Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2020:8692

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
27-10-2020
Datum publicatie
30-10-2020
Zaaknummer
8680955 \ VV EXPL 20-123
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Kort geding
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Huurrecht. Kort geding. Bevoegdheid Nederlandse kantonrechter. Uitleg concerngarantie. Gedaagde is aansprakelijk voor verplichtingen uit de huurovereenkomst tussen eiseres en (inmiddels) failliete concerngenoot. Naar voorlopig oordeel van de kantonrechter kan gedaagde zich beroepen op de verweermiddelen van de failliet. Coronacrisis moet als onvoorziene omstandigheid in de zin van artikel 6:258 BW worden beschouwd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
INS-Updates.nl 2020-0293
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Handel, Kanton en Insolventie

locatie Haarlem

Zaaknr./rolnr.: 8680955 \ VV EXPL 20-123

Uitspraakdatum: 27 oktober 2020

Vonnis van de kantonrechter in kort geding in de zaak van:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

Amedia Hotel B.V.

gevestigd te Schiphol-Rijk

eiseres

verder te noemen: Amedia

gemachtigde: mr. R. van Exter

tegen

1 de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
Hotel 2020 Airport B.V., voorheen genaamd Plaza BW Amsterdam B.V.

gevestigd te Schiphol-Rijk

gedaagde sub 1

verder te noemen: Hotel 2020

2 de rechtspersoon naar vreemd recht
Plaza Hotelgroup GmbH,
gevestigd te Heilbronn (Duitsland)

gedaagde sub 2
verder te noemen: Plaza Hotelgroup

gemachtigde: mr. G. Hamers

gedaagden sub 1 en 2 gezamenlijk te noemen: gedaagden

1 Het procesverloop

1.1.

Amedia heeft gedaagden op 18 augustus 2020 gedagvaard.

1.2.

Bij vonnis van 1 september 2020 van deze rechtbank is Hotel 2020 in staat van faillissement verklaard. In datzelfde vonnis is mr. R. Mulder tot curator benoemd. Mr. B. van Veen heeft bij brief van 14 september 2020 namens de curator verzocht het geding op grond van artikel 29 Faillissementswet te schorsen. Bij e-mailbericht van 15 september 2020 heeft de rechtbank aan partijen meegedeeld dat de zaak ten aanzien van Hotel 2020 is geschorst.

1.3.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 13 oktober 2020. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat partijen ter toelichting van hun standpunten, mede aan de hand van pleitaantekeningen, naar voren hebben gebracht. Voorafgaand aan de zitting heeft Plaza Hotelgroup bij brieven van 15 september 2020, 9 en 12 oktober 2020 nog stukken toegezonden. Op de zitting heeft Plaza Hotelgroup een (voorwaardelijke) tegenvordering ingesteld.

2 De feiten

2.1.

Amedia huurt van Nationaal Grondbezit B.V. sinds 1 juli 2015 de bedrijfsruimte aan de Boeingavenue 333-339 te Schiphol-Rijk (hierna ook: het gehuurde).

2.2.

Amedia verhuurde het gehuurde sinds april 2016 onder aan Hotel 2020 (destijds genaamd: Plaza BW Amsterdam B.V.). Hotel 2020 exploiteerde het gehuurde als Best Western hotel. De huurprijs bedraagt € 108.968,37 per maand.

2.3.

Plaza Hotelgroup is een concerngenoot van Hotel 2020.

2.4.

Op 27 mei 2016 heeft Plaza Hotelgroup aan Amedia een “Patronatserklärung” (hierna: de concerngarantie) afgegeven. Deze concerngarantie luidt, voor zover hier van belang:
“2. Patronatserklärung der Plaza Hotelgroup GmbH
(…)
Wir, die Firma Plaza Hotelgroup GmbH verpflichten uns hiermit gegenüber der Firma Amedia Hotel BV dafür Sorge zu tragen, dass die oben zu Punkt 1 angeführte Gesellschaft PLAZA BW Amsterdam BV bis zur vollständigen Erledigung der allfälligen Verpflichtungen aus dem Mietvertrag stets so geleitet und ausgestattet wird, dass sie jederzeit in der Lage ist, ihren gegenwärtigen und künftigen Verbindlichtkeiten der Firma Amedia Hotel BV gegenüber fristgerecht nachkommen zu können.


(…)


3. Rechtswahl, Zuständigkeit:
Diese Patronatserklärung unterliegt österreichischem Recht mit Ausnahme der kollisionsrechtlicher Rück- und/oder Weiterverweisungsbestimmungen. Sie ist bis zur Rückführung der oben angesprochenen Verbindlichkeiten unwiderruflich.

Für alle Streitigkeiten aus dieser Erklärung vereinbaren die Unterfertigten die Zuständigkeit des sachlich zuständigen Gerichtes in 4600 Wels.

4. Austausch Patronatserklärung gegen Bürgschaft :

Die Plaza Hotelgroup GmbH hat zu jederzeit, dass Recht, diese Patronatserklärung gegen eine abstrakte, unwiderrufliche, auf erste Anfordurung gestellte Bankgarantie eines deutschen oder österreichischen Bankinstitutes in der Höhe € 260.000,00 auszutauschen. Der Austausch erfolgt Zug um Zug.”.

2.5.

Sinds maart 2020 heeft Hotel 2020 geen huur meer aan Amedia betaald, behoudens een drietal deelbetalingen op 15 mei 2020 van in totaal € 119.865,22.

2.6.

Bij brieven van 8 april 2020, 8 mei 2020 en 17 juni 2020 heeft Amedia Hotel 2020 gesommeerd tot betaling van de achterstallige huurpenningen en het verschuldigde rioolrecht over te gaan waarbij tevens de wettelijke handelsrente is aangezegd.

2.7.

Bij brief van 13 mei 2020 heeft Hotel 2020 verzocht om kwijtschelding van de huur voor de maanden maart, april en mei 2020 en voor de maand juni 2020 voor de helft in verband met de coronapandemie. Daarnaast geeft Hotel 2020 aan dat zij verwacht per 15 juni 2020 het hotel te heropenen.

2.8.

Bij brief van 25 juni 2020 heeft Plaza Hotelgroup aan Amedia verzocht op grond van artikel 4 van de concerngarantie de concerngarantie in te wisselen voor een bankgarantie ter waarde van € 260.000,00.

2.9.

Bij (kruisende) brief van 26 juni 2020 heeft Amedia Plaza Hotelgroup gesommeerd de achterstallige betalingen van Hotel 2020 ad € 362.769,94 (inclusief rente) te voldoen, waarbij zij zich beroept op de concerngarantie.

2.10.

Bij brief van 10 juli 2020 heeft Amedia zowel Hotel 2020 als Plaza Hotelgroup nogmaals gesommeerd tot betaling van de achterstallige betalingen. Daarnaast heeft zij Hotel 2020 gesommeerd Amedia toegang tot het gehuurde te verschaffen en de exploitatie van het hotel per 17 juli 2020 te hervatten.

2.11.

Bij vonnis van deze rechtbank van 1 september 2020 is Hotel 2020 in staat van faillissement verklaard met benoeming van mr. R. Mulder tot curator. Op 4 september 2020 heeft de curator de onderhuurovereenkomst opgezegd. Oplevering van het gehuurde heeft plaatsgevonden op 13 oktober 2020.

2.12.

De huurachterstand van Hotel 2020 tot en met 13 oktober 2020 bedraagt € 688.609,78, exclusief wettelijke handelsrente.

3 De vordering

3.1.

Amedia heeft bij dagvaarding gevorderd dat de kantonrechter bij wijze van voorlopige voorziening:
I. (primair) Hotel 2020 veroordeelt de exploitatie van het gehuurde te hervatten, op straffe van verbeurte van een dwangsom;

II. (subsidiair) Hotel 2020 veroordeelt het gehuurde te ontruimen, op straffe van verbeurte van een dwangsom;
III. (in het geval van ontruiming) Hotel 2020 en Plaza Hotelgroup veroordeelt tot betaling van een voorschot op de schadevergoeding ten bedrage van € 1.674.722,37, althans een in goede justitie te betalen bedrag;
IV. Hotel 2020 en Plaza Hotelgroup veroordeelt tot betaling van achterstallige huur, het verschuldigde rioolrecht, de incassokosten, vertaalkosten en de contractuele boete voor te late betaling, tezamen uitkomend op een bedrag van € 458.764,57, vermeerderd met de wettelijke handelsrente;
V. Hotel 2020 en Plaza Hotelgroup veroordeelt de maandelijkse huurprijs voor iedere maand of gedeelte daarvan waarin huurder het gehuurde nog in gebruik heeft, althans geen ontruiming heeft plaatsgevonden, na juli 2020 te voldoen, bij gebreke waarvan Hotel 2020 en Plaza Hotelgroup te veroordelen tot betaling van de contractuele boete voor te late betaling, berekend op de wijze zoals overeengekomen in de onderhuurovereenkomst;

VI. Hotel 2020 en Plaza Hotelgroup veroordeelt tot betaling van de contractuele boete van € 250,00 per dag voor het staken van de exploitatie vanaf 17 juli 2020 tot de dag waarop Hotel 2020 de exploitatie hervat dan wel tot de dag waarop ingevolge dit vonnis het gehuurde wordt ontruimd;

VII. Hotel 2020 en Plaza Hotelgroup veroordeelt in de proceskosten.

3.2.

Ter zitting heeft Amedia de hiervoor onder I en II vermelde vorderingen met betrekking tot de exploitatie en de ontruiming van het gehuurde ingetrokken.

3.3.

Aan de vordering onder III heeft Amedia in haar dagvaarding ten grondslag gelegd dat Hotel 2020 op grond van de artikelen 6:74 en 6:96 BW en artikel 24 van de algemene bepalingen behorende bij de huurovereenkomst is gehouden tot vergoeding van alle kosten, schade en rente die het gevolg zijn van een tussentijdse beëindiging van de huurovereenkomst. Daarbij gaat het volgens Amedia om de verschuldigde huur en rioolrecht, beide tot het einde van de overeengekomen huurperiode, en om kosten van wederverhuur, incassokosten en rechtskundige bijstand. Het onder III gevorderde bedrag betreft een voorschot van 7,5% op deze totale kosten, die door Amedia worden begroot op € 21.899.395,99. Ter zitting heeft Amedia de grondslag van dit onderdeel van de vordering gewijzigd. Zij heeft erkend dat de vordering tot betaling van de huurpenningen tot het einde van de huurovereenkomst gelet op de rechtsgeldige opzegging van de onderhuurovereenkomst door de curator geen stand houdt, maar dat Plaza Hotelgroup op grond van de concerngarantie wel financieel aansprakelijk is voor het achterstallig onderhoud aan het hotel, het ontbreken van onderdelen van de inventaris en de schade aan de hoteldeuren die recentelijk aan het licht is gekomen.

3.4.

Aan de vorderingen onder IV, V en VI legt Amedia ten grondslag dat Hotel 2020 tekort is geschoten in de nakoming van haar verplichtingen uit de onderhuurovereenkomst door vanaf maart 2020, afgezien van deelbetalingen in mei 2020, de huur niet meer te voldoen. Amedia heeft ter zitting toegelicht dat de huurachterstand tot en met 13 oktober 2020 € 688.609,78 bedraagt. Ook heeft Hotel 2020 het verschuldigde rioolrecht ad € 40.256,82 niet voldaan. De gevorderde incassokosten ad € 15.000,00 grondt Amedia op artikel 30.1 van de algemene bepalingen en de gevorderde boete ad € 16.345,20 (berekend tot en met juli 2020) op artikel 25.3 van de algemene bepalingen. De gevorderde vertaalkosten ad € 1.545,90 heeft Amedia moeten maken voor een professionele vertaling van de stukken (beslagrekest en dagvaarding) naar het Duits ten behoeve van betekening aan Plaza Hotelgroup.

3.5.

Amedia legt aan de vorderingen tegen Plaza Hotelgroup ten grondslag dat Plaza Hotelgroup zich in artikel 2 van de concerngarantie garant heeft gesteld voor alle verplichtingen volgend uit de onderhuurovereenkomst.

4 Het verweer en de (voorwaardelijke) tegenvordering

4.1.

Plaza Hotelgroup betwist de vordering op formele en inhoudelijke gronden. Kort weergegeven heeft zij aangevoerd dat de kantonrechter zowel relatief als absoluut onbevoegd is van de vorderingen kennis te nemen en dat op het geschil Oostenrijks recht van toepassing is. Inhoudelijk heeft zij betoogd dat de concerngarantie ‘gecapt’ is op € 260.000,00, dat de vorderingen van Amedia onvoldoende aannemelijk zijn (vanwege het bestaan van een gebrek en onvoorziene omstandigheden) en dat sprake is van een aanzienlijk restitutierisico. Subsidiair heeft Plaza Hotelgroup nog een beroep gedaan op de derogerende danwel aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid. Ook heeft Plaza Hotelgroup het spoedeisend belang van Amedia betwist. Op de verweren van Plaza Hotelgroup wordt –voor zover van belang – hieronder bij de beoordeling nader ingegaan.

4.2.

Plaza Hotelgroup heeft een (voorwaardelijke) tegenvordering ingesteld, inhoudende dat Amedia dient te worden veroordeeld tot betaling van de werkelijke proceskosten. Plaza Hotelgroup heeft ter zitting aangegeven dat indien de kantonrechter van oordeel is dat zij bevoegd is van de vordering van Amedia kennis te nemen, Plaza Hotelgroup van deze vordering afziet.

5 De beoordeling

De relatieve en absolute bevoegdheid van de Nederlandse kantonrechter

5.1.

Omdat Plaza Hotelgroup in Duitsland is gevestigd, dragen de tegen haar ingestelde vorderingen een internationaalrechtelijk karakter. Daarom dienen ambtshalve de vragen te worden beantwoord of de Nederlandse rechter bevoegd is van de vorderingen kennis te nemen en zo ja, wélke Nederlandse rechter dat is.

5.2.

De vraag of de Nederlandse rechter bevoegd is moet worden beantwoord aan de hand van Verordening (EU) nr. 1215/2012 (hierna: Brussel I bis). Op grond van het eerste lid van artikel 24 Brussel I bis zijn, ongeacht de woonplaats van partijen, voor huur en verhuur van onroerende goederen bij uitsluiting bevoegd de gerechten van de lidstaat waar het onroerend goed gelegen is. Amedia heeft haar vorderingen gebaseerd op de concerngarantie die Plaza Hotelgroup aan haar heeft afgegeven. De garantie houdt kort weergegeven in dat Plaza Hotelgroup verklaart ervoor te zorgen dat Hotel 2020 haar huidige en toekomstige verplichtingen uit hoofde van de huurovereenkomst jegens Amedia altijd op tijd kan nakomen. Daarbij wordt expliciet verwezen naar de huurovereenkomst. Hiermee geldt dat Plaza Hotelgroup zich garant stelt voor de verplichtingen van de huurder die uit de huurovereenkomst voortvloeien. Daarmee bestaat een voldoende nauw verband tussen de onderhavige vorderingen en die huurovereenkomst. Dat maakt dat de vorderingen tot nakoming van de concerngarantie vorderingen betreffende een huurovereenkomst zijn als bedoeld in artikel 24 Brussel I bis.

5.3.

Weliswaar is in artikel 3 van de concerngarantie bepaald dat in geval van geschillen het gerecht in Wels (Oostenrijk) bevoegd is, maar van een exclusieve bevoegdheid op grond van artikel 25 lid 1 Brussel I bis, zoals door Plaza Hotelgroup is betoogd, is geen sprake. Artikel 25 lid 4 Brussel I bis bepaalt immers dat een forumkeuze die inbreuk maakt op de uit artikel 24 voortvloeiende exclusieve bevoegdheid, geen rechtsgevolg heeft. Dit betekent dat uitsluitend de Nederlandse rechter bevoegd is van het geschil kennis te nemen. Plaza Hotelgroup heeft in dit kader nog aangevoerd dat reeds voordat Amedia de dagvaarding aan Plaza Hotelgroup heeft laten uitbrengen een procedure aanhangig is gemaakt met betrekking tot hetzelfde onderwerp bij de rechtbank in Wels, zodat op grond van artikel 29 Brussel I bis de procedure zou moeten worden aangehouden. De kantonrechter verwerpt dit betoog. Nog afgezien van de betwisting door Amedia dat in Wels een procedure is opgestart vóór deze procedure, geldt dat als de laatst aangezochte rechter oordeelt dat hij op grond van artikel 24 exclusief bevoegd is tot kennisneming van het geschil, hetgeen hier het geval is, hij zijn uitspraak niet mag aanhouden, maar zich in afwijking van artikel 29 Brussel I bis exclusief bevoegd moet verklaren en op de bij hem aanwezige zaak ten gronde moet beslissen (zie, onder meer, HvJ EU 3 april 2014, C-438/12, ECLI:EU:C:2014:212).

5.4.

Plaza Hotelgroup heeft nog aangevoerd dat de kantonrechter niet absoluut bevoegd is van de vordering kennis te nemen omdat de door Amedia ingestelde vorderingen niet kunnen worden aangemerkt als ‘aardvordering’ in de zin van artikel 93 Rv aangezien de rechtsverhouding tussen partijen uitsluitend betrekking heeft op de concerngarantie. Evenmin kan de bevoegdheid volgens Plaza Hotelgroup worden gebaseerd op de samenhang met de vorderingen tegen Hotel 2020. Er bestaat geen rechtsregel op basis waarvan samenhangende vorderingen, in gevallen van subjectieve cumulatie bij samenhangende vorderingen die in beginsel bij verschillende sectoren van de rechtbank moeten worden aangebracht, toch door één en dezelfde rechter kunnen worden afgedaan, aldus Plaza Hotelgroup. Zoals hiervoor geoordeeld is de kantonrechter echter van oordeel dat de onderhavige vorderingen een huurovereenkomst betreffen. Artikel 103 Rv bepaalt dat in zaken betreffende de huur van bedrijfsruimte (in de zin van artikel 7:290 BW, zoals in dit geval) de rechter binnen wiens rechtsgebied het gehuurde is gelegen uitsluitend bevoegd is. Nu het gehuurde zich binnen het arrondissement van de rechtbank Noord-Holland bevindt, is de kantonrechter bevoegd van de vordering kennis te nemen. Ook het verweer van Plaza Hotelgroup dat geen sprake kan zijn van subjectieve cumulatie stuit hierop af.

5.5.

Nu de kantonrechter zich bevoegd acht van de vorderingen van Amedia kennis te nemen, dient de tegenvordering van Plaza Hotelgroup als niet langer gehandhaafd te worden beschouwd en behoeft hierop geen beslissing meer te worden genomen.

Toepasselijk recht

5.6.

Welk recht op het geschil van toepassing is dient, ambtshalve, te worden vastgesteld op basis van de Verordening (EG) nr. 593/2005 (hierna: Rome I). Deze verordening bepaalt in artikel 3 lid 1 dat een overeenkomst wordt beheerst door het recht dat de partijen hebben gekozen en dat deze rechtskeuze uitdrukkelijk kan worden gedaan of kan blijken uit de bepalingen van de overeenkomst of de omstandigheden van het geval. De kantonrechter heeft geconstateerd dat in de concerngarantie Oostenrijks recht van toepassing wordt verklaard, maar gelet op de standpunten van partijen over en weer, die geheel gestoeld zijn op het Nederlandse recht, is de kantonrechter van oordeel dat partijen inmiddels (impliciet) een keuze hebben gemaakt voor de toepasselijkheid van Nederlands recht. De conclusie is dat op het geschil Nederlands recht van toepassing is.


Schorsing van de procedure

5.7.

Omdat de procedure tegen Hotel 2020 op grond van artikel 29 Fw is geschorst, worden de vorderingen onder III tot en met VII alleen beoordeeld voor zover die betrekking hebben op Plaza Hotelgroup.

Spoedeisend belang

5.8.

De vordering in kort geding kan alleen worden toegewezen als Amedia daarbij een spoedeisend belang heeft. Dat is het geval, nu het hier onder meer gaat om een huurachterstand die bij het uitbrengen van de dagvaarding reeds was opgelopen tot vier maanden. Daarbij stelt Amedia dat zij de inkomsten nodig heeft om haar eigen betalingsverplichtingen aan Nationaal Grondbezit na te komen. Nu (dit onderdeel van) de hoofdvordering voldoende spoedeisend is om in kort geding te kunnen worden beoordeeld, zal de kantonrechter in verband met de proceseconomie ook beslissen over de (daarmee nauw verwante) andere vorderingen.
Gebrek en onvoorziene omstandigheden

5.9.

Plaza Hotel Group heeft betoogd dat de vorderingen in kort geding dienen te worden afgewezen omdat deze onvoldoende vaststaan. Zij heeft daartoe aangevoerd dat Hotel 2020 niet gehouden is de huurtermijnen waarop Amedia aanspraak maakt onverkort te voldoen als gevolg van (de overheidsmaatregelen in verband met en overige gevolgen van) de coronapandemie. Volgens Plaza Hotelgroup leveren de verregaande beperkingen in de exploitatie van hotels als direct gevolg van de pandemie in het licht van de huurovereenkomst tussen Hotel 2020 en Amedia een gebrek in de zin van artikel 7:204 BW althans een onvoorziene omstandigheid op. De bezetting van de hotels was in zeer korte tijd teruggelopen naar nagenoeg nihil. Door begin april 2020 het hotel te sluiten kon Hotel 2020 in elk geval op variabele kosten besparen. Volgens Plaza Hotelgroup heeft de pandemie in de maanden vóór het faillissement reeds voor Hotel 2020 klemmende gevolgen gehad waardoor de waardeverhouding tussen de wederzijdse prestaties ernstig is verstoord. Onder deze omstandigheden mag en mocht Amedia naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid geen ongewijzigde instandhouding van de huurovereenkomst verwachten, aldus Plaza Hotelgroup.

5.10.

De kantonrechter overweegt dat dit verweer alleen zou kunnen slagen indien sprake is van een voorwaardelijke concerngarantie, waarbij Plaza Hotelgroup zich kan beroepen op de verweermiddelen die Hotel 2020 heeft en niet van een abstracte concerngarantie, zoals door Amedia ter zitting is betoogd. Uit de jurisprudentie (met name ECLI:NL:HR:1998:ZC2716) moet worden afgeleid dat de vraag of een garantie voor de garantieverlener een beroep op de achterliggende overeenkomst uitsluit, van geval tot geval moet worden beantwoord door na te gaan welke zin betrokkenen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan de bewoordingen van de garantie mochten toekennen en wat zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Uit r.o. 3.4 van genoemd arrest volgt dat zelfs woorden als "on first demand" niet noodzakelijkerwijs met zich brengen dat een garantie naar haar aard in die zin een abstract karakter heeft, dat garantieverlener nimmer beroep toekomt op de achterliggende overeenkomst.

5.11.

De concerngarantie waarop Amedia zich beroept luidt als volgt: “Wir, die Firma Plaza Hotelgroup GmbH verpflichten uns hiermit gegenüber der Firma Amedia Hotel BV dafür Sorge zu tragen, dass die oben zu Punkt 1 angeführte Gesellschaft PLAZA BW Amsterdam BV bis zur vollständigen Erledigung der allfälligen Verpflichtungen aus dem Mietvertrag stets so geleitet und ausgestattet wird, dass sie jederzeit in der Lage ist, ihren gegenwärtigen und künftigen Verbindlichtkeiten der Firma Amedia Hotel BV gegenüber fristgerecht nachkommen zu können”. Naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter kan uit deze bewoordingen niet zonder meer worden afgeleid dat Plaza Hotelgroup geen beroep zou kunnen doen op de verweermiddelen die Hotel 2020 ten dienste staan. Ook anderszins heeft Amedia onvoldoende onderbouwd dat partijen een abstracte concerngarantie overeengekomen zijn. Aldus is er voorshands onvoldoende aanleiding om aan te nemen dat Plaza Hotelgroup in een eventuele bodemprocedure geen beroep zou kunnen doen op verweermiddelen die Hotel 2020 ten dienste staan.

5.12.

Vervolgens dient te worden beoordeeld of het voldoende aannemelijk is dat in een eventuele bodemprocedure een beroep op deze verweermiddelen slaagt. De vraag die daarbij dient te worden beantwoord is of van Hotel 2020 als huurder kan worden gevergd dat zij ondanks de coronapandemie ongewijzigd alle huurpenningen verschuldigd blijft en die onverkort aan Amedia dient te voldoen. Naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter is dat niet het geval. Voorshands wordt geoordeeld dat de coronacrisis, gelet op haar omvang en de gevolgen voor de economie en de maatschappij, als een onvoorziene omstandigheid in de zin van artikel 6:258 BW moet worden beschouwd. Partijen hebben deze pandemie en de gevolgen daarvan niet in de huurovereenkomst verdisconteerd, en mochten over en weer ook niet van elkaar verwachten dat dit wel het geval zou zijn. In dit kader heeft Plaza Hotelgroup aangevoerd dat de omzet van Hotel 2020 vanaf maart 2020 drastisch is gedaald tot nagenoeg nihil. Door begin 2020 het hotel te sluiten kon Hotel 2020 in elk geval variabele kosten besparen. Hoewel dus van een verplichte sluiting geen sprake is geweest, is naar het oordeel van de kantonrechter voldoende aannemelijk geworden dat het staken van de exploitatie van het hotel een direct gevolg is van de coronacrisis. De kantonrechter acht het aangewezen, de pijn (dat wil zeggen het financiële nadeel) over deze periode gelijkelijk over partijen te verdelen. Verwacht mag worden dat de bodemrechter tot een gelijk oordeel zou komen.

5.13.

Dat betekent dat Hotel 2020 over de periode van 15 maart 2020 tot aan 13 oktober 2020 50% van de overeengekomen huur verschuldigd is. De rekensom is dan als volgt. Hotel 2020 diende over de betreffende periode een bedrag van € 808.475,00 aan huur te betalen (de achterstallige huur van € 688.609,78 plus de deelbetaling van € 119.865,22). Op grond van het hiervoor overwogene is Hotel 2020 hiervan 50% aan Amedia verschuldigd, te weten € 404.237,50. Hierop dient de deelbetaling van € 119.865,22 in mindering te worden gebracht, zodat een huurachterstand resteert van € 284.372,28.

5.14.

Daarnaast vordert Amedia betaling van contractuele boete voor te late betaling. Plaza Hotelgroup heeft dit onderdeel van de vordering onvoldoende gemotiveerd betwist. Ook heeft zij geen verweer gevoerd tegen de wijze waarop deze boete door Amedia is berekend. De kantonrechter zal hier dan ook vanuit gaan. Wel zal de kantonrechter gelet op het hiervoor overwogene deze vordering beperken tot 50% van het op grond van de overeenkomst verschuldigde bedrag. Het komt er dan ook, concreet, op neer dat per maand slechts 0,5% van de maandelijkse huur aan boete verschuldigd is. Gelet hierop zal de kantonrechter deze vordering toewijzen zoals onder de beslissing is opgenomen.

5.15.

Verder vordert Amedia betaling van een contractuele boete van € 250,00 per dag voor het staken van de exploitatie vanaf 17 juli 2020 tot aan de dag dat exploitatie wordt hervat dan wel tot de dag waarop ingevolge dit vonnis het gehuurde wordt ontruimd. Ook deze vordering is door Plaza Hotelgroup onvoldoende gemotiveerd betwist. Ook deze vordering zal gelet op het voorgaande voor 50% worden toegewezen en worden beperkt tot 13 oktober 2020, de datum waarop de oplevering van het hotel heeft plaatsgevonden.

5.16.

Ook de vorderingen tot betaling van € 40.256,82 aan rioolrecht, € 15.000,00 aan incassokosten en € 1.545,90 aan vertaalkosten kunnen worden toegewezen. Plaza Hotelgroup heeft de verschuldigdheid van deze bedragen onvoldoende gemotiveerd betwist. De kantonrechter is van oordeel dat hetgeen hiervoor is overwogen met betrekking tot onvoorziene omstandigheden niet van toepassing is op deze posten, zodat deze in beginsel voor volledige vergoeding in aanmerking komen.

5.17.

Tevens heeft Amedia betaling gevorderd van € 1.674.722,37 aan schadevergoeding. Zoals hiervoor onder 3.3. weergegeven heeft Amedia de grondslag van dit onderdeel van de vordering ter zitting gewijzigd. Zij heeft betoogd dat Plaza Hotelgroup op grond van de concerngarantie financieel aansprakelijk is voor het achterstallig onderhoud aan het hotel, het ontbreken van onderdelen van de inventaris en de schade aan de hoteldeuren die recentelijk aan het licht is gekomen. Plaza Hotelgroup heeft naar het oordeel van de kantonrechter terecht bezwaar gemaakt tegen deze grondslagwijziging. Daarbij komt dat de gestelde schade niet is onderbouwd. De kantonrechter zal dit onderdeel van de vordering dan ook afwijzen.

Garantie gecapt?

5.18.

Plaza Hotelgroup heeft nog aangevoerd dat de concerngarantie beperkt is tot € 260.000,00. Omdat de toe te wijzen vordering meer dan € 260.000,00 bedraagt, zal de kantonrechter ook ingaan op dit verweer.

5.19.

Plaza Hotelgroup legt aan haar verweer artikel 4 van de concerngarantie ten grondslag waarin het volgende is bepaald: “Die Plaza Hotelgroup GmbH hat zu jederzeit, dass Recht, diese Patronatserklärung gegen eine abstrakte, unwiderrufliche, auf erste Anfordurung gestellte Bankgarantie eines deutschen oder österreichischen Bankinstitutes in der Höhe € 260.000,00 auszutauschen. Der Austausch erfolgt Zug um Zug.”. Plaza Hotelgroup voert aan dat de in de concerngarantie opgenomen ‘cap’ van € 260.000,00 niet anders kan worden uitgelegd dan in het licht van artikel 5 lid 4 van de huurovereenkomst1 en deze omwisselbepaling in de concerngarantie. Eerstgenoemd artikel verplicht Hotel 2020 namelijk niet tot het stellen van een bankgarantie van meer dan € 260.000,00 en de omwisselbepaling geeft Plaza Hotelgroup het recht om te allen tijde, een niet hogere bankgarantie dan € 260.000,00 in de plaats van de concerngarantie te stellen. Aldus blijkt nergens uit dat Plaza Hotelgroup zich op enigerlei wijze tot een hoger bedrag heeft willen verbinden dan die € 260.000,00, aldus Plaza Hotelgroup.

5.20.

Amedia heeft hiertegen verweer gevoerd. Zij voert aan dat de mogelijkheid van het omruilen van de concerngarantie voor een bankgarantie ervoor bedoeld was de huurder de mogelijkheid te bieden de vorm van de zekerheid te wijzigen. Van die mogelijkheid is geen gebruik gemaakt, als gevolg waarvan de concerngarantie en de mogelijkheid tot verstrekking van een bankgarantie naast elkaar zijn blijven bestaan. De gedachte hierbij was dat Plaza Hotelgroup in de eerste plaats een bankgarantie zou verstrekken, waarmee eventuele huurachterstanden tot drie maandhuren snel en makkelijk zouden kunnen worden voldaan. Voor zover de achterstand verder zou oplopen, zou Amedia de concerngarantie kunnen aanspreken, hetgeen een tijdrovender en kostbaarder proces is. Omdat de eerste achterstanden al met de bankgarantie voldaan zouden zijn, zou de schuld nooit zo hoog kunnen (zijn) op(ge)lopen als nu het geval is. Daarom is voor deze constructie gekozen, aldus Amedia ter zitting. Als de bankgarantie op een eerder moment al zou zijn verstrekt, dan hadden partijen deze procedure niet hoeven voeren. Het is evident nooit de bedoeling van partijen geweest bij het aangaan van de concerngarantie, en meer specifiek artikel 4 daarvan, om Plaza Hotelgroup een mogelijkheid te bieden onder haar betalingsverplichting uit te komen en daarmee Amedia in een (veel) slechtere rechtspositie te brengen. Integendeel, een zekerheid heeft juist tot doel de betalingsonmacht van een huurder op te vangen en zo te voorkomen dat een verhuurder schade lijdt, aldus Amedia.

5.21.

Bij deze stand van zaken, gelet op de uiteenlopende standpunten van partijen, zouden voor de uitleg van dit onderdeel van de concerngarantie de personen die bij de totstandkoming daarvan betrokken zijn geweest moeten worden gehoord. Dat gaat het beperkte kader van een kort geding te buiten. De kantonrechter acht echter de uitleg van Amedia voorshands aannemelijk. Immers, indien de uitleg van Plaza Hotelgroup gevolgd zou worden, dan dringt zich de vraag op wat de toegevoegde waarde is van de concerngarantie. Als het de bedoeling was om (te allen tijde) een beperking tot € 260.000,00 mogelijk te maken, dan hadden partijen kunnen volstaan met de bankgarantie zoals bedoeld in artikel 5 lid 4 van de huurovereenkomst. Dat Plaza Hotelgroup de (aanvullende) concerngarantie heeft afgegeven als blijk van goede wil en vriendschap, zoals ter zitting is betoogd, overtuigt niet. Immers, sprake is van grote, zakelijke concerns. Als het Plaza Hotelgroup te allen tijde (dus ook bij een huurachterstand die het bedrag van € 260.000,00 (ruimschoots) overstijgt) zou zijn toegestaan de concerngarantie om te wisselen, wordt Amedia een belangrijke vorm van zekerheid ontnomen. Het neemt bovendien (mogelijk) wat van de noodzaak weg (tijdig) alle huur te voldoen. Gelet hierop slaagt het beroep van Plaza Hotelgroup op de omwisselbepaling niet. Het verweer van Plaza Hotelgroup wordt dan ook verworpen.

Restitutierisico

5.22.

Ten slotte heeft Plaza Hotelgroup nog aangevoerd dat voorzienbaar is dat Amedia niet in staat zal zijn om een eerder door Plaza Hotelgroup betaald bedrag te restitueren, indien de vorderingen van Amedia in een bodemprocedure worden afgewezen. Vanwege dit restitutierisico dienen de vorderingen van Amedia te worden afgewezen, aldus Plaza Hotelgroup. De kantonrechter verwerpt dit verweer. Naar het oordeel van de kantonrechter is onvoldoende aannemelijk geworden dat Amedia niet in staat zou zijn tot terugbetaling indien de bodemrechter anders over de zaak oordeelt. Amedia maakt onderdeel uit van een groot concern. Daarbij komt dat de vorderingen van Amedia slechts voor een deel zullen wordt toegewezen.

5.23.

Gelet op het voorgaande behoeven de overige verweren van Plaza Hotelgroup, die zien op de derogerende danwel aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid geen bespreking meer.

5.24.

De conclusie is dat de vordering van Amedia zal worden toegewezen tot een bedrag van € 341.175,00, te vermeerderen met de niet-betwiste wettelijke handelsrente en contractuele boetes zoals hiervoor vermeld.

5.25.

Nu partijen over en weer op punten in het ongelijk zijn gesteld, is de kantonrechter van oordeel dat het redelijk is dat partijen ieder de eigen proceskosten dragen.

6 De beslissing

De kantonrechter:

6.1.

veroordeelt Plaza Hotelgroup tot betaling aan Amedia van € 284.372,28 aan achterstallige huur tot aan 13 oktober 2020, € 40.256,82 aan rioolrecht, € 15.000,00 aan incassokosten, € 1.545,90 aan vertaalkosten, een en ander vermeerderd met de wettelijke handelsrente vanaf de datum van verzuim tot aan de dag van de volledige voldoening;

6.2.

veroordeelt Plaza Hotelgroup tot betaling van 50% van de contractuele boete voor te late betaling van de huur over de maanden maart t/m oktober 2020, berekend op de wijze zoals overeengekomen in de onderhuurovereenkomst;

6.3.

veroordeelt Plaza Hotelgroup tot betaling van 50% van de contractuele boete van € 250,00 per dag voor het staken van de exploitatie vanaf 17 juli 2020 tot 13 oktober 2020;

6.4.

compenseert de proceskosten in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt ;

6.5.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

6.6.

wijst de vordering voor het overige af.

Dit vonnis is gewezen door mr. I. de Greef en op bovengenoemde datum in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.

De griffier De kantonrechter

1 Dit artikel luidt: “Der Untermieter wird dem Hauptmieter als Hauptpflicht nach diesem Vertrag für alle Zahlungsverpflichtungen aus diesem Vertrag eine schriftliche, unbefristete, unwiderrufliche, selbstschuldnerische Bankbürgschaft einer deutschen oder österreichischen Aktiengrossbank, Sparkasse oder Genossenschaftsbank oder Versicherungsgesellschaft in der Höhe von € 260.000,00 (in Worten: zweihundertsechzigtausend) bis zum Übergabe/Übernahme übergeben.”.