Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2020:8623

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
24-09-2020
Datum publicatie
06-11-2020
Zaaknummer
15/062449-20
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Deels voorwaardelijke jeugddetentie en werkstraf voor jongvolwassene voor het begaan van een poging tot doodslag (schietincident op de openbare weg) en twee mishandelingen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Team Straf, locatie Alkmaar

Meervoudige strafkamer

Parketnummers: 15-062449-20 (A) en 15-013225-20 (B) (P)

Uitspraakdatum: 24 september 2020

Tegenspraak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 10 september 2020 in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum 1] te [geboorteplaats],

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres [adres 1].

De rechtbank heeft de zaken, die bij afzonderlijke dagvaardingen onder de bovenvermelde parketnummers zijn aangebracht, gevoegd. Deze zaken worden hierna als respectievelijk zaak A en zaak B aangeduid.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. A.M.H.G. Peters, en van wat verdachte en zijn raadsvrouw, mr. B. Roodveldt, advocaat te Zaandam, naar voren hebben gebracht.

1 Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat hij:

ten aanzien van zaak A

feit 1 primair

op of omstreeks 8 maart 2020 te Sint Pancras, gemeente Langedijk, in elk geval in Nederland ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [aangever 1] opzettelijk en met voorbedachten rade van het leven te beroven, (van een korte afstand) met een (vuur)wapen in de richting van voornoemde [aangever 1], die aan de bestuurderskant in een auto zat, heeft geschoten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;


feit 1 subsidiair

op of omstreeks 8 maart 2020 te Sint Pancras, gemeente Langedijk [aangever 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door (van een korte afstand) met een (vuur)wapen in de richting van voornoemde [aangever 1], die aan de bestuurderskant in een auto zat, te schieten;


feit 2

op of omstreeks 8 maart 2020 te Sint Pancras, gemeente Langedijk, in elk geval in Nederland [aangever 1] heeft mishandeld door met kracht met een (vuur)wapen en/of (een) vuist(en) in het gezicht, althans tegen het hoofd van voornoemde [aangever 1] te slaan;

ten aanzien van zaak B

op of omstreeks 15 januari 2020 te Alkmaar [aangever 2] heeft mishandeld door voornoemde [aangever 2] een of meermalen in het gezicht te slaan en/of stompen.

2 Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de afzonderlijk aangebrachte dagvaardingen geldig zijn, dat zij bevoegd is tot kennisneming van de zaken, dat het Openbaar Ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3 Beoordeling van het bewijs

3.1.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de feiten 1 primair en 2 in zaak A en het feit in zaak B, met dien verstande dat voor feit 1 primair in zaak A de impliciet verweten poging tot doodslag kan worden bewezen en vrijspraak moet volgen van het bestanddeel voorbedachte raad.

3.2.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft vrijspraak bepleit van feit 1 primair in zaak A. Verdachte heeft verklaard te hebben geschoten om [aangever 1] af te schrikken, maar niet met de intentie om hem van het leven te beroven. Uit het dossier blijkt dat verdachte met een vuurwapen heeft geschoten op de auto waarin [aangever 1] zat, maar het dossier bevat wat de raadsvrouw betreft onvoldoende bewijs voor de conclusie dat daarbij sprake was van voorbedachte raad en (voorwaardelijk) opzet op het toebrengen van dodelijk letsel aan [aangever 1]. Gelet op de wijze waarop verdachte heeft geschoten, namelijk gericht op het voorwiel, kan de gedraging slechts als de onder feit 1 subsidiair verweten bedreiging worden gekwalificeerd.

De raadsvrouw heeft verder bepleit dat de onder feit 2 in zaak A en de in zaak B verweten mishandelingen kunnen worden bewezen, met dien verstande dat voor feit 2 in zaak A niet kan worden bewezen dat verdachte met een vuurwapen in het gezicht van [aangever 1] heeft geslagen. Verdachte dient van dat onderdeel van de tenlastelegging te worden vrijgesproken.

3.3.

Oordeel van de rechtbank

3.3.1.

Redengevende feiten en omstandigheden

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van feiten 1 primair en 2 in zaak A en het feit in zaak B op grond van de feiten en omstandigheden in de bewijsmiddelen die in de bijlage bij dit vonnis zijn opgenomen. De rechtbank overweegt, voor zover verdachte deze feiten niet heeft bekend, als volgt.

3.3.2.

Feit 1 primair in zaak A

Op 8 maart 2020 vond een schietincident plaats op de openbare weg in Sint Pancras, in de gemeente Langedijk. Rond 14.30 uur stapte verdachte op de [straat] uit zijn auto en liep hij af op de daar tot stilstand gekomen auto van [aangever 1], die op dat moment in die auto op de bestuurdersstoel zat. Verdachte sloeg [aangever 1] eerst door het geopende raam in zijn gezicht. Toen [aangever 1] vervolgens wilde wegrijden, schoot verdachte met een vuurwapen op de auto. Het projectiel dat verdachte met het vuurwapen afvuurde, raakte het bestuurdersportier en kwam ongeveer tien centimeter onder het raam in het portier terecht.

De vraag die de rechtbank moet beantwoorden, is of het handelen van verdachte kan worden gekwalificeerd als een poging tot moord (primair), poging tot doodslag (impliciet primair), dan wel bedreiging (subsidiair).

Poging tot moord?

De rechtbank ziet zich allereerst voor de vraag gesteld of het schieten door verdachte moet worden gekwalificeerd als handelen met voorbedachte raad.

Als uitgangspunt geldt dat voor een bewezenverklaring van het bestanddeel voorbedachte raad moet komen vast te staan dat een verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of het genomen besluit en dat hij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, zodat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad, en zich daarvan rekenschap te geven. De vaststelling dat een verdachte voldoende tijd had om zich te beraden op het te nemen of het genomen besluit vormt weliswaar een belangrijke objectieve aanwijzing dat met voorbedachte raad is gehandeld, maar behoeft de rechter niet ervan te weerhouden aan contra-indicaties een zwaarder gewicht toe te kennen. Zo kunnen bepaalde omstandigheden of een samenstel daarvan de rechter uiteindelijk tot het oordeel brengen dat een verdachte in het gegeven geval niet met voorbedachte raad heeft gehandeld. (ECLI:NL:HR:2012:BR2342)

De rechtbank leidt uit de bewijsmiddelen af dat verdachte pas nadat hij [aangever 1] in zijn gezicht had geslagen en toen [aangever 1] met zijn auto probeerde weg te rijden, tot het besluit is gekomen om op de auto te schieten. Deze besluitvorming en de uitvoering zijn tot stand gekomen in een zeer korte tijdspanne en hebben plaatsgevonden onder plotseling ontstane, gespannen omstandigheden, wat een contra-indicatie betreft voor voorbedachte raad. De rechtbank is, de feiten en omstandigheden in onderling verband en samenhang bezien, van oordeel dat de bewijsmiddelen te weinig feiten omvatten voor de conclusie dat verdachte met voorbedachte raad heeft gehandeld. Dit leidt ertoe dat verdachte van dit deel van de tenlastelegging, van de verweten poging tot moord, zal worden vrijgesproken.

Poging tot doodslag

Bij de beantwoording van de vraag welk strafbaar feit het handelen van verdachte dan wel oplevert, is van belang waarop het (voorwaardelijk) opzet van verdachte was gericht, namelijk op het toebrengen van dodelijk letsel aan [aangever 1] of het bedreigen van [aangever 1].

Uit het verhandelde ter terechtzitting en de inhoud van het dossier kan niet worden vastgesteld dat verdachte zogenoemd boos opzet had op het intreden van de dood van [aangever 1].

Om te kunnen spreken van voorwaardelijk opzet op de dood moet komen vast te staan dat verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat het gevolg zal intreden, maar ook dat hij die kans ten tijde van de gedraging bewust heeft aanvaard of op de koop toe heeft genomen. Of in een concreet geval moet worden aangenomen dat sprake is geweest van voorwaardelijk opzet, zal afhangen van de feitelijke omstandigheden van het geval. Daarbij zijn van belang de aard van de gedragingen en de omstandigheden waaronder deze zijn verricht.

Uit de bewijsmiddelen leidt de rechtbank af dat verdachte, terwijl zijn vriend steeds aan zijn arm trok om hem tegen te houden, vanaf een korte afstand van een paar meter éénmaal met een vuurwapen heeft geschoten op de bestuurderskant van de auto van [aangever 1]. [aangever 1] zat achter het bestuurdersportier op de bestuurdersstoel. Wat er ook zij van de stelling van verdachte dat hij op het linker voorwiel richtte, uit het verhandelde ter terechtzitting is gebleken dat verdachte geen geoefend schutter is, dat hij nooit met dit vuurwapen had geschoten en dat hij ook niet wist hoe het vuurwapen zou reageren wanneer daarmee werd geschoten. Dat heeft verdachte er echter niet van weerhouden om het vuurwapen op de bestuurderskant van de auto te richten en daarmee te schieten.

Op grond van deze feiten en omstandigheden, in onderling verband en samenhang bezien, concludeert de rechtbank dat verdachte het risico heeft genomen dat hij [aangever 1] zou kunnen raken en dat hij dat risico ook willens en wetens heeft aanvaard. Het is algemeen bekend dat kogelverwondingen in vitale delen van het lichaam, zoals in het bovenlichaam en het hoofd, de dood tot gevolg kunnen hebben. Naar het oordeel van de rechtbank moet het er voor worden gehouden dat verdachte door te schieten welbewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat [aangever 1] door zijn handelen zou kunnen worden gedood. Dit alles leidt ertoe dat de rechtbank de onder feit 1 in zaak A impliciet primair verweten poging tot doodslag wettig en overtuigend bewezen acht.

3.3.3.

Feit 2 in zaak A

De rechtbank acht ook de onder feit 2 in zaak A verweten mishandeling wettig en overtuigend bewezen.

Op basis van de bewijsmiddelen acht de rechtbank bewezen dat verdachte [aangever 1] met een vuurwapen in het gezicht heeft geslagen. De verklaring van [aangever 1] dat verdachte naar zijn auto liep en hem door het geopende raam in het bestuurdersportier met het vuurwapen in zijn gezicht sloeg, vindt naar het oordeel van de rechtbank voldoende steun in de verklaring van getuige [getuige 1] en de verklaring van de getuige [getuige 2], die verklaart dat verdachte het wapen al in zijn hand had toen hij op het raampje tikte. Gelet hierop gaat de rechtbank voorbij aan de verklaring van verdachte dat hij [aangever 1] met zijn vuist in het gezicht zou hebben geslagen en pas daarna het vuurwapen zou hebben gepakt om ermee te schieten.

3.4.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte feiten 1 primair en 2 in zaak A en het feit in zaak B heeft begaan, met dien verstande dat hij:

ten aanzien van zaak A

feit 1 primair

op 8 maart 2020 te Sint Pancras, gemeente Langedijk, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [aangever 1] opzettelijk van het leven te beroven, van een korte afstand met een vuurwapen in de richting van voornoemde [aangever 1], die aan de bestuurderskant in een auto zat, heeft geschoten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

feit 2

op 8 maart 2020 te Sint Pancras, gemeente Langedijk, [aangever 1] heeft mishandeld door met kracht met een vuurwapen in het gezicht van voornoemde [aangever 1] te slaan;

ten aanzien van zaak B

op 15 januari 2020 te Alkmaar [aangever 2] heeft mishandeld door voornoemde [aangever 2] in het gezicht te slaan.

Wat aan verdachte onder deze feiten meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. Verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

4 Kwalificatie en strafbaarheid van de feiten

Het bewezenverklaarde levert op:

feit 1 primair in zaak A

poging tot doodslag;


feit 2 in zaak A en het feit in zaak B

telkens: mishandeling.

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is derhalve strafbaar.

5 Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is derhalve strafbaar.

6 Motivering van de sanctie

6.1.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat, gelet op het advies van de reclassering, het meerderjarigenstrafrecht wordt toegepast. De officier van justitie ziet geen aanwijzingen voor het toepassen van adolescentenstrafrecht, gelet op de aard van de bewezen geachte feiten en de persoon van verdachte, in die zin dat hij zelfstandig en leeftijdsadequaat functioneert en zijn eigen handelen organiseert. De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte, gelet op de ernst van de feiten en de richtlijnen van het Openbaar Ministerie enerzijds, en de persoon van verdachte anderzijds, met name zijn jeugdige leeftijd, zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 24 maanden, met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht, waarvan een deel van 12 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van drie jaren, onder de door de reclassering geadviseerde voorwaarden.

6.2.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft bepleit dat, gelet op het advies van de deskundigen in het pro Justitia rapport van 9 juni 2020, het adolescentenstrafrecht wordt toegepast. De raadsvrouw heeft verzocht om bij de strafoplegging, meer dan de officier van justitie, de persoon van verdachte te betrekken en gelet hierop te volstaan met oplegging van een gedeeltelijk voorwaardelijke gevangenisstraf, onder de door de reclassering geadviseerde voorwaarden, waarbij het onvoorwaardelijke deel daarvan gelijk is aan de dagen die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht, eventueel aangevuld met een onvoorwaardelijke taakstraf.

6.3.

Oordeel van de rechtbank

Bij de beslissing over de sanctie die aan verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede door de persoon van verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen.

Ernst van de feiten

Verdachte heeft op 8 maart 2020 op de openbare weg in Sint Pancras met een vuurwapen in het gezicht van [aangever 1] geslagen. Als gevolg hiervan heeft [aangever 1] letsel opgelopen. Verdachte heeft vervolgens éénmaal met dat vuurwapen op het bestuurdersportier van de auto van [aangever 1] geschoten, terwijl [aangever 1] op dat moment daarachter op de bestuurdersstoel zat. Aangenomen wordt dat verdachte hiervoor geen andere aanleiding had, dan een eerdere ruzie tussen [aangever 1] en een neef van verdachte, waarbij verdachte probeerde te bemiddelen. Deze ruzie is geëscaleerd, wat er kennelijk toe heeft geleid dat verdachte op (de auto van) [aangever 1] heeft geschoten. [aangever 1] is bij het schietincident niet gewond geraakt. Evenmin zijn omstanders gewond geraakt. Dit is evenwel niet te danken aan het handelen van verdachte.

Door op deze manier te handelen heeft verdachte blijk gegeven van een volstrekt gebrek aan respect voor het leven van zijn medemens. Verdachte heeft op een eerder moment een omgebouwd alarmpistool gekocht en had dat geladen, schietklare vuurwapen bij zich in zijn auto. Dat vuurwapen heeft verdachte vervolgens tegen [aangever 1] gebruikt. Hij deinst er kennelijk niet voor terug om ter beslechting van een ruzie op de openbare weg nodeloos vuurwapengeweld te gebruiken en daarmee de levens en gezondheid van anderen in gevaar te brengen. De rechtbank rekent verdachte dat zwaar aan.

Bij het bepalen van de aan verdachte op te leggen straf en de duur daarvan heeft de rechtbank acht geslagen op de straffen die rechtbanken en gerechtshoven in soortgelijke zaken plegen op te leggen. Gebeurtenissen als deze behoren tot een categorie strafbare feiten die ernstig inbreuk maken op de rechtsorde en rechtvaardigen naar het oordeel van de rechtbank naar hun aard in beginsel oplegging van geen andere straf dan een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Bij het bepalen van de straf heeft de rechtbank daarnaast in aanmerking genomen dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan mishandeling van [aangever 2]. Ook hier heeft verdachte ter beslechting van een (verkeers)ruzie op de openbare weg geweld gebruikt, door [aangever 2] in het gezicht te slaan. In de persoonlijke omstandigheden van verdachte ziet de rechtbank echter reden voor andersoortige strafoplegging.

Persoon van verdachte

Uit het uittreksel van het strafblad van verdachte van 18 juni 2020 blijkt dat hij in het verleden enkele strafbeschikkingen opgelegd heeft gekregen voor door hem begane overtredingen, maar dat hij niet eerder wegens het begaan van een misdrijf is bekeurd of veroordeeld. Dat betekent dat verdachte als een “first-offender” dient te worden aangemerkt.

De rechtbank heeft ook kennisgenomen van de inhoud van het pro Justitia rapport en de reclasseringsrapporten die omtrent verdachte zijn opgemaakt. In het pro Justitia rapport van 9 juni 2020 van [deskundige 1], gezondheidszorgpsycholoog in opleiding, onder supervisie van [deskundige 2], gezondheidszorgpsycholoog, staat beschreven dat er geen aanwijzingen zijn dat verdachte lijdt aan een ziekelijke stoornis of gebrekkige ontwikkeling van zijn geestvermogens. Ook zijn er geen aanwijzingen voor cognitieve beperkingen die zijn functioneren belemmeren. Verdachte maakt op de deskundigen een leeftijd overeenkomstige indruk en lijkt zijn gedrag in het algemeen zelfstandig te kunnen organiseren. Daarbij achten de deskundigen van belang dat verdachte nog thuis wonend is, dat hij financieel deels afhankelijk is van zijn ouders, dat hij niet opvallend impulsief of beïnvloedbaar imponeert en dat hij nog is ingebed in het ouderlijk milieu, waarbij sprake is van actieve deelname aan het gezinsleven. Verdachte houdt zich aan de regels en afspraken die binnen het gezin gelden, laat zich sturen en vaart niet volledig zijn eigen koers. De deskundigen beschrijven dat pedagogische sturing en invloed nog goed mogelijk is en ook door verdachte wordt gewenst. De deskundigen achten een pedagogische aanpak wenselijk. Daarnaast lijkt verdachte gebaat bij een groepsgericht leefklimaat. Gelet op al deze factoren zien de deskundigen overtuigende indicaties voor het toepassen van adolescentenstrafrecht.

In het reclasseringsrapport van 11 juni 2020 van [reclassering] is te lezen dat de reclassering in de persoon van verdachte geen zwaarwegende indicaties ziet om af te wijken van het toepassen van het meerderjarigenstrafrecht, nu verdachte (kort gezegd) in algemene zin functioneert zoals dat op basis van zijn leeftijd van hem verwacht mag worden en er geen interventie en/of maatregel nodig die alleen via het adolescentenstrafrecht beschikbaar is. Daarom adviseert de reclassering het meerderjarigenstrafrecht toe te passen. Om de kans op herhaling te beperken adviseert de reclassering verder oplegging van reclasseringstoezicht bij een (deels) voorwaardelijke straf, met als bijzondere voorwaarden een meldplicht, een ambulante behandeling bij [behandelinstelling] en een contactverbod met [aangever 1].

Jeugdstrafrecht

Verdachte was ten tijde van het plegen van het bewezenverklaarde 18 jaar oud. In beginsel wordt ten aanzien van meerderjarige daders het volwassenenstrafrecht toegepast. De rechtbank kan echter op grond van artikel 77c Wetboek van Strafrecht (Sr) het sanctierecht voor jeugdigen toepassen bij een verdachte die ouder is dan 18 jaar en niet ouder is dan 23 jaar, als zij daartoe grond vindt in de persoonlijkheid van de dader of de omstandigheden waaronder het feit is begaan.

De rechtbank ziet, anders dan de reclassering en de officier van justitie, in de persoonlijkheid van verdachte aanleiding om het jeugdstrafrecht toe passen. De rechtbank zoekt hiertoe aansluiting bij de hiervoor genoemde bevindingen van de deskundigen in het pro Justitia Rapport van 9 juni 2020. Deze bevindingen komen overeen met de indruk die de rechtbank ter terechtzitting zelf van de persoon van verdachte heeft gekregen.

Slotsom

Alles afwegende acht de rechtbank oplegging van een (gedeeltelijk voorwaardelijke) jeugddetentie van negen maanden op zijn plaats. De rechtbank acht verplicht contact met de reclassering en oplegging van de geadviseerde bijzondere voorwaarden daarbij noodzakelijk. Deze voorwaarden zal de rechtbank verbinden aan het voorwaardelijk op te leggen strafdeel. De rechtbank is van oordeel dat verdachte een stevige druk moet voelen niet opnieuw te vervallen in delictgedrag en zich te houden aan de bijzondere voorwaarden. De rechtbank zal daarom bepalen dat een gedeelte van zes maanden vooralsnog niet ten uitvoer zal worden gelegd en daaraan een proeftijd van langere duur verbinden, namelijk van drie jaren, met de bedoeling verdachte ervan te weerhouden zich voor het einde van de proeftijd opnieuw aan een strafbaar feit schuldig te maken en hem te ondersteunen in zijn voornemen zich te houden aan de op te leggen bijzondere voorwaarden. Verder zal de rechtbank aan verdachte ook een taakstraf opleggen, namelijk een werkstraf van 150 uren.

7 Vorderingen benadeelde partij

7.1.

Vordering van [aangever 1]

De benadeelde partij [aangever 1] heeft tegen verdachte een vordering ingediend tot betaling van € 9.175,37 schadevergoeding, wegens materiële (€ 1.675,37) en immateriële (€ 7.500,-) schade die de benadeelde partij als gevolg van feiten 1 primair en 2 in zaak A zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag.

Materiële schade

De rechtbank is van oordeel dat de eerste post van de door de benadeelde partij gestelde materiële schade, namelijk de door hem gemaakte reiskosten van € 83,72, die de raadsvrouw niet heeft betwist, rechtstreeks voortvloeit uit feiten 1 primair en 2 in zaak A. De vordering kan daarom in zoverre worden toegewezen.

De tweede post van de gestelde materiële schade, namelijk de autoschade, is onderbouwd met een schade-calculatierapport, waarin de reparatiekosten van de auto van de benadeelde partij zijn bepaald op € 1.494,85. In verband met het moeten laten opmaken van dit rapport heeft de benadeelde partij nog extra kosten van € 96,80 gemaakt. Dat brengt de tweede post in totaal op € 1.591,65. Verdachte heeft, zoals is bewezen verklaard, met een vuurwapen op de auto van de benadeelde partij geschoten, wat een gat in het bestuurdersportier heeft veroorzaakt. Het oorzakelijk verband tussen de gestelde schade en het handelen van verdachte, namelijk het bewezen verklaarde feit 1 primair in zaak A, is daarmee gegeven. Voor het oordeel dat de benadeelde partij schade heeft geleden, is blijkens vaste jurisprudentie niet noodzakelijk dat de benadeelde partij deze kosten al heeft voldaan. De rechtbank is daarom van oordeel dat ook deze materiële post voor vergoeding in aanmerking komt. De vordering zal op dit punt worden toegewezen.

Immateriële schade

De rechtbank is verder van oordeel dat, gelet op de ernst en aard van met name het bewezen verklaarde feit 1 primair in zaak A en de gevolgen daarvan voor de benadeelde partij, tevens vergoeding van immateriële schade billijk is. Gelet op de onderbouwing van de vordering in samenhang met het verhandelde ter terechtzitting, alsmede toegewezen vorderingen in soortgelijke strafzaken in aanmerking nemend, komt de rechtbank vergoeding van € 2.500,- billijk voor. De vordering zal in zoverre worden toegewezen. De rechtbank zal de benadeelde partij in het overige immateriële deel niet-ontvankelijk verklaren in de vordering.

Slotsom

Dit alles leidt tot de slotsom dat verdachte wordt verplicht tot betaling van € 4.175,37 aan [aangever 1], vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 8 maart 2020 tot aan de dag der algehele voldoening. De rechtbank verklaart de benadeelde partij in het overige (immateriële) deel van zijn vordering niet-ontvankelijk. De benadeelde partij kan dit deel van de vordering desgewenst bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Daarnaast wordt verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken. De tot op heden door de benadeelde partij gemaakte kosten worden vastgesteld op nihil.

7.2.

Vordering van [aangever 2]

De benadeelde partij [aangever 2] heeft tegen verdachte een vordering ingediend tot betaling van € 300,- schadevergoeding, wegens immateriële schade die de benadeelde partij als gevolg van het feit in zaak B zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag.

De rechtbank is van oordeel dat, gelet op de ernst en aard van het bewezen verklaarde feit in zaak B en de gevolgen daarvan voor de benadeelde partij, vergoeding van enige immateriële schade billijk is. Gelet op de onderbouwing van de vordering in samenhang met het verhandelde ter terechtzitting, alsmede toegewezen vorderingen in soortgelijke strafzaken in aanmerking nemend, komt de rechtbank vergoeding van € 200,- billijk voor. De vordering zal in zoverre worden toegewezen.

Verdachte wordt daarom verplicht tot betaling van € 200,- aan [aangever 2], vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 15 januari 2020 tot aan de dag der algehele voldoening. De rechtbank verklaart de benadeelde partij in het overige deel van zijn vordering niet-ontvankelijk. De benadeelde partij kan dit deel van de vordering desgewenst bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Daarnaast wordt verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken. De tot op heden door de benadeelde partij gemaakte kosten worden vastgesteld op nihil.

7.3.

Schadevergoedingsmaatregel

De rechtbank ziet aanleiding om in het belang van de genoemde benadeelde partijen, als extra waarborg voor betaling, ter zake van de vorderingen de schadevergoedingsmaatregel als bedoeld in artikel 36f Sr op te leggen.

8 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De wetsartikelen die van toepassing zijn, zijn de artikelen 36f, 45, 77c, 77i, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z, 77aa, 77gg, 287 en 300 Sr.

9 Beslissing

De rechtbank:

Verklaart bewezen dat verdachte feiten 1 primair en 2 in zaak A en het feit in zaak B heeft begaan zoals hiervoor onder 3.4. weergegeven.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte onder deze feiten meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.

Bepaalt dat de bewezen verklaarde feiten 1 primair en 2 in zaak A en het bewezen verklaarde feit in zaak B de hierboven onder 4. vermelde strafbare feiten opleveren.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een jeugddetentie voor de duur van 9 (negen) maanden.

Bepaalt dat de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van deze jeugddetentie in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Beveelt dat van deze jeugddetentie een gedeelte van 6 (zes) maanden niet ten uitvoer zal worden gelegd en stelt daarbij een proeftijd vast van 3 (drie) jaren.

Stelt als algemene voorwaarde dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.

Stelt als bijzondere voorwaarden dat verdachte:

  • -

    meldplicht: zich binnen vijf dagen na het ingaan van de proeftijd meldt bij [reclassering], op het adres [adres 2], en zich blijft melden op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt en op een door de reclassering te bepalen wijze.

  • -

    ambulante behandelverplichting: zich gedurende de gehele proeftijd, of zoveel korter als de reclassering nodig vindt, laat behandelen door [behandelinstelling] of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering. Daarbij houdt verdachte zich aan de huisregels van de zorgverlener en de aanwijzingen die de zorgverlener ten behoeve van de behandeling geeft.

  • -

    contactverbod: op geen enkele wijze – direct of indirect – contact heeft of zoekt met [aangever 1], geboren op [geboortedatum 2], zolang het Openbaar Ministerie dit verbod nodig vindt. De politie ziet toe op handhaving van dit contactverbod.

Geeft aan genoemde reclasseringsinstelling opdracht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden.

Stelt verder als voorwaarden dat verdachte is gehouden om, ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking te verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs (bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht) ter inzage aan te bieden en medewerking te verlenen aan het reclasseringstoezicht (bedoeld in artikel 77aa, eerste tot en met het vierde lid, Sr), de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclasseringsinstelling, zo vaak en zolang als de reclasseringsinstelling dit noodzakelijk acht, daaronder begrepen.

Veroordeelt verdachte tot het verrichten van een taakstraf van 150 (honderdvijftig) uren, in de vorm van een werkstraf, bij het niet of niet naar behoren verrichten daarvan te vervangen door 75 (vijfenzeventig) dagen jeugddetentie.

Wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij [aangever 1] geleden schade tot een bedrag van € 4.175,37 (eenenveertighonderd vijfenzeventig euro en zevenendertig cent), bestaande uit zowel materiële- als immateriële schadevergoeding, en veroordeelt verdachte tot betaling van dat bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 8 maart 2020 tot aan de dag der algehele voldoening, aan de benadeelde partij, tegen behoorlijk bewijs van kwijting.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige (immateriële deel) niet-ontvankelijk in de vordering.

Veroordeelt verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.

Legt verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van de benadeelde partij [aangever 1] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 4.175,37, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 8 maart 2020 tot aan de dag der algehele voldoening, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 51 (éénenvijftig) dagen jeugddetentie. De toepassing van deze gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.

Wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij [aangever 2] geleden schade tot een bedrag van € 200,- (tweehonderd euro), bestaande uit immateriële schadevergoeding, en veroordeelt verdachte tot betaling van dat bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 15 januari 2020 tot aan de dag der algehele voldoening, aan de benadeelde partij, tegen behoorlijk bewijs van kwijting.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering.

Veroordeelt verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.

Legt verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van de benadeelde partij [aangever 2] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 200,-, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 15 januari 2020 tot aan de dag der algehele voldoening, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 4 (vier) dagen jeugddetentie. De toepassing van deze gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.

Bepaalt dat betalingen aan de genoemde benadeelde partijen [aangever 1] en [aangever 2] in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat omgekeerd betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partijen.

Heft op het al geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van verdachte.

Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door

mr. N. Cuvelier, voorzitter,

mr. M.H. Affourtit-Kramer en mr. S.J. Riem, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffier, mr. P.H. Boersma,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 24 september 2020.