Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2020:8628

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
14-10-2020
Datum publicatie
04-11-2020
Zaaknummer
8357032 CV EXPL 20-2065
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Slapend dienstverband. Werkgever heeft in strijd met art. 7:611 BW gehandeld door aan de beëindiging van de arbeidsovereenkomst de voorwaarde te verbinden dat partijen elkaar finale kwijting verlenen. De vergoeding ex art. 7:611 BW wordt voor 50% toegewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2020-1311
Prg. 2021/28
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Handel, Kanton en Insolventie

locatie Haarlem

Zaaknr./rolnr.: 8357032 CV EXPL 20-2065

Uitspraakdatum: 14 oktober 2020

Vonnis van de kantonrechter in de zaak van:

[eiser]

wonende te [woonplaats]

eiser

verder te noemen: [eiser]

gemachtigde: mr. M.H. Horst

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
KLM Catering Services Schiphol B.V.

gevestigd en kantoorhoudende te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer

gedaagde

verder te noemen: KCS

gemachtigde: mr. R.A.C.G. Martens

1 Het procesverloop

1.1.

[eiser] heeft bij dagvaarding van 19 februari 2020 een vordering tegen KCS ingesteld. KCS heeft schriftelijk geantwoord.

1.2.

Op 17 september 2020 heeft een zitting plaatsgevonden. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van hetgeen partijen ter toelichting van hun standpunten naar voren hebben gebracht. [eiser] heeft gebruik gemaakt van pleitaantekeningen, die zijn overgelegd. Voorafgaand aan de zitting heeft [eiser] op 15 september 2020 een akte wijziging van eis overgelegd en op 17 september 2020 een aanvullende productie ingediend. KCS heeft bij brief van 9 september 2020 nog stukken toegezonden.

2 De feiten

2.1.

KCS verzorgt cateringmaaltijden voor vliegtuigmaatschappijen.

2.2.

[eiser] , geboren [in 1966] , is op 1 mei 1992 in dienst getreden bij KCS in de functie van Controleur Warehouse. Het overeengekomen brutoloon bedroeg laatstelijk
€ 3.495,99 per maand inclusief alle emolumenten.

2.3.

Op de arbeidsovereenkomst is de cao voor de Contractcateringsbranche (hierna: de cao) van toepassing.

2.4.

Artikel 48 van de cao, voor zover van belang, luidt als volgt:
‘ARTIKEL 48: Jubileumtoeslag
Bij een 12,5, 25-jarig respectievelijk 40-jarig dienstverband bij een werkgever ontvangt een werknemer ¼ maandsalaris, 1 maandsalaris dan wel 2x het maandsalaris. Bij de uitbetaling wordt gebruik gemaakt van de maximaal mogelijke fiscale vrijstellingen.’

2.5.

Op 15 augustus 2013 heeft [eiser] zich ziekgemeld.

2.6.

[eiser] heeft, in de periode 26 mei tot 27 juli 2015, bij de Gamma re-integratiewerkzaamheden verricht in het kader van het volgen van een 2e spoor traject.

2.7.

Sinds 11 augustus 2016 is tussen partijen sprake van een zogenoemd slapend dienstverband. [eiser] is voor 100% arbeidsongeschikt verklaard en ontvangt sinds laatstgenoemde datum een WIA-uitkering.

2.8.

Op 20 februari 2019 heeft [eiser] KCS verzocht het dienstverband te beëindigen.

2.9.

KCS heeft begin maart 2019 aan [eiser] voorgesteld om tot beëindiging van de arbeidsovereenkomst over te gaan, onder betaling van de transitievergoeding, tegen finale kwijting. Vanaf laatstgenoemde datum hebben partijen daarover overleg gevoerd.

2.10.

Bij brief van 10 december 2019 heeft KCS [eiser] erop gewezen dat het beëindigen van zijn arbeidsovereenkomst na 31 december 2019 invloed heeft op de hoogte van de transitievergoeding. De brief luidt, voor zover van belang, onder andere als volgt:
‘U ontvangt deze brief nu, omdat KCS wil voorkomen dat u over het bovenstaande pas in 2020 geïnformeerd wordt, waardoor u de mogelijkheid op de hogere vergoeding van de huidige Transitievergoeding misloopt.
Om in aanmerking te komen voor de ‘Transitievergoeding 2019’ is het nodig dat uw slapende dienstverband dus uiterlijk 31 december 2019 wordt beëindigd. Dat gebeurt door middel van een Beëindigingsovereenkomst.
Hoewel u het initiatief hebt genomen tot beëindiging van uw slapend dienstverband, doet KCS u hieronder het voorstel tot beëindiging van het slapend dienstverband. Daarbij betaalt KCS u een vergoeding ter hoogte van de Transitievergoeding (hierna aangeduid als ‘het Voorstel’).

Er zijn nu de volgende vier situaties mogelijk:
1. Aanvaardt u het Voorstel uiterlijk 20 december 2019 , dan:
1. wordt het slapende dienstverband per 31 december 2019 beëindigd, en
2. ontvangt u de Transitievergoeding 2019 ter hoogte van € 34.523,15 bruto, en
3. treft u de berekening aan in Bijlage 1
4. verzoeken wij u de Beëindigingsovereenkomst (Bijlage 2) te ondertekenen en
5. aan KCS terug te sturen met gebruikmaking van de retourenveloppe (Bijlage 3)

2. Aanvaardt u het Voorstel na 20 december 2019, dan:
1. heeft KCS niet voldoende tijd dit te verwerken voor 31 december 2019, en
2. wordt het slapende dienstverband pas in het jaar 2020 beëindigd, en
3. ontvangt u de (lagere) Transitievergoeding gebaseerd op de geldende berekening van
het jaar 2020
4. verzoeken wij u de Beëindigingsovereenkomst (Bijlage 2) te ondertekenen en aan KCS
terug te sturen met gebruikmaking van de retourenveloppe (Bijlage 3)

(...)

2.11.

In de door KCS bijgevoegde beëindigingovereenkomst staat onder meer de volgende bepaling:
‘9. Finale kwijting
Partijen verlenen elkaar over en weer finale kwijting met betrekking tot de arbeidsovereenkomst, de periode waarin het dienstverband slapend is geweest, de beëindiging van de arbeidsovereenkomst en anderszins.

Partijen verklaren hierbij dat zij ieder afstand doen van alle eventuele verdere rechten, aanspraken en vorderingen die hij heeft uit welke hoofde dan ook, met uitzondering van hetgeen Partijen in deze Beëindigingsovereenkomst zijn overeengekomen.

Partijen bevestigen dat zij geen (verwachte) vorderingen of aanspraken jegens elkaar hebben, anders dan de aanspraken verwoord in deze Beëindigingsovereenkomst.’

2.12.

Partijen hebben geen beëindigingsovereenkomst gesloten.

2.13.

KCS heeft vervolgens op 24 februari 2020 een aanvraag bij het UWV ingediend om de arbeidsovereenkomst met [eiser] te beëindigen. Het UWV heeft bij beslissing van 13 maart 2020 het verzoek van KCS toegewezen.

2.14.

Bij brief van 25 maart 2020 is door KCS de arbeidsovereenkomst van [eiser] per 31 juli 2020 opgezegd. KCS heeft een transitievergoeding van € 27.040,27 bruto aan [eiser] voldaan.

3 De vordering

3.1.

[eiser] vordert, primair, om KCS te veroordelen tot betaling van de transitievergoeding conform de ‘rekenregels 2019’ ad. € 34.524,00 met daarop in mindering gebracht de reeds betaalde transitievergoeding conform de ‘rekenregels 2020’ ad. € 27.040,27, zodat thans nog € 7.483,73 wordt gevorderd.

3.2.

Subsidiair verzoekt [eiser] om KCS te veroordelen tot betaling van de transitievergoeding conform de rekenregels 2020 alsmede een schadevergoeding gelijk aan het verschil tussen de transitievergoeding 2019 en de transitievergoeding 2020. [eiser] vordert subsidiair een schadevergoeding ter hoogte van € 7.483,73.

3.3.

Voorts verzoekt [eiser] , zowel primair als subsidiair, om KCS te veroordelen tot betaling aan [eiser] van een jubileumtoeslag ter hoogte van één bruto maandsalaris, hetgeen neerkomt op een bedrag van € 3.341,00 bruto, met veroordeling van KCS in de kosten van de procedure, waaronder het salaris van de gemachtigde alsmede de BTW over de proceskosten inbegrepen.

3.4.

[eiser] heeft aan zijn verzoek, samengevat, ten grondslag gelegd dat blijkens de Xella-uitspraak het uitgangspunt is dat een werkgever op verlangen van de werknemer meewerkt aan beëindiging van een slapend dienstverband door toekenning van een transitievergoeding. Aan die beëindiging zal de werkgever geen andere voorwaarden mogen verbinden, hetgeen in het onderhavige geval wel is gebeurd. Het opleggen van een finaal kwijtingsbeding bij een slapend dienstverband is in strijd met goed werkgeverschap (ECLI:NL:RBROT:2019:10266). Partijen hebben vóór 31 december 2019 geen overeenstemming bereikt aangezien KCS tot begin december 2019 heeft vastgehouden aan de finale kwijting in de beëindigingsovereenkomst. [eiser] is op 31 juli 2015, tijdens zijn werkzaamheden bij de Gamma, betrokken geraakt bij een bedrijfsongeval, zodat hij heeft geweigerd om in te stemmen met een finale kwijting. Tot slot heeft [eiser] op grond van artikel 48 van de cao recht op betaling van de jubileumtoeslag. De cao maakt geen onderscheid tussen actieve en inactieve werknemers om aanspraak te maken op de jubileumtoeslag.

4 Het verweer

4.1.

KCS betwist de vordering. Zij voert aan – samengevat – dat zij niet over informatie beschikt waaruit volgt dat [eiser] tijdens zijn werkzaamheden bij Gamma een bedrijfsongeval heeft gehad en dit evenmin uit de UWV-documentatie voortvloeit. Voorts heeft KCS in december 2019 zelf aangeboden om de finale kwijting uit de vaststellingsovereenkomst te verwijderen, zodat partijen tot overeenstemming zouden kunnen komen. Nu [eiser] na dit voorstel alsnog een regeling heeft tegengewerkt, dient de toekenning van de lagere transitievergoeding voor zijn rekening en risico te komen. KCS doet hiermee een beroep op eigen schuld (artikel 6:101 BW). Bovendien maakt [eiser] geen aanspraak op de jubileumuitkering, aangezien hij al geruime tijd inactief is bij KCS en een WIA-uitkering ontvangt. Slechts actieve werknemers, die loon ontvangen, hebben recht op de jubileumtoeslag.

5 De beoordeling

De transitievergoeding

5.1.

Met betrekking tot het verzoek van [eiser] tot toekenning van de transitievergoeding wordt als volgt overwogen. De primaire grondslag voor dit verzoek is dat de wettelijke transitievergoeding € 34.524,00 bedraagt, berekend aan de hand van de in 2019 geldende regelgeving. Nu [eiser] conform de rekenregels uit 2020 een transitievergoeding van
€ 27.040,27 heeft ontvangen, maakt hij nog aanspraak op een bedrag van € 7.483,73 aan transitievergoeding. De kantontrechter is van oordeel dat op deze grondslag de hogere transitievergoeding niet toewijsbaar is, aangezien de arbeidsovereenkomst van [eiser] in 2020 is beëindigd. Voor de hoogte van de transitievergoeding dient aangesloten te worden bij de berekening die uit het (nieuwe) artikel 7:673 BW voortvloeit en ook vanaf 1 januari 2020 geldt.

Vergoeding conform artikel 7:611 BW

5.2.

Daarmee komt de kantonrechter toe aan de beoordeling van het subsidiaire verzoek van [eiser] tot het toekennen van een vergoeding (ter hoogte van het verschil tussen de transitievergoeding in 2019 en 2020) op grond van artikel 7:611 BW.

5.3.

Voor de gevorderde schadevergoeding verwijst [eiser] naar de zogenoemde Xella-uitspraak van de Hoge Raad van 8 november 2019. Uit de Xella-uitspraak volgt dat als is voldaan aan de vereisten voor de beëindiging van de arbeidsovereenkomst wegens langdurige arbeidsongeschiktheid, als uitgangspunt geldt dat de werkgever gehouden is in te stemmen met een voorstel van de werknemer tot beëindiging van de arbeidsovereenkomst met wederzijds goedvinden, onder toekenning aan de werknemer van een vergoeding ter hoogte van de transitievergoeding.

5.4.

Het voorgaande toegepast op het onderhavige geval leidt tot het volgende.
De arbeidsovereenkomst tussen partijen is reeds vanwege langdurige arbeidsongeschiktheid beëindigd. [eiser] legt aan zijn vordering ten grondslag dat KCS in 2019 in strijd met artikel 7:611 BW niet met zijn voorstel tot beëindiging van de arbeidsovereenkomst heeft ingestemd. De kantonrechter stelt vast dat KCS het verzoek van [eiser] op 20 februari 2019 tot beëindiging van de arbeidsovereenkomst spoedig heeft opgevolgd. Ook heeft KCS met haar schrijven van 10 december 2019 [eiser] voldoende tijdig op de financiële gevolgen gewezen bij het beëindigen van de arbeidsovereenkomst na 31 december 2019.

5.5.

Ter zitting is vast komen te staan dat de gemachtigde van KCS op 24 december 2019 de gemachtigde van [eiser] heeft aangeboden om de finale kwijting uit de vaststellingsovereenkomst weg te laten om zodoende voor het einde van het jaar tot overeenstemming te komen. De kantonrechter concludeert dat de finale kwijting niet de reden is geweest waardoor partijen niet vóór het einde van 2019 tot overeenstemming zijn gekomen. Immers, [eiser] heeft tussen 24 december en 31 december 2019 nog de gelegenheid gehad om met de vaststellingsovereenkomst (zonder finale kwijting) akkoord te gaan.

5.6.

Ook is ter zitting gebleken dat de onderhandelingen tussen partijen vanaf 24 december 2019 spaak zijn gelopen wegens het geschil omtrent de verschuldigdheid van de jubileumtoeslag. Vaststaat dat de jubileumtoeslag in de afrondende fase van de onderhandelingen niet aan de orde is geweest en de gemachtigde van [eiser] dit voor het eerst op 24 december 2019 ter sprake heeft gebracht.

5.7.

De kantonrechter concludeert dat mede gelet op het late uur waarop de gemachtigde van [eiser] de jubileumtoeslag naar voren heeft gehaald de onderhandelingen in 2019 niet succesvol zijn afgerond. De kantonrechter oordeelt echter dat KCS in de eerste periode van onderhandelingen niet aan de beëindiging van de arbeidsovereenkomst de voorwaarde mocht verbinden dat partijen elkaar finale kwijting zouden verlenen. KCS heeft hiermee in strijd met het goed werkgevershap in de zin van artikel 7:611 BW gehandeld. Op grond hiervan oordeelt de kantonrechter dat KCS aan [eiser] een schadevergoeding op grond van artikel 7:611 BW verschuldigd is. De kantonrechter oordeelt evenwel tevens dat moet worden vastgesteld dat [eiser] evenzeer blaam treft ten aanzien van het niet voortvarend onderhandelen om vóór 2020 een beëindigingsovereenkomst te sluiten. De kantonrechter zal de gevorderde schadevergoeding van [eiser] dan ook voor niet meer dan 50% toewijzen.

Jubileumtoeslag

5.8.

De kantonrechter is met [eiser] van oordeel dat uit artikel 48 van de cao niet geconcludeerd kan worden dat de aanspraak op de jubileumtoeslag uitsluitend bedoeld is voor werknemers die actief zijn binnen de onderneming. KCS heeft deze lezing van artikel 48 van de cao onvoldoende onderbouwd. Het door [eiser] gevorderde bedrag is door KCS onvoldoende gemotiveerd weersproken en daarom zal van dat bedrag worden uitgegaan.
De jubileumtoeslag ter hoogte van € 3.341,00 bruto zal dan ook worden toegewezen.

Proceskosten

5.9.

Nu partijen over en weer op punten in het ongelijk zijn gesteld, is het redelijk dat partijen ieder de eigen proceskosten dragen.

6 De beslissing

De kantonrechter:

6.1.

veroordeelt KCS om aan [eiser] een vergoeding ex artikel 7:611 BW te betalen van
€ 3.741,86 bruto;

6.2.

veroordeelt KCS om aan [eiser] de jubileumtoeslag ter hoogte van
€ 3.341,00 bruto uit te betalen;

6.3.

verklaart vorenstaande betalingsveroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;

6.4.

bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt;

6.5.

wijst de vordering voor het overige af.

Dit vonnis is gewezen door mr. D.P. Ruitinga en op bovengenoemde datum in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.

De griffier De kantonrechter