnen laten – en daarnaar dus geen (verder) onderzoek hoeft te doen en zich in het besluit niet hoeft uit te laten over de verwijten – door een beslissing tot goedkeuring van de opzegging (vooral) te baseren op de ernstig, en naar het zich laat aanzien onherstelbaar verstoorde verhoudingen, zoals die blijken uit de stukken en hetgeen partijen tijdens de hoorzitting over elkaar zeggen”.

2.22

Op 30 januari 2020 volgde het besluit van de Amsterdamse raad tot goedkeuring voor de opzegging door [naam 1] van de stage (primair besluit 2).

2.23

Omstreeks 11 februari 2020 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen mr. [naam 10] als gemachtigde van eiser, mr. E.J. Henrichs , deken in Amsterdam, en mr. M.E. Veenboer , juridisch adviseur van de algemene raad. Hierin is aan de orde geweest de schrapping in verband met het komende einde van de stage, terwijl geen stageverklaring was afgegeven.

2.24

Op 2 april 2020 volgde de mededeling van de algemene raad dat eiser per 3 juni 2020 van het tableau is geschrapt (de schrapping).

Rechtsmiddel tegen het verlengingsbesluit van 3 oktober 2019

3.1

Eiser heeft aangevoerd dat hij administratief beroep heeft ingesteld tegen het onder 2.13 bedoelde besluit van 3 oktober 2019 van de Amsterdamse raad tot verlenging van zijn stage. Hij verzoekt – in brieven van 6 en 24 juli 2020 en ter zitting - de rechtbank in onderhavige zaak ook (inhoudelijk) op dat rechtsmiddel te beslissen.

3.2

De rechtbank wijst dat verzoek af. Anders dan Afdeling 7:1 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in artikel 7:1a, kent Afdeling 7:3 Awb, dat ziet op administratief beroep, geen bepaling over rechtstreeks beroep op de bestuursrechter als administratief beroep tegen een besluit is opengesteld. Reeds daarom kan de rechtbank (nog) niet in beroep beslissen op enig rechtsmiddel gericht tegen het verlengingsbesluit.

Het beroep gericht tegen het bestreden besluit I: de onthouding goedkeuring aan de stage en mr. [naam 9] als patroon

4.1

Op grond van artikel 9b van de Advocatenwet is de stagiair verplicht de praktijk uit te oefenen onder begeleiding van een andere advocaat, de patroon. Op grond van artikel 3.5, eerste lid, van de Verordening op de advocatuur (Voda) is de raad van de orde belast met de goedkeuring van de stage en de beoogd patroon. In artikel 3.6 Voda zijn de gronden opgenomen waarop de goedkeuring kan worden onthouden. Een van die gronden is dat de beoogd patroon niet geschikt wordt geacht als patroon.

4.2

De Haagse raad heeft met het primaire besluit 1 goedkeuring onthouden aan de stage en wijziging patronaat met mr. [naam 9] als patroon. Aan dat besluit heeft die raad enerzijds redenen ten grondslag gelegd die de raad ontleende aan twijfels over de wijze waarop eiser voordien in Amsterdam als advocaat was opgetreden en anderzijds op omstandigheden die naar het oordeel van die raad meebrengen dat mr. [naam 9] niet geschikt wordt geacht om als patroon op te treden.

4.3

Eiser heeft in het administratief beroep onder meer aangevoerd dat de Haagse raad niet bevoegd (meer) was om zich over de stage van eiser uit spreken(omdat hij voor zijn stage in Amsterdam reeds toestemming – en verlenging – had gekregen), dat het verzoek om goedkeuring in wezen alleen zag op goedkeuring van mr. [naam 9] als (opvolgend) patroon en dat de (ten overvloede) gegeven motivering om mr. [naam 9] niet geschikt te achtenniet zorgvuldig was voorbereid.

4.4

In administratief beroep heeft eiser op de hoorzitting verklaard dat mr. [naam 9] niet (meer) beschikbaar is als patroon voor eiser.

4.5

Verweerder heeft hieraan de conclusie verbonden dat eiser met zijn administratief beroep niet meer kan bereiken wat hij daarmee beoogt, te weten dat mr. [naam 9] als patroon zal gaan optreden, en heeft het administratief beroep daarom niet-ontvankelijk verklaard, zonder verder in te gaan op eisers inhoudelijke argumenten gericht tegen het primaire besluit 1.

5.1

Ter beoordeling ligt dus voor of verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat eiser geen (rechtens te honoreren) belang meer heeft bij zijn administratief beroep. De rechtbank overweegt in dit verband als volgt.

5.2

Vast staat dat eiser met het administratief beroep niet meer kon bereiken dat hij zijn advocaten-stage onder patronaat van [naam 9] kon voortzetten, nu mr. [naam 9] niet langer bereid is als patroon op te treden. Eiser heeft daarom geen belang meer bij goedkeuring van mr. [naam 9] als patroon.

5.3

Volgens eiser is daarmee echter niet het belang aan het administratief beroep komen te ontvallen, omdat hij het van hem met het primaire besluit 1 gecreëerde beeld wil rechtzetten en omdat hij met het beroep wil voorkomen dat andere advocaat-stagiaires ook worden geconfronteerd met een orde die zich niet aan de geldende regels houdt.

5.4

Dat eiser met zijn administratief beroep nog wil bereiken dat een besluit wordt genomen dat kan dienen als leidraad voor andere advocaat-stagiaires, leidt niet tot de conclusie dat eiser om die reden nog procesbelang heeft behouden bij de beoordeling van zijn administratief beroep. In administratief beroep is het beroepsorgaan alleen tot een inhoudelijke beoordeling van een bij hem ingediend beroep tegen een besluit van een ander bestuursorgaan gehouden, indien de indiener daarbij zelf een actueel en reëel belang heeft. In zoverre vindt artikel 3:303 van het Burgerlijk Wetboek op grond van artikel 3:326 van dat wetboek immers ook (overeenkomstige) toepassing in bestuursrechtelijke geschillen zoals administratief beroep. Op grond van dat artikel komt zonder voldoende belang niemand een rechtsvordering toe. Ten aanzien van natuurlijke personen zoals eiser, moet het daarbij gaan om een belang van eiser zelf, zodat een voldoende belang niet kan worden ontleend aan mogelijke, al dan niet toekomstige, belangen van andere personen bij de beantwoording van door eiser opgeworpen rechtsvragen. Indien zijn belang bij een beslissing is vervallen, is het beroepsorgaan in administratief beroep niet geroepen een beslissing op het beroep te nemen uitsluitend wegens de principiële betekenis daarvan1.

5.5

Wel kan een procesbelang nog zijn gelegen in de stelling dat eiser door het primaire besluit 1 onrechtmatig schade zou hebben geleden. Het resultaat dat wordt nagestreefd, te weten vernietiging van het primaire besluit 1, kan om die reden voor eiser van meer dan principiële betekenis zijn. Eiser heeft echter onvoldoende gesteld om tot zodanige schade te kunnen concluderen. Eiser heeft wel gesteld dat hij door middel van de procedure het van hem gecreëerde beeld wil rechtzetten, maar de weigering van de goedkeuring van de stage en de weigering toestemming wijziging patronaat zijn op zichzelf niet aan te merken als of gelijk te stellen met een publieke afwijzing van gedrag van eiser die schade veroorzaakt. Dat de beoordeling van zijn eerdere gedragingen in Amsterdam wel mede ten grondslag zijn gelegd aan het besluit om de stage niet goed te keuren, maakt dit niet anders. De weigering van goedkeuring impliceert immers niet (per definitie) een publieke afwijzing van het gedrag van eiser, maar slechts dat eiser volgens de Haagse raad niet aan de voor goedkeuring gestelde voorwaarden voldoet. Door het primaire besluit 1 is eiser daarom niet in zijn eer en goede naam aangetast, zodat van daaruit voortvloeiende schade geen sprake is2.

5.6

De rechtbank merkt in dit verband voorts nog op dat eiser zich (thans) op het standpunt stelt dat het besluit van 3 oktober 2019 waarbij zijn stage is verlengd, rechtens onjuist zou zijn en van een verlenging van de stage na 27 augustus 2019 helemaal geen sprake kan zijn. Dat zou betekenen dat hij ook om deze reden geen belang (meer) heeft bij goedkeuring van een patroon (en stage) door de Haagse raad na 27 augustus 2019 en ook dat er uit het primaire besluit 1 geen schade heeft kunnen voortvloeien.

5.7

Verweerder is er daarom terecht van uitgegaan dat eiser geen (proces)belang meer heeft bij de beoordeling van zijn administratieve beroep tegen primair besluit 1. Verweerder heeft dat administratieve beroep daarom terecht niet-ontvankelijk verklaard.

5.8

Het beroep gericht tegen het bestreden besluit I is daarom ongegrond.

Het beroep gericht tegen het bestreden besluit II: goedkeuring aan mr. [naam 1] tot opzegging van de stage

6.1

De Amsterdamse raad heeft bij het primaire besluit 2 mr. [naam 1] goedkeuring verleend om eisers stage door opzegging te doen eindigen. Die raad heeft daaraan ten grondslag gelegd dat sprake is van een onherstelbaar verstoorde relatie waarbij eiser en mr. [naam 1] er van uitgaan dat de breuk definitief is en er naar streven (en daarin geslaagd lijken) de gevolgen van de breuk te regelen. Verweerder heeft het administratief beroep tegen dat besluit ongegrond verklaard met het bestreden besluit II. Verweerder acht de opzegging door mr. [naam 1] onder verwijzing naar hetgeen is voorgevallen redelijk.

6.2

Eiser heeft zich in beroep gemotiveerd tegen het bestreden besluit II gekeerd. Naast een aantal klachten die zien op de voorbereiding van en afweging in het besluit voert hij – samengevat – aan dat de Amsterdamse raad niet bevoegd was tot het primaire besluit 2, dat verweerder er ten onrechte van uitgaat dat er een goedkeuringsbesluit is om mr. [naam 1] te laten optreden als patroon en dat geen rekening is gehouden met een op de Amsterdamse raad rustende zorgplicht om te voorzien in en te bemiddelen bij het zoeken naar een patroon. In nadere gronden voegt eiser daar, onder verwijzing naar hetgeen op en rond de stage bij mr. [naam 5] is of zou zijn gepasseerd en zijn bezwaren zowel tegen de goedkeuring van mr. [naam 1] tot patroon als tegen de verlenging van de stage na 27 augustus 2019, aan toe, dat de opzegging onredelijk is omdat die opzegging voortvloeit uit die eerdere besluiten.

6.3

Artikel 3.4 Voda, waarin onder meer de opzegging van de stage door de patroon is geregeld, luidt, voor zover van belang, als volgt:

1. De stage eindigt zonder stageverklaring:

a. met wederzijds goedvinden van patroon en stagiaire;

b. door opzegging door de stagiaire;

c. door opzegging door de patroon, na daartoe verkregen goedkeuring van de raad van de orde;

d. door een ambtshalve beslissing van de raad van de orde.

2. De stage is van rechtswege opgeschort:

a. indien de stagiaire de praktijk meer dan drie maanden niet uitoefent, tenzij dit het gevolg is van wettelijk zwangerschaps- of bevallingsverlof;

b. indien de stagiaire geen patroon heeft of de praktijk niet onder zijn begeleiding uitoefent;

c. indien de patroon is geschorst, de praktijk niet meer uitoefent of de stagiaire niet meer kan begeleiden;

d. zodra de patroon en de stagiaire niet langer in hetzelfde arrondissement zijn ingeschreven.

3. De opzegging, bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, kan zonder voorafgaande goedkeuring door de raad van de orde plaatsvinden indien het certificaat beroepsopleiding niet meer kan worden overgelegd binnen het tijdvak, bedoeld in artikel 8c, eerste lid, aanhef en onderdeel c, en tweede lid, van de Advocatenwet.

4. De in het eerste lid, onderdeel c, bedoelde goedkeuring wordt alleen geweigerd indien de opzegging onredelijk is.

5. De patroon brengt het einde van de stage of de opschorting, bedoeld in het eerste lid, aanhef en onderdelen a, b en c, en tweede lid, onverwijld schriftelijk ter kennis van de raad van de orde.

6.4.1

Met betrekking tot eisers meest verstrekkende beroepsgrond dat de Amsterdamse raad niet bevoegd was om te beslissen op het verzoek van mr. [naam 1] om toestemming voor de opzegging van de stage te geven omdat eiser ten tijde van de besluitvorming geen kantoor meer hield in het Amsterdamse arrondissement, overweegt de rechtbank als volgt.

6.4.2

Noch de Advocatenwet noch de Verordening op de advocatuur geeft expliciet uitsluitsel over de vraag welke plaatselijke orde bevoegd is om goedkeuring te verlenen voor opzegging van de stage door een patroon, indien de stagiair ten tijde van het indienen van het verzoek van die patroon en daarna niet langer kantoor houdt in het arrondissement waar de patroon is gevestigd en niet langer tot de raad van de orde van het arrondissement van die patroon behoort. Nu de toestemming voor de stage en de patroon, waarop het verzoek tot goedkeuring voor de opzegging ziet, afkomstig is van de Amsterdamse raad en zag op de situatie dat eiser kantoor hield in het Amsterdamse arrondissement, en nu de patroon, mr. [naam 1] , onderworpen is gebleven aan die orde, ligt het echter in de rede om ervan uit te gaan dat de Amsterdamse raad het bevoegde bestuursorgaan is (gebleven) om toepassing te geven aan artikel 3.4, eerste lid, aanhef en onder c, en vierde lid Voda, waarin is geregeld dat de raad van de orde het bestuursorgaan is dat de goedkeuring kan verlenen voor de beëindiging van de stage op verzoek van de patroon. Overigens valt in het geval van verzoeker ook geen andere (plaatselijke) raad (van de orde) aan te wijzen die bevoegd kan worden geacht als de Amsterdamse raad dat niet zou zijn. Eiser had ten tijde van belang weliswaar zijn kantoor verplaatst naar het arrondissement Den Haag, maar hij heeft zijn stage daar niet voortgezet, noch onder begeleiding van mr. [naam 1] , noch, zoals uit het primaire besluit 1 volgt, onder begeleiding van een advocaat die behoort tot de Haagse orde. Zijn stage was, zo volgt uit artikel 3.4, tweede lid, Voda, bovendien geschorst na zijn kantoorverhuizing naar Den Haag zonder dat daar na goedkeuring een patroon optrad. De Haagse orde is daarom niet bevoegd geworden verdere beslissingen over de stage van eiser te nemen.

6.4.3

Verweerder is er daarom terecht van uitgegaan dat de Amsterdamse raad ten aanzien van het verzoek van mr. [naam 1] om toestemming tot opzegging van de stage (nog steeds) het bevoegde bestuursorgaan is om de in artikel 3.4, eerste lid, aanhef en onder c van de Voda bedoelde goedkeuring te verlenen.

6.5.

Met betrekking tot eisers verdere beroepsgronden dat de Amsterdamse raad de door mr. [naam 1] gevraagde toestemming niet heeft mogen verlenen en verweerder het administratief beroep daarom gegrond had moeten verklaren, overweegt de rechtbank als volgt.

6.5.1

De stelling van eiser dat nooit formeel goedkeuring is verleend voor zijn stage met mr. [naam 1] als patroon en dat daarom – zo begrijpt de rechtbank deze beroepsgrond - ook geen toestemming kan worden verleend tot opzegging van die stage, volgt de rechtbank niet, omdat die stelling geen steun vindt in de feiten. Vast staat immers dat verzoeker samen met mr. [naam 1] op 26 maart 2019 een verzoek bij de Amsterdamse raad heeft ingediend tot goedkeuring van zijn stage en toestemming van mr. [naam 1] als zijn patroon en dat de Amsterdamse raad daarop op 30 april 2019 positief heeft beslist. De stelling van eiser dat aan de schriftelijke vastlegging van dat besluit een gebrek zou kleven – te weten dat een rechtsmiddelmededeling in dat besluit ontbrak - waardoor dat besluit niet in werking zou zijn getreden, heeft verweerder terecht niet gevolgd, omdat er geen wettelijke bepaling is die meebrengt dat de geldigheid of inwerkingtreding van een besluit afhankelijk is van zodanige vermelding. Met name artikel 3:45 Awb verbindt geen gevolg aan het ontbreken van die mededeling. Voorts staat vast dat eiser ingaande 1 mei 2019 ook daadwerkelijk feitelijk als advocaat-stagiair onder patronaat van mr. [naam 1] en onder supervisie van de Amsterdamse raad werkzaam is geweest als advocaat (stagiair-ondernemer) op basis van een daartoe tussen eiser en mr. [naam 1] gesloten overeenkomst. Er was dus zowel formeel als feitelijk sprake van een stage waarbij mr. [naam 1] als patroon van eiser fungeerde. Dat eiser thans, onder verwijzing naar stellingen over hetgeen voordien met betrekking tot de stage bij mr. [naam 5] zou zijn voorgevallen en hetgeen zou zijn voorgevallen rond de overgang naar mr. [naam 1] , het standpunt inneemt dat het optreden van mr. [naam 1] als patroon buiten hem om tot stand zou zijn gekomen, kan aan deze constatering niet afdoen.

6.5.2

Ook eisers stelling dat hij bezwaren heeft tegen de verlenging van de stage na 27 augustus 2019 – bij het besluit van 3 oktober 2019 - en stelt dat – zo begrijpt de rechtbank deze grond - de stageperiode van drie jaar ten tijde van het primaire besluit 2 dus al was geëindigd, zodat niet (nogmaals) tot beëindiging van de stage door opzegging kon worden overgegaan, volgt de rechtbank niet. Aan eiser kan weliswaar worden toegegeven dat de duur van de stage op grond van artikel 9b van de Advocatenwet en artikel 3.2 Voda is bepaald op in beginsel drie jaar, hetgeenin het geval van eiser zou inhouden dat die duur op 17 augustus 2019 zou zijn verstreken. Uit genoemde artikelen volgt echter tevens dat genoemde periode van drie jaar kan worden verlengd en dat is wat verweerder bij besluit van 3 oktober 2019, en dus voorafgaand aan de beslissing tot beëindiging van de stage, heeft gedaan. De stage is met het besluit van 3 oktober 2019 met zes maanden verlengd tot 17 februari 2020. Dit betekent dus dat de stage ten tijde van het besluit tot toestemming aan mr. [naam 1] voor opzegging nog niet was geëindigd. Eisers stelling dat het verlengingsbesluit van 3 oktober 2020 onrechtmatig is, dat hij daartegen administratief beroep heeft ingesteld en dat daarop nog moet worden beslist, maakt dit niet anders. De rechtmatigheid van dat besluit ligt immers niet ter beoordeling voor en kan, zoals hiervoor onder 3.2 is overwogen in onderhavige procedure ook niet worden beoordeeld, zodat de rechtbank van dat besluit uit gaat.

6.5.3

De beroepsgronden dat verweerder niet alle feiten en omstandigheden in de beoordeling zou hebben betrokken, dat verweerder ten onrechte geconcludeerd heeft dat eiser zijn kantoorverplaatsing naar Den Haag niet zou hebben gemeld, dat het bestreden besluit in strijd zou zijn met het evenredigheidsbeginsel en niet toereikend zou zijn gemotiveerd en dat daarom niet tot het verlenen van toestemming mocht worden overgaan volgt de rechtbank evenmin. Uit artikel 3.4, vierde lid, Voda volgt dat de goedkeuring alleen wordt geweigerd indien de opzegging onredelijk is. De wet- en regelgever heeft het criterium in artikel 3.4, vierde lid, Voda niet nader heeft uitgewerkt, maarde aard van de relatie tussen een patroon en een advocaat-stagiair brengt mee dat sprake moet zijn van voldoende wederzijds vertrouwen om aan die opleidingssituatie inhoud te geven, zodat ten minste sprake is van een werkbare situatie. Als een zodanig werkbare relatie niet (meer) bestaat en de werkrelatie ook niet meer kan worden hersteld, dan is beëindiging van het patronaat niet onredelijk. Niet in geschil is dat tussen eiser en mr. [naam 1] een onwerkbare relatie is ontstaan, zodanig, dat niet meer van hen gevergd kan worden de stagiair-patroonrelatie voort te zetten of te hervatten. Bemiddeling door de Amsterdamse raad heeft niet mogen baten. Eiser heeft ook erkend dat voortzetting en hervatting van de stage bij mr. [naam 1] niet meer mogelijk is. Er kan daarom in redelijkheid niet worden geoordeeld dat de Amsterdamse raad gehouden was om mr. [naam 1] de door hem gevraagde toestemming niet te verlenen en evenmin dat verweerder dat besluit niet in stand kon laten. Alle hiervoor aan het begin van deze overweging genoemde grieven van eiser alsmede zijn stellingen over hoe hij door mr. [naam 1] en de Amsterdamse raad tot aan oktober 2019 zou zijn behandeld, wat hier ook van zij, stuiten hier op af. Van een onredelijke opzegging is geen sprake.

6.5.4

Ook de stelling van eiser dat de Amsterdamse raad de goedkeuring voor beëindiging vanwege een op haar rustende zorgplicht op 30 januari 2019 nog niet had mogen verlenen zodat eiser alvorens mr. [naam 1] tot opzegging zou overgaan nog een andere patroon kon zoeken, kan hem niet baten. Zoals verweerder terecht heeft opgemerkt, is er geen wettelijke bepaling die de Amsterdamse raad verplicht eiser in dit geval, alvorens de toestemming te verlenen een termijn te gunnen om een andere patroon te zoeken. De wettelijke bepalingen waar eiser naar heeft verwezen – artikel 9b, vierde lid, van de Advocatenwet dat ziet op het zoeken naar een buitenpatroon als vrijstelling is verleend om bij de patroon kantoor te houden, en artikel 3.7 Voda dat ziet op belemmeringen aan de zijde van de patroon om de stagiair verder te begeleiden – zijn in eisers situatie niet van toepassing. Het ter zitting door eiser nog gedane beroep op gelijke behandeling met de situatie van [naam 7] , die patroonloos zou zijn geworden en aan wie een termijn was gegund om een patroon te zoeken, kan eiser ook niet baten. Naar de rechtbank begrijpt was [naam 7] ook advocaat-stagiaire op het kantoor van mr. [naam 5] omstreeks de tijd dat mr. [naam 5] de patroon van eiser was. Eiser heeft echter niet nader onderbouwd waarom haar situatie overeenkomt met zijn situatie. Met name is niet gesteld of gebleken dat ook in haar situatie sprake was van een situatie dat de patroon toestemming heeft verzocht tot opzegging van de stage wegens een verstoorde relatie tussen patroon en stagiaire. Overigens is de toestemming tot opzegging van de stage van eiser eerst 30 januari 2020 gegeven, terwijl die toestemming reeds op 6 november 2019 was gevraagd. Eiser heeft dus feitelijk enige maanden de tijd gehad om een andere oplossing te zoeken en heeft ook pogingen daartoekunnen ondernemen door het zoeken van een patroon in Den Haag. Daar komt nog bij dat op 30 januari 2020, de datum waarop het primaire besluit 2 is genomen, van de verlengde stageperiode van drie jaar en zes maanden, waar eiser het overigens ook niet mee eens is, nog slechts een periode van 17 dagen resteerde. De mogelijkheid dat binnen die periode een andere patroon zou kunnen worden gevonden, onder wiens begeleiding de stage alsnog succesvol en tijdig zou kunnen worden afgerond, was dus nagenoeg illusoir.

6.6

Het beroep gericht tegen het bestreden besluit II is daarom ongegrond.

Het beroep gericht tegen het bestreden besluit III: schrapping van het tableau

7.1

Verweerder heeft eiser met het primaire besluit 3, nadat eiser op het voornemen daartoe was gehoord, met toepassing van artikel 8c, vierde lid, van de Advocatenwet met ingang van 3 juni 2020 van het tableau geschrapt. Aan dit besluit heeft verweerder samengevat ten grondslag gelegd, dat eiser gedurende een periode van drie en een half jaar (inclusief verlenging) voorwaardelijk als advocaat heeft ingeschreven gestaan zonder dat hij een stageverklaring als bedoeld in artikel 9b, vijfde lid, van de Advocatenwet kan overleggen, en dat eiser daarom op grond van artikel 8c, eerste lid, aanhef en onder c, aanhef en onder 1°, in verband met het derde lid, tweede volzin, van de Advocatenwet van de Advocatenwet van het tableau moet worden geschrapt. Verweerder licht verder toe dat hij daarbij de gebruikelijke termijn van twee maanden hanteert, omdat niet is gebleken dat een zorgvuldige overdracht van cliënten van eiser aan andere advocaten binnen die termijn niet mogelijk zou zijn. Verweerder ziet voorts geen grond om aanhangige administratief-beroepsprocedures tegen de primaire besluiten 1 en 2 af te wachten. Vanwege het imperatieve karakter van voornoemde wetsbepalingen ziet verweerder ook geen ruimte om op grond van een belangenafweging anders te besluiten dan tot schrapping. In bezwaar heeft verweerder de schrapping en de daarvoor gegeven motivering gehandhaafd. Hij ziet voorts geen grond de schrapping achterwege te laten in verband met het standpunt van eiser dat de regeling in strijd zou zijn met hogere regelgeving. Ook in het feit dat de schrapping nadelige gevolgen heeft voor eiser, ziet verweerder geen grond de schrapping achterwege te laten.

7.2

Eiser heeft zich hier gemotiveerd tegen gekeerd. Hij voert aan dat verweerder ten onrechte geen rekening heeft gehouden met onderbrekingen en verlenging van de termijn wegens een lichamelijke functiebeperking bij eiser, en geen rekening heeft gehouden met de nadelige gevolgen van de schrapping voor eiser. Voorts had verweerder volgens eiser de administratieve beroepen moeten afwachten alvorens tot schrapping over te gaan. Verder voert hij aan dat verweerder algemene beginselen heeft geschonden, onder meer het gelijkheidsbeginsel, althans dat verweerder willekeurig handelt, omdat verweerder na 17 augustus 2019 niet tot schrapping is overgegaan, terwijl de verlenging van de stage eerst bij besluit van 3 oktober 2019 aan eiser is bekendgemaakt. Eiser voert op 24 juli 2020, naast een nadere uitwerking van de eerdere gronden, voorts nog aan dat hij een rechtsmiddel tegen het verlengingsbesluit heeft ingesteld, maar dat daarop nog niet is beslist. Als wel was beslist had hij wel over een stageverklaring kunnen beschikken. Ter zitting heeft eiser zich tenslotte nog op een toezegging van de zijde van verweerder omstreeks 11 februari 2020 beroepen, die volgens eiser inhoudt dat niet (actief) tot schrapping zou worden overgegaan.

7.3

Uit artikel 8c, eerste lid, aanhef en onder c, aanhef en onder 1°, in verband met het vierde lid van de Advocatenwet volgt dat verweerder met ingang van een tijdstip dat tenminste twee en ten hoogste zes maanden na de beschikking is gelegen, de advocaat schrapt die op het tableau is ingeschreven in geval hij, hetzij onafgebroken, hetzij met onderbrekingen, gedurende een tijdvak van drie jaar (of bij verlenging het tijdvak inclusief die verlenging) voorwaardelijk als advocaat ingeschreven heeft gestaan zonder dat de stageverklaring als bedoeld in artikel 9b, vijfde lid, van de Advocatenwet kan worden overlegd. Gelet op deze bepaling bestaat er voor verweerder, indien de beschreven situatie zich voordoet, dus een verplichting om tot schrapping over te gaan. De bepaling biedt geen ruimte voor enige belangenafweging, behoudens ten aanzien van het tijdstip van schrapping op een termijn van twee tot zes maanden.

7.4

De rechtbank stelt voorop dat de schrapping een besluit is in de zin van de Algemene wet bestuursrecht waartegen bezwaar en beroep openstaat. De schrapping van het tableau vindt immers niet van rechtswege plaats, maar pas als daartoe door verweerder besloten is. Het besluit tot schrapping is daarom, anders dan verweerder ter zitting nog heeft aangevoerd, daarom wel in zijn geheel aan de beoordeling in onderhavig geding onderworpen. De rechtbank kan in beroep onder meer toetsen of aan de voorwaarden voor schrapping is voldaan.

7.5

Niet in geschil is dat de stagetermijn van eiser van drie jaar met zes maanden is verlengd tot 17 februari 2020 en dat die verlengde termijn ten tijde van het nemen van het primaire besluit 3 was verstreken. Dat eiser het (thans) niet eens is met de verlenging, maakt dat niet anders3. Als die verlenging alsnog rechtens onjuist zou blijken, dan is de stagetermijn – die dan drie jaar zou hebben geduurd – immers ten tijde van het primaire besluit 3 ook verstreken. Evenmin in geschil is dat eiser niet in het bezit was of is van een stageverklaring als bedoeld in artikel 9b, vijfde lid, van de Advocatenwet. Verweerder was daarom, gelet op artikel 8c, eerste lid, aanhef en onder c, aanhef en onder 1°, van de Advocatenwet, gehouden om tot schrapping van eiser van het tableau over te gaan.

7.6

Eisers stelling dat zijn stage in de periode van drie jaar en zes maanden een of meermalen feitelijk is onderbroken, kan hem niet baten. Eiser doelt dan, naar de rechtbank begrijpt, met name op de opschorting van zijn stage op grond van artikel 3.4, tweede lid, Voda per 1 november 2019 in verband met zijn kantoorverplaatsing naar Den Haag. Door die opschorting van de stage is de voorwaardelijke inschrijving op het tableau echter niet onderbroken. Uit de formulering van artikel 8c, eerste lid, aanhef en onder c, in verband met het derde lid, tweede volzin, van de Advocatenwet volgt voorts duidelijk dat het er bij de toepassing van die bepaling alleen om gaat of eiser gedurende drie jaar en zes maanden onafgebroken op het tableau ingeschreven heeft gestaan. Zoals reeds overwogen was die termijn ten tijde van het primaire besluit 3 reeds verstreken.

7.7

De stelling dat verweerder had moeten uitgaan van een langere stageperiode, omdat eiser van jongs af aan een fysieke beperking heeft, daarom in feite als deeltijder had moeten worden aangemerkt en daarom de termijn van 8c, eerste lid, aanhef en onder c, van de Advocatenwet nog niet was verstreken, volgt de rechtbank niet. Deze regeling kent geen gelijkstelling van een full-time werkende advocaat-stagiair met een fysieke beperking met een stagiair die de praktijk in deeltijd uitoefent. Daarbij komt dat indien eiser tijdens zijn stage vanwege zijn beperking feitelijk in deeltijd werkzaam was of met een deeltijder gelijk te stellen was , hij daarover op grond van artikel 3.3. derde lid, Voda (overigens strikt genomen voorafgaand aan de uitoefening van de praktijk) in contact had moeten treden met – in zijn geval – de Amsterdamse raad Nu eiser dit niet heeft gedaan en hij zich gedurende zijn hele stage ook heeft gepresenteerd als voltijder, is verweerder er bij de bepaling van duur van de stage terecht van uit gegaan dat eiser geen deeltijder was.

7.8

Eisers betoog dat artikel 8c van de Advocatenwet in zijn geval buiten toepassing had moeten worden gelaten wegens strijd met Europese regelgeving of omdat de regel kennelijk onredelijk is, volgt de rechtbank niet. Eiser heeft zijn stellingen op dit punt niet, althans onvoldoende, nader onderbouwd. Dat de schrapping volgens eiser onomkeerbare gevolgen heeft, maakt ook niet dat de bepaling buiten toepassing dient te blijven. Ook eisers stelling dat de schrapping in feite een punitieve sanctie is, volgt de rechtbank niet. De voorwaardelijke inschrijving en de schrapping als niet aan de voorwaarden voor onvoorwaardelijke inschrijving is voldaan, hebben als doel het waarborgen van het kwaliteitsniveau van advocaten. Van een bestraffing van eiser door de schrapping omdat hij niet aan de voorwaarden voor onvoorwaardelijke inschrijving voldoet, is dan ook geen sprake. Dat het waarborgen van het kwaliteitsniveau met zich meebrengt dat iemand niet (meer) als advocaat werkzaam mag zijn als is gebleken dat hij niet binnen de daartoe gestelde termijn aan de in dat verband gestelde kwaliteitseisen heeft voldaan, maakt de regeling of de toepassing daarvan, anders dan eiser nog aanvoert, niet kennelijk onredelijk of onevenredig. Dat aan het uitoefenen van een beroep de eis wordt gesteld dat een (beroeps)opleiding moet worden gevolgd, komt overigens in meer sectoren van de maatschappij voor, zodat dat niet een uitzonderlijk vereiste is. De stelling dat de schrapping in feite een werkverbod inhoudt, kan eiser dan ook niet baten.

7.9

Dat schrapping in strijd is met het gelijkheidsbeginsel is de rechtbank niet gebleken. Dat verweerder na 17 augustus 2019 niet onmiddellijk de procedure tot schrapping in gang heeft gezet, kan het beroep op het gelijkheidsbeginsel niet schragen. De stage is immers verlengd. Die beslissing tot verlenging is weliswaar eerst later – op 3 oktober 2019 – bekend gemaakt, maar als verweerder de procedure tot schrapping al voor 3 oktober 2019 in gang zou hebben gezet zou gelet op het verlengingsbesluit, onmiddellijk duidelijk zijn geworden dat (nog) niet aan de eisen voor schrapping van eiser van het tableauwas voldaan. De stelling van eiser dat verweerder ook had kunnen kiezen voor een langere periode tussen het besluit tot schrapping en de effectuering daarvan dan wel de in het bestreden besluit gehanteerde termijn op meer dan twee maanden kon stellen en de stelling dat verweerder dat in andere gevallen ook heeft gedaan, kan eiser ook niet baten. Uit artikel 8c, vierde lid van de Advocatenwet volgt weliswaar dat inderdaad een termijn van maximaal 6 maanden kan worden gehanteerd, maar zoals verweerder onweersproken heeft toegelicht, hanteert hij bij de bepaling van deze termijn als regel dat hij kijkt naar de periode die nog nodig is om de lopende dossiers af te handelen dan wel over te dragen. Nu niet in geschil is dat eiser ten tijde van belang geen dossiers meer in behandeling had, omdat hij alle zaken – vooral aan mr. [naam 9] - had overgedragen, ziet de rechtbank geen grond om te oordelen dat verweerder voor een langere termijn tussen de mededeling van schrapping en effectuering daarvan had moeten kiezen. Genoemd wetsartikel biedt daarnaast geen ruimte een nog langere termijn te stellen. Dat eiser wilde dat verweerder zou wachten op de uitkomst van lopende andere (administratieve) beroepen ten aanzien van de primaire besluiten 1 en 2, doet aan de rechtmatigheid van het bestreden besluit ook niet af, omdat de status van die besluiten niet kan afdoen aan de constatering dat de in artikel 8c, eerste lid, aanhef en onder c, en derde lid, tweede volzin, van de Advocatenwet bedoelde termijn ten tijde van het primaire besluit 3 was verstreken. Ook zijn verwijzing naar het door hem ingestelde rechtsmiddel tegen het verlengingsbesluit vormt geen grond om het beroep gegrond te verklaren. Anders dan eiser aanvoert, volgt uit een vernietiging van het verlengingsbesluit van 3 oktober 2020 nog niet dat eiser aan het einde van de stage, c.q. de driejaarstermijn, over een stageverklaring beschikt. Hij voldoet daarom dan nog steeds niet aan de voorwaarden voor onvoorwaardelijke inschrijving op het tableau. Voor zover eiser overigens nog heeft aangevoerd dat het bestreden besluit III de toetsing in rechte niet zou kunnen doorstaan omdat verweerder met zijn belangen bij voortduren van de inschrijving onvoldoende rekening zou hebben gehouden, stuiten die gronden af op het feit dat artikel 8c, vierde lid, in verband met het eerste lid, aanhef en onder c, van de Advocatenwet aan verweerder niet een dergelijke mogelijkheid tot belangenafweging biedt, zoals hiervoor onder 7.3 reeds is overwogen.

7.10.1

Ook eisers ter zitting nog gedane beroep op het vertrouwensbeginsel slaagt niet. Eiser stelt dat mr. Veenboer , de gemachtigde van verweerder, tijdens een bespreking met de toenmalige advocaat van eiser, mr. [naam 10] , zou hebben verklaard dat verweerder “niet actief tot schrapping” zou overgaan, hetgeen mr. [naam 10] in een e-mail van 11 februari 2020 zou hebben bevestigd. Mr. Veenboer heeft echter ter zitting betwist dat zij een dergelijke uitlating heeft gedaan. Zij heeft verklaard dat zij in dat gesprek heeft meegedeeld dat een schrapping van het tableau niet onmiddellijk de dag na 17 februari 2020, het einde van de verlengde stage, zal plaatsvinden maar dat pas na die datum de procedure tot schrapping in gang zal worden gezet, zodat de schrapping op de dag na 17 februari 2020 nog geen feit zou zijn.

7.10.2

De e-mail van 11 februari 2020 was een van de stukken die eiser ter zitting alsnog wilde overleggen. De rechtbank heeft dat, na gemotiveerd bezwaar van verweerder, niet toegestaan wegens strijd met de goede procesorde omdat eiser dat stuk veel eerder, voor de tiendagentermijn van artikel 8:58 Awb, had kunnen inbrengen.

7.10.3

Eiser heeft gelet op een ander niet aannemelijk gemaakt dat verweerder heeft toegezegd niet tot schrapping over te gaan. Een dergelijke toezegging is overigens ook onwaarschijnlijk omdat de wettelijke regeling, zoals hiervoor overwogen, verweerder geen ruimte geeft om van schrapping af te zien, als niet is voldaan aan de eisen voor onvoorwaardelijke inschrijving. (Wegens het ontbreken van de stageverklaring voldeed eiser niet aan deze eisen). Maar ook als mr. Veenboer zou hebben toegezegd dat, zoals eiser ook stelt, niet direct zal worden overgegaan tot schrapping van het tableau na het beëindigen van de stage en het verstrijken van de stagetermijn en dat schrapping ook niet actief zal worden bevorderd, valt daar nog niet de toezegging uit af te leiden dat (definitief) van schrapping zou worden afgezien. Eiser kon er dus niet op vertrouwen dat schrapping van het tableau achterwege zou blijven.

7.11

Het beroep tegen het bestreden besluit III is daarom (ook) ongegrond.

Verzoeken om heropening en getuigenverhoor

8.1

De rechtbank wijst de verzoeken om heropening om de volgende redenen af.

8.2

In zijn verzoek van 5 augustus 2020 verzoekt eiser om heropening om alsnog een aantal personen als getuigen te (doen) horen.

8.3

Het horen van mr. [naam 5] , de eerste patroon van eiser, over de stage onder mr. [naam 5] en de wijze waarop en de omstandigheden waaronder daaraan een einde is gekomen en de overgang naar mr. [naam 1] alsmede het verloop van de stage bij mr [naam 1] , is voor de beoordeling van de thans in beroep voorliggende besluiten, zoals uit het hiervoor overwogene volgt, niet van belang. Voor het horen van mr. [naam 7] , kantoorgenoot van mr. [naam 5] , mr. [naam 6] , de mentor, mr. Henrichs , de Amsterdamse deken, mr. [naam 1] , de tweede patroon, mr. [naam 13] , kantoorgenoot van mr. [naam 1] , [naam 14] , extern persoonlijk begeleider/coach van eiser tijdens zijn stage bij mr. [naam 1] , [naam 15] , cliënt van eiser en [naam 16] , [naam 17] , een kennis van eiser met ict-deskundigheid, [naam 18] , familielid van eiser, en [naam 19] , medewerker bij mr. [naam 5] , voor zover hij hen wil horen over het verloop en het einde van de stage onder mr. [naam 5] , bestaat daarom evenmin grond.

8.4

Voor zover eiser een of meer getuigen wil horen over feiten in verband met de beslissing tot verlenging van de stage, heeft hij daar ook geen belang bij, omdat dat besluit, zoals hiervoor onder 3.2 is overwogen, niet in dit beroep kan worden beoordeeld.

8.5

Voor zover eiser mr. Veenboer en mr. [naam 10] wil horen over het overleg waarvan sprake is in de e-mail van 11 februari 2020, verwijst de rechtbank naar de overweging 7.10 van deze uitspraak. Het is voorts in strijd met de goede procesorde het onderzoek in deze zaak waarin eiser om versnelde behandeling heeft verzocht, te heropenen, terwijl eiser tijdig nadere bewijzen over zijn stellingen ter zake had kunnen inbrengen.

8.6

Voor zover eiser een of meer getuigen wil horen over het verloop van de stage en daarmee samenhangende omstandigheden bij mr. [naam 1] , is daarvoor ook geen voldoende belang. Vastgesteld is dat er een onwerkbare relatie tussen eiser en mr. [naam 1] was ontstaan en dat hervatting van de stage bij mr. [naam 1] onmogelijk was. De rechtbank heeft op grond van die (neutrale) vaststelling geoordeeld dat de Amsterdamse raad, bevestigd door verweerder verweerder in administratief beroep, zijn goedkeuring aan de opzegging van de stage heeft mogen verlenen. Daarnaast wijst de rechtbank er nog op dat er geen geschil over een stageverklaring voor ligt, zodat eiser geen belang heeft mr. [naam 1] of andere getuigen te horen over stellingen die daarop zouden kunnen zien.

8.7

Voor zover eiser de rechtmatigheid van andere feiten, die volgens hem besluiten inhouden, in deze procedure aan de orde zou willen stellen, stuit dat af op het feit dat die (rechts)feiten thans ook niet ter beoordeling voorliggen. Ook in de overigens nog overgelegde stukken en verzoeken, ziet de rechtbank geen grond voor heropening van het onderzoek, omdat zij in wezen betrekking hebben op dezelfde (onderzoeks-)vragen die eiser met zijn getuigenverhoren wil ophelderen.

8.8

De rechtbank ziet daarom in de na sluiting van het onderzoek van eiser ontvangen verzoeken om heropening geen grond om daartoe over te gaan.

Conclusie

9. De beroepen zijn ongegrond.

10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.H.M. Bruin, rechter, in aanwezigheid van mr. E. Degen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 2 november 2020.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.

1 Vergelijk voor procedures bij de bestuursrechter: de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 14 februari 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:518).

2 Vergelijk voor de vraag of schade door aantasting van de eer of goede naam procesbelang kan opleveren de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 30 maart 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BP9574.

3 Zoals in overweging 3.2 is overwogen ligt die kwestie thans niet voor.