Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2020:8722

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
14-09-2020
Datum publicatie
29-10-2020
Zaaknummer
AWB - 20 _ 4028 en 20_4029
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Pw; afwijzing alg.+ bijz. bijstand; voorlopige voorzieningen in bezwaar; o.g.v. registratie google-coördinaten, onaangekondigde controle, verklaringen derden, pinbetalingen: opgegeven woonplaats voldoende aannemelijk; besluiten geschorst en voorschotten

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummers: HAA 20/4028 en HAA 20/4029

uitspraak van de voorzieningenrechter van 14 september 2020 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaken tussen

[verzoekster] , te [woonplaats] , verzoekster

(gemachtigde: mr. N.M. Fakiri),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente , verweerder

(gemachtigde: M.E. van Dijk).

Procesverloop

Bij besluit van 27 juli 2020 (het bestreden besluit 1) heeft verweerder de aanvraag van verzoekster voor een bijstandsuitkering op grond van de Participatiewet (Pw) voor algemene bestaanskosten afgewezen omdat zij niet in de gemeente Haarlemmermeer woont. Verweerder heeft bij dit besluit tevens het eerder verstrekte voorschot van € 1.000,- van verzoekster teruggevorderd.

Bij besluit van 28 juli 2020 (het bestreden besluit 2) heeft verweerder de aanvraag van verzoekster voor bijzondere bijstand op grond van de Pw afgewezen omdat zij niet in de gemeente Haarlemmermeer woont en daarnaast omdat zij niet heeft aangetoond dat zij geen beschikking heeft over duurzame gebruiksgoederen.

Verzoekster heeft tegen deze primaire besluiten bezwaar gemaakt. Zij heeft de voorzieningenrechter verzocht om voorlopige voorzieningen te treffen.

Verweerder en verzoekster hebben vervolgens nog nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 september 2020. Verzoekster is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Tevens is aanwezig als tolk [naam 1] .

Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

2.1.

Verzoekster heeft op 19 maart 2020 een (eerste) melding gedaan met aanvragen voor algemene en bijzondere bijstand. Verzoekster verbleef toen – zo volgt uit het relaas van de medewerker van verweerder, inkomensspecialist [naam 2] – in het [locatie] ) te [plaats] en zij heeft met een urgentieverklaring met ingang van 26 maart 2020 een woning in [woonplaats] , gemeente Haarlemmermeer, toegewezen gekregen. Omdat verzoekster toen niet tijdig de gevraagde gegevens had geleverd, is de melding niet verder in behandeling genomen.

Op 7 april 2020 heeft verzoekster een nieuwe melding gedaan voor algemene en bijzondere bijstand. Deze meldingen zijn “op de algemene voorraad” terechtgekomen, aldus de verklaring van verweerder, en zijn daardoor niet direct in behandeling genomen.

2.2.

Op 1 mei 2020 heeft verzoekster nieuwe meldingen gedaan voor algemene en bijzondere bijstand. Verweerder heeft daarbij ook betrokken de meldingen van 7 april 2020. Verweerder heeft bij besluit van 15 mei 2020 deze aanvragen afgewezen omdat het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld. De woonsituatie van verzoekster komt niet overeen met de door haar verstrekte informatie en zij heeft verschillende onduidelijke verklaringen afgelegd over haar verblijf in [stad] . Uit de bankafschriften blijkt volgens verweerder dat verzoekster vanaf september 2019 tot 15 mei 2020 voornamelijk in [stad] bij haar dochters verblijft. Verzoekster heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt bij brief van 19 mei 2020.

2.3.

Op 17 juni 2020 heeft verzoekster een nieuwe aanvraag ingediend voor algemene bijstand en voor bijzondere bijstand ten behoeve van de eerste huur en inrichtingskosten. Zij heeft daarbij aangegeven ook schulden te hebben. Verweerder is daarop gestart met een onderzoek naar het recht op bijstand. In dat verband heeft verweerder onder meer verzoekster opgedragen vanaf 15 juli 2020 dagelijks vóór 20.00 uur door te geven waar zij die nacht slaapt, en heeft verweerder de daadwerkelijke aanwezigheid van verzoekster op het adres gecontroleerd.

3. Verweerder heeft daarop bij het bestreden besluit besloten de aanvraag voor bijstand voor algemene kosten van bestaan af te wijzen, zoals hiervoor vermeld onder Procesverloop.

Het is naar de mening van verweerder op grond van de resultaten van het onderzoek niet aannemelijk dat verzoekster haar domicilie heeft gevestigd op het inschrijfadres te [woonplaats] . Niet duidelijk is waar haar hoofdverblijf is. Zij heeft daarover verschillende verklaringen gegeven en geen van die verklaringen blijkt te kloppen of is met objectieve en verifieerbare gegevens aangetoond. Verweerder meent dat er verder geen controlemogelijkheden zijn.

Wat betreft de bijzondere bijstand heeft verweerder nog in aanmerking genomen dat verzoekster op 23 juli 2020 een kopie van het huurcontract van de woning in [stad] heeft overgelegd. Hierin staat dat naast de huurprijs een bedrag van € 150,- per maand in rekening wordt gebracht voor stoffering/meubilering/apparatuur en in de bijlage is vermeld dat de woning gestoffeerd is geleverd bij de aanvang van de huur alsmede met een wasemkap, inbouwkookplaat en inbouwoven. Verweerder wijst erop dat in het contract echter niets staat over verhuur van duurzame gebruiksgoederen.

4. Verzoekster voert aan dat de besluiten in strijd met de zorgvuldigheid zijn genomen. Verweerder mag niet afgaan op vermoedens of oppervlakkige kennis en dient een zodanig onderzoek in te stellen dat de feiten op een overtuigende wijze zijn vastgesteld. Verzoekster stelt te hebben aangetoond dat zij in de woning verblijft en dat zij aldaar haar maatschappelijk leven wenst op te bouwen. Het betreft hier een nieuwbouwwoning en zij heeft geen geld voor woninginrichting. Dan moeten andere omstandigheden worden beoordeeld. Bijvoorbeeld of verzoekster huur betaalt, of zij de intentie heeft in de woning te gaan wonen, haar maatschappelijk leven daar vorm te gaan geven, of zij op het adres verblijft en hoe vaak.

Verzoekster stelt door het handelen van verweerder in een vicieuze cirkel terecht te zijn gekomen. Zij krijgt immers geen bijzondere bijstand en kan daardoor de woning niet inrichten, maar vervolgens constateert verweerder dat eiseres daar niet kan wonen omdat de woning niet is ingericht en zij dus geen woongenot biedt.

Verzoekster heeft ter ondersteuning van haar standpunt in de procedure nog nadere verklaringen alsmede bankafschriften overgelegd.

5.1.

In geschil zijn de afwijzingen van de aanvragen van verzoekster voor algemene bijstand en bijzonder bijstand. Bij beide afwijzingen is in geschil de beantwoording van de vraag of verzoekster woont op het adres van de haar toegewezen woning in [woonplaats] . De vraag waar iemand zijn woonadres heeft, moet worden beantwoord aan de hand van concrete feiten en omstandigheden. Daarbij is het aan verzoekster als aanvrager om in het algemeen de feiten en omstandigheden aannemelijk te maken die nopen tot inwilliging van die aanvraag. In dat kader dient de aanvrager de nodige duidelijkheid te verschaffen onder meer over de woon- en verblijfplaats. Vervolgens is het aan het uitkeringsverstrekkend orgaan om in het kader van de onderzoeksplicht deze inlichtingen op juistheid of volledigheid te controleren.

Daarbij is de te beoordelen periode voor de hier aan de orde zijnde aanvragen om bijstand de periode van de dag van de meldingen, 17 juni 2020, tot en met de data van de beslissingen op de aanvragen, respectievelijk 27 en 28 juli 2020.

5.2.

Vaststaat dat de bijstandsuitkering die verzoekster ontving van de gemeente [plaats] is beëindigd, omdat verzoekster de woning in [woonplaats] heeft geaccepteerd en zich op het adres in [woonplaats] heeft ingeschreven in de basisadministratie van Haarlemmermeer. Vaststaat verder dat verzoekster de huur van de woning in [woonplaats] betaalt. Verzoekster heeft deze woning niet direct betrokken en deze ook niet kunnen bewonen omdat, zo stelt verzoekster, zij niet over de middelen beschikt(e) om de woning in te richten. Toen verzoekster de woning in Haarlemmermeer kreeg toegewezen, heeft zij, blijkens haar verklaring, wel gelijk het blijfhuis in [plaats] verlaten vanwege de kosten alsmede vanwege de angst voor coronabesmetting. Dat verzoekster toen tijdelijk veel in [stad] verbleef om bij haar dochters te zijn en voor hen te zorgen alsmede dat zij ook regelmatig bij een familievriend in [stad] verbleef, kan haar in dit stadium van verhuizing van [plaats] naar [woonplaats] in beginsel daarom niet worden tegengeworpen. Aannemelijk is dat dit voor verzoekster een (tijdelijke) noodoplossing was omdat zij nog niet in de woning in [woonplaats] kon wonen. De aanvraag voor bijstandsverlening betreft immers tevens een aanvraag voor bijzondere bijstand voor kosten voor herinrichting. En die kosten zijn juist verbonden aan het verkrijgen van een nieuwe woning en daarmee aan het verkrijgen van een nieuwe woonstede in de gemeente Haarlemmermeer.

De voorzieningenrechter neemt verder in aanmerking dat uit de verblijfsgegevens die verzoekster in opdracht van verweerder aan de hand van google-coördinaten heeft geregistreerd, blijkt, dat verzoekster vanaf 15 juli 2020 in ieder geval gedurende een periode van 15 dagen achtereen dagelijks in [woonplaats] heeft verbleven. En bij een fysieke, onaangekondigde controle op 21 juli 2020 om 8.00 uur heeft de controleur van verweerder verzoekster ook daadwerkelijk aangetroffen in de woning in [woonplaats] .

Daarnaast heeft verzoekster in deze procedure verklaringen overgelegd van verschillende personen waarin wordt aangegeven dat verzoekster in de betreffende periode verbleef in [woonplaats] . Het betreft een verklaring van de maatschappelijk werker dat zij op 16 juli 2020 in de woning een huisbezoek bij verzoekster heeft afgelegd en verzoekster daar heeft aangetroffen alsmede verklaringen van onder meer de voorzitter van een kerkelijke instelling waaruit volgt dat verzoekster in de vijf weken voorafgaande aan 20 augustus 2020 is ondersteund met bonnen van de supermarkt en dat zij door de gemeenteleden is ondersteund met onder andere een fiets en met huisraad en dat zij in die periode regelmatig thuis is bezocht. De voorzieningenrechter heeft vooralsnog geen aanleiding om te twijfelen aan de waarheidsgetrouwheid van deze verklaringen. De inhoud van deze verklaringen komt bovendien overeen met de door verzoekster in deze procedure overgelegde bankafschriften over de periode van 5 juli 2020 tot en met 10 augustus 2020 waaruit blijkt dat verzoekster haar pinbetalingen in die periode nagenoeg alleen maar in [woonplaats] heeft gedaan.

De voorzieningenrechter komt dan ook tot de conclusie dat Haarlemmermeer de gemeente is waar verzoekster gedurende de hier te beoordelen periode haar woonplaats had.

5.3.

Dat verzoekster – zoals verweerder bij de verschillende eerdere aanvragen in aanmerking heeft genomen – vanaf september 2019 veel pinbetalingen in [stad] heeft verricht, doet daaraan niet af. Deze periode ligt overwegend buiten de periode die voor de hier aan de orde zijnde aanvraag relevant is. En voor zover verzoekster in de te beoordelen periode (tot en met 6 juli 2020) nog overwegend pinbetalingen in [stad] heeft verricht, is dat nog het gevolg van de omstandigheid dat haar verblijf in [stad] vooral als een tijdelijke noodoplossing is aan te merken.

Ook de bevindingen van de handhaver van verweerder op 21 juli 2020 over de aangetroffen situatie in de woning te [woonplaats] maakt de beoordeling niet anders. Verzoekster is destijds in de woning aangetroffen en heeft blijkens de rapportage verklaard dat aan de woning alle elementen die woongenot geven, op een matrasje op de kale vloer na, ontbreken. Deze bevindingen bevestigen dat verzoekster nog in een overgangsfase verkeerde, maar daar al wel verbleef.

6.1.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat ten tijde van de te beoordelen periode de gemeente Haarlemmermeer als de woonplaats van verzoekster moet worden aangemerkt. De voorzieningenrechter verwacht daarom dat het bestreden besluit van 27 juli 2020 ten aanzien van de algemene bijstand in bezwaar geen stand zal houden en zal daarom dit besluit schorsen. De voorzieningenrechter ziet aanleiding om ten aanzien van de algemene bijstand een voorziening te treffen en te bepalen dat verweerder aan verzoekster met ingang van 18 augustus 2020 een voorschot betaalt van 90% van de voor haar geldende bijstandsnorm, tot zes weken na het besluit op bezwaar.

6.2.

Wat betreft de bijzondere bijstand heeft verweerder subsidiair nog aan de weigering ten grondslag gelegd dat verzoekster niet heeft aangetoond dat zij geen beschikking heeft over duurzame gebruiksgoederen uit de voormalige echtelijke woning. Nog afgezien van de omstandigheid dat de woning in [stad] een gehuurde gestoffeerde woning betreft, waarbij ook duurzame gebruiksgoederen worden gehuurd en bovendien de dochters van verzoekster in die woning woonachtig zijn, laat dat onverlet dat het gaat om het inrichten van de geheel kale woning in [woonplaats] zodat verzoekster ook behoefte heeft aan andere goederen, zoals vloerbedekking, gordijnen, meubilair. Reeds daarom zal naar de verwachting van de voorzieningenrechter ook het bestreden besluit van 28 juli 2020 inzake de bijzondere bijstand geen stand kunnen houden in bezwaar. De voorzieningenrechter wijst daarom ook dit verzoek toe en bepaalt dat verweerder aan verzoekster bij wijze van voorschot per direct een bedrag van € 500,00 betaalbaar stelt.

7. Omdat de voorzieningenrechter het verzoek toewijst, bepaalt de voorzieningenrechter dat verweerder aan verzoekster de door haar betaalde griffierechten vergoedt.

8. De voorzieningenrechter veroordeelt verweerder in de door verzoekster gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.050,-(1 punt voor het indienen van het verzoekschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 525,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De voorzieningenrechter:

  • -

    schorst de bestreden besluiten tot zes weken na bekendmaking van de besluiten op bezwaar;

  • -

    bepaalt dat verweerder aan verzoeker bij wijze van voorschot met ingang van 18 augustus 2020 bijstand verleent tot 90% van de voor haar geldende bijstandsnorm, tot zes weken na bekendmaking van het besluit op bezwaar;

  • -

    bepaalt dat verweerder aan verzoeker bij wijze van voorschot als bijzondere bijstand voor herinrichtingskosten een bedrag van € 500,- betaalbaar stelt;

  • -

    draagt verweerder op het betaalde griffierecht van twee maal € 48,-, in totaal € 96,- aan verzoekster te vergoeden;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoekster tot een bedrag van € 1.050,-

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.R. ten Berge, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. H.H. Riemeijer, griffier. Deze uitspraak is gedaan op 14 september 2020. Als gevolg van maatregelen rondom het coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak, voor zover nodig, alsnog in het openbaar uitgesproken.

griffier voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.