Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2020:8551

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
22-10-2020
Datum publicatie
26-10-2020
Zaaknummer
C/15/305175 / KG ZA 20-408
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling van moeder tot nakoming van omgangsregeling + dwangsom.

Vast is komen te staan dat de moeder al langdurig eenzijdig de omgangsregeling wijzigt en beperkt. Ook afspraken die door tussenkomst van hulpverlenende instanties waren gemaakt, heeft de moeder veranderd. Ter zitting heeft de moeder te kennen gegeven dat zij graag zou zien dat de omgang tussen de vader en [minderjarige] anders loopt. Op dit moment ziet zij echter nog steeds zorgelijke signalen bij [minderjarige], die door de vader niet worden (h)erkend.

In het kader van de beoordeling in deze procedure wijst de voorzieningenrechter ouders erop dat het volgende – in soortgelijke gevallen gesignaleerde – gedrag ernstige zorgen baart: vanuit een heftig loyaliteitsconflict kan door het kind op den duur voor één van de ouders gekozen worden en wordt de andere ouder buitengesloten, wat kan leiden tot ouderonthechting. Ouderonthechting heeft langdurige en (zeer) ernstige consequenties voor het kind en de latere volwassene.

Uit het eindverslag van het behandelplan van Altra van 24 september 2020 blijkt dat er geen contra-indicaties zijn tegen uitvoering van de omgangsregeling. Altra benadrukt dat [minderjarige] behoefte heeft aan controle en voorspelbaarheid in het spel en de omgang met ouders. De voorzieningenrechter stelt vast dat het niet in het belang van [minderjarige] is om de huidige situatie waarin het contact tussen hem en zijn vader beperkt en niet voorspelbaar is, te laten voortduren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Handel, Kanton en Insolventie

Zittingsplaats Haarlem

zaaknummer / rolnummer: C/15/305175 / KG ZA 20-408

Vonnis in kort geding van 22 oktober 2020

in de zaak van

[eiser] ,

wonende te [plaats] ,

eiser

advocaat mr. J. Borsch te Tolbert,

tegen

[gedaagde] ,

wonende te [plaats] ,

gedaagde

advocaat mr. M.A. Johannsen te Amsterdam.

Partijen zullen hierna de vader en de moeder genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding, met bijlagen;

- twee brieven, met bijlagen, van de advocaat van moeder van 11 augustus 2020;

- het verweerschrift van de moeder van 11 augustus 2020;

- de brief, met bijlagen, van de advocaat van de vader van 29 september 2020.

1.2.

De mondelinge behandeling is gestart op 13 augustus 2020 in aanwezigheid van de vader, bijgestaan door mr. K.S. Lindeman (kantoorgenoot van mr. J. Borsch) en de moeder, bijgestaan door mr. M.A. Johannsen.

Tijdens deze behandeling heeft de advocaat van de moeder de wraking van de rechter verzocht.

1.3.

Bij beslissing van de wrakingskamer van 7 september 2020 is het wrakingsverzoek afgewezen en is de voortzetting van de zaak in de stand ten tijde van het indienen van het wrakingsverzoek bevolen.

1.4.

De mondelinge behandeling is voortgezet op 5 oktober 2020 in aanwezigheid van de vader, bijgestaan door mr. K.S. Lindeman en de moeder, bijgestaan door mr. M.A. Johannsen. Namens de Raad voor de Kinderbescherming, hierna te noemen: de Raad, was aanwezig [vertegenwoordiger van de raad] .

Mr. Johannsen heeft gepleit overeenkomstig de door haar overgelegde spreekaantekeningen.

2 De vaststaande feiten

2.1.

Partijen hebben tot het najaar van 2016 een affectieve relatie met elkaar gehad.

2.2.

Het minderjarige kind van partijen is [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] te [plaats] , hierna te noemen: [minderjarige] . De vader heeft [minderjarige] erkend. De moeder heeft van rechtswege het gezag over [minderjarige] . De hoofdverblijfplaats van [minderjarige] is bij de moeder.

2.3.

In het door beide partijen op 30 januari 2017 ondertekende ouderschapsplan is, voor zover thans relevant, het volgende vermeld:

(…)

3. Bezoekregeling en vakantieverdeling

3.1

Ouders hebbende volgende bezoekregeling met elkaar afgesproken

Elke week op maandagmiddag en donderdagmiddag tussen 13.00 en 18.00 uur gaat

[minderjarige] naar zijn vader, is het “papadag’. Door omstandigheden is moeder de maanden

voorafgaand aan het opstellen en ondertekenen van dit plan aanwezig geweest hij de

bezoekregeling.

Ouders vinden het prettig om deze gezamenlijkheid voort te zetten, maar vader wil ook

graag zelf de zorg dragen voor [minderjarige] op de middagen dat hij bij vader is.

Ouders zijn dan ook overeengekomen dat [minderjarige] vanaf januari 2017 een keer in de

maand, ook een dag naar vader gaat van 7.30 tot 18.00 uur.

Moeder zal er de eerste dag bij blijven, maar daarna zal [minderjarige] bij vader zijn en draagt

vader de zorg voor hem.

Een keer in de week zal [minderjarige] alleen bij vader zijn, de andere keer zal moeder er bij zijn.

Ouders stellen elkaar via de what’s app uiterlijk 2 dagen van te voren op de hoogte of het

een gezamenlijke afspraak zal zijn, of een met alleen vader.

Ook als de dag verandert in verband met activiteiten voor [minderjarige] , of waar [minderjarige] bij kan

zijn, stellen ouders elkaar uiterlijk 2 dagen van te voren op de hoogte.

Brengen en halen wordt door ouders in onderling overleg geregeld.

Ouders realiseren zich dat de afspraken die zij nu maken afgestemd zijn op de leeftijd

van [minderjarige] en de woonsituatie van beide ouders en dat zij de afspraken dienen aan te

passen aan de leeftijd en de ontwikkeling van [minderjarige] .

De eerste verandering zal plaatsvinden op het moment dat moeder een eigen woning

heeft. Dan zal [minderjarige] ook bij vader gaan slapen.

Ouders blijven met elkaar in overleg om de bezoekregeling aan te passen indien de

situatie daar om vraagt

Tevens zijn ouders overeengekomen dat, gezien de opbouw van de bezoekregeling, er

ook in weekenden en vakanties een opbouw zal zijn. Wanneer [minderjarige] kan praten, achten

ouders hem groot genoeg om naar een kinderdagverblijf te gaan en om alleen mee op

vakantie te gaan met vader.

3.2

Afspraken rondom verjaardagen, feestdagen en vakanties

Ouders zijn met elkaar overeengekomen dat alle feestdagen in overleg worden verdeeld,

en zoveel mogelijk bij helfte.

Ook de vakantieverdeling wordt door ouders overlegd, waarbij zij zoveel als mogelijk

rekening houden met elkaars werkzaamheden.

(…)”

2.4.

De vader is in hoger beroep gekomen van het vonnis van de voorzieningenrechter

van 20 december 2017. Ter gelegenheid van de behandeling van het hoger beroep door het

hof, hebben partijen op 12 april 2018 het volgende afgesproken:

1. Partijen starten zo snel mogelijk met systeemtherapie.

(…)

3. Met ingang van de week van maandag 16 april 2018 zal [minderjarige] gedurende zes weken

tweemaal per week een dag van 9:00 uur ‘s morgens tot 19.00 uur ‘s avonds bij de man

verblijven. Na verloop van deze zes weken zal [minderjarige] eenmaal per twee weken van

dinsdagmiddag 15.00 uur tot woensdagavond 19:00 uur bij de man verblijven. In de

week dat [minderjarige] hij de man overnacht, zal hij daarnaast de zaterdag of de zondag van

9.00

uur tot 19.00 uur bij de man verblijven. In de andere week zal [minderjarige] twee niet

opeenvolgende dagen van 9.00 uur tot 19.00 uur bij de man verblijven.

4. Partijen kunnen in onderling overleg tot een uitbreiding van deze omgangsregeling

komen.

(…)

7. Aan het vonnis in eerste aanleg kunnen geen rechten meer worden ontleend,

(…)”

2.5.

Bij vonnis in kort geding van de voorzieningenrechter van deze rechtbank van

5 december 2018 is bepaald dat partijen met ingang van 1 december 2018 uitvoering zullen geven aan een omgangsregeling waarbij [minderjarige] wekelijks op maandag en dinsdag en om de week op zaterdag of zondag bij de vader is, een en ander met inachtneming van hetgeen is

overwogen onder 4.2 van dat vonnis. In die rechtsoverweging is, voor zover thans relevant, vermeld:

“ (…) Ter zitting hebben partijen overeenstemming bereikt over een nieuwe omgangsregeling (hierna: de regeling), waarmee op 1 december wordt gestart.

Voor deze regeling gelden de volgende uitgangspunten:

- - [minderjarige] is elke week bij de vader op maandag en dinsdag, van 8.00 uur tot 19.00 uur de

volgende dag. De vader bepaalt zelf of [minderjarige] naar de opvang gaat;

-- - [minderjarige] is om de week op zaterdag óf zondag overdag bij de vader, zodanig dat hij iedere maand een zaterdag én een zondag bij de vader is.

Als [minderjarige] op zaterdag bij de vader is, wordt hij door hem om 8.00 uur hij de moeder

gehaald en om 19.00 uur door de moeder opgehaald.

Op zondag is de omgang van 9.00 uur tot 19.00 uur en wordt [minderjarige] gebracht en gehaald

door de moeder.

Het schema wordt steeds twee weken vooraf gecommuniceerd, waarbij de vader aan de

moeder aangeeft in welke week [minderjarige] op zaterdag bij hem is en in welke week op zondag

- (…)

- Partijen gaan zo spoedig mogelijk het traject ‘Ouderschap Blijft’ volgen;

(…)”

2.6.

In de mail van de moeder aan de vader van 10 april 2020, in kopie verzonden naar het Jeugdteam en Altra, is het volgende vermeld:

“ Dag allemaal,

De laatste keer heb ik een verkeerde inschatting gemaakt over de omgang. [eiser] wilde [minderjarige] van maandag t/m donderdag en ik zei dat dat om de week oké is (andere week t/m woensdag). Maar omdat school nu weg valt is dit heel veel uur achter elkaar.

Ik denk dat het voor [minderjarige] beter is als hij elke week van maandagochtend 09.00 tot woensdagmiddag 13.00 uur bij [eiser] is. Dat is al heel ruim genomen. Normaal ziet hij [eiser] van maandag 14.00 uur tot woensdag 08.30 uur. Dus hij ziet jou ( [eiser] ) al eerder op maandag en ook langer op woensdag. Ik breng hem maandags (09.00 uur) en jij brengt hem woensdags (13.00 uur). Ik denk dat we dan zo goed zitten. Hopelijk kan school in de maand mei weer open. (…)”

2.7.

De moeder heeft de vader per mail van 7 mei 2020, in kopie verzonden naar het Jeugdteam en Alta, het volgende te kennen gegeven:

“Voor de omgang mei wil ik t houden bij maandagochtend 08.00 uur tot woensdag 13.00 uur. Om verplaatsingen te minimaliseren geen weekenddagen in mei. Omdat [minderjarige] alleen dinsdag naar school gaat heb je hem al langer dan normaal en komt t redelijk in de buurt qua tijd. Omdat het nog allemaal heel pril is in deze Corona tijd wil ik liever voorzichtig zijn dan te vrij. Ook zijn wij totaal niet in een stadium om omgang uit te breiden. [minderjarige] vertoont weer vreemd gedrag. (...)”

2.8.

De moeder heeft de vader op 24 juni 2020 per email het volgende laten weten:

“ (…) Afgelopen donderdag heb ik met de juffen gesproken van [minderjarige] . [eiser] wilde niet deelnemen aan dit gesprek. Zij vertelden mij dat [minderjarige] is veranderd sinds de lockdown. Teruggetrokken, komt vermoeid over en slaat nu zelfs klasgenootjes. Hij is niet meer zoals ze hem kennen.

Ik ervaar hem ook als agressief en mijn moeder heeft nu ook al meegemaakt dat hij haar slaat en schopt.

Ik denk dat het beter is voor [minderjarige] als we de omgang in de zomervakantie doen van

maandagochtend 08.00 uur tot dinsdagavond 19.15 uur. En een zaterdag en zondag in de maand.

Dat is eigenlijk ook de originele afspraak. De omgang was net voordat [eiser] een maand naar Bali ging uitgebreid en in juni zouden we evalueren. We hebben ook nooit met [naam] besproken hoe de omgang zou zijn ttv vakanties. Doordat school wegviel door de lockdown werd de omgang ook uitgebreid.

Ik signaleer zeer verontrustend gedrag bij [minderjarige] sinds de uitbreiding van de omgang en mijn ouders en de school bevestigen dit. (…)”

3 Het geschil

3.1.

De vader vordert dat de voorzieningenrechter bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

Primair:

1. zal bepalen dat tot het moment dat er een beschikking in de bodemzaak is gegeven een voorlopige zorg- en contactregeling wordt vastgesteld, die inhoudt dat:

a. [minderjarige] om de week van vrijdag uit school (of 14.00 uur indien er geen school

is) tot maandag naar school bij de vader verblijft;

b. [minderjarige] iedere maandag uit school (of 8.00 uur als er geen school is) tot

woensdag naar school (of 14.00 uur als er geen school is) bij de vader verblijft;

c. [minderjarige] de helft van de schoolvakanties in het schooljaar 2020-2021 bij de vader zal verblijven, waarbij [minderjarige] de herfstvakantie, de eerste helft van de kerstvakantie, de eerste helft van de meivakantie en de eerste drie weken van de zomervakantie 2021 bij de vader zal verblijven en de overige vakantiedagen bij de moeder;

d. althans een zodanige zorg- en contactregeling zal bepalen als de voorzieningenrechter juist acht;

Subsidiair:

II. zal bepalen dat tot het moment dat er een beschikking in de bodemzaak is

gegeven een voorlopige zorg- en contactregeling wordt vastgesteld, die inhoudt dat:

a. [minderjarige] iedere maandag uit school (of 8.00 uur als er geen school is) tot

woensdag naar school (of 14.00 uur als er geen school is) bij de vader verblijft

alsmede iedere maand één zaterdag én één zondag, waarbij de vader [minderjarige] op

zaterdag om 8.00 uur ophaalt en de moeder hem om 19.00 weer de bij vader ophaalt en waarbij de moeder [minderjarige] op zondag om 8:00 uur naar zijn vader

brengt;

b. op de dagen dat [minderjarige] op zondag bij de vader verblijft hij bij zijn vader blijft

slapen en tot woensdag bij hem zal verblijven;

d. (de rechtbank leest: c) [minderjarige] de helft van de schoolvakanties in het schooljaar 2020-2021 bij de vader zal verblijven, waarbij [minderjarige] de herfstvakantie, de eerste helft van de kerstvakantie, de eerste helft van de meivakantie en de eerste drie weken van de zomervakantie 2021 bij de vader zal verblijven en de overige vakantiedagen bij de moeder;

e. (de rechtbank leest: d) althans een zodanige zorg- en contactregeling zal bepalen als de voorzieningenrechter juist acht;

Primair en subsidiair

III. zal bepalen dat de moeder een dwangsom verbeurt van € 500,00 voor elke keer en iedere dag dat zij niet voldoet aan de veroordeling onder I of II, met een maximum

van € 25.000,00.

3.2.

De vader legt – samengevat – het volgende aan zijn vordering ten grondslag. . Partijen zijn in januari 2020 een zorg- en contactregeling overeengekomen, zoals neergelegd in de hiervoor onder 2.6 vermelde email van de moeder van 10 april 2020. Daarnaast is de afspraak gehandhaafd dat [minderjarige] iedere maand een zaterdag en een zondag (niet in hetzelfde weekend) bij de vader verblijft, waarbij de vader [minderjarige] om 8.00 uur haalt en de moeder hem om 19.00 ophaalt. De regeling is door de moeder op eigen initiatief en zonder overleg ingeperkt naar de dinsdag in plaats van de woensdag. Ook heeft zij uit eigen beweging de vader en [minderjarige] de omgang in de weekenden in mei 2020 ontzegd. Het is niet in het belang van [minderjarige] dat de moeder de afspraken op eigen initiatief aanpast. [minderjarige] dient volgens een vaste regeling regelmatig bij zijn vader te zijn om te voorkomen dat hij van hem vervreemd raakt. Tot op heden heeft de vader [minderjarige] enkel op doordeweekse dagen en af en toe een losse dag in het weekend bij zich mogen ontvangen.

In het kader van de subsidiaire vordering voert de vader aan dat hij de moeder meerdere keren heeft gevraagd of [minderjarige] , als hij op zondag bij hem is, ook bij hem mag blijven overnachten, zodat hij van zondag tot woensdag bij hem verblijft; dit is veel rustiger voor [minderjarige] .

Tot slot verzoekt de vader (primair en subsidiair) een regeling met betrekking tot de vakanties vast te leggen. Ondanks de eerdere afspraken is [minderjarige] nog nooit een paar dagen of een weekend met zijn vader weg geweest, laat staan op vakantie. Tot op heden heeft de moeder haar medewerking steeds geweigerd.

Op 9 juli 2020 heeft een gesprek bij het Jeugdteam plaatsgevonden. Het Jeugdteam heeft besloten opdracht te geven tot een onderzoek door de Raad voor de Kinderbescherming.

De vader stelt voor dat partijen ondanks de vele mislukte pogingen alsnog met elkaar in therapie gaan.

3.3.

De moeder concludeert tot niet ontvankelijk verklaring wegens het ontbreken van een (spoedeisend) belang en verzoekt de vader in de proceskosten te veroordelen. Aan haar verweer legt zij – samengevat - ten grondslag dat partijen een traject gehad hebben bij Altra waarbij de omgang is uitgebreid met een extra nacht. Omdat [minderjarige] daar niet goed op reageerde, is zij weer teruggegaan naar de omgang conform het vonnis in kort geding van

5 december 2018. Het traject bij Altra is inmiddels beëindigd en er is een onderzoek door de Raad voor de Kinderbescherming gestart, omdat er zorgen zijn over de ontwikkeling van [minderjarige] . De moeder stelt dat eerst de zorgsignalen die er zijn, onderzocht moeten worden. Volgens de moeder moet eerst worden uitgevonden wat er bij [minderjarige] speelt. In de bodemprocedure die aanhangig is gemaakt, zal grondig onderzoek gedaan kunnen worden. Een kort geding leent zich hier niet voor. De door de vader gevorderde veroordeling met oplegging van een dwangsom moet worden afgewezen, omdat dit niet is onderbouwd. Omdat de vader zich sterk maakt in een procedure die zich hiervoor niet leent en waar een spoedeisend belang volledig ontbreekt, verzoekt de moeder aan dit oneigenlijk gebruik een veroordeling in de kosten door de vader te verbinden.

4 De beoordeling

spoedeisend belang

4.1.

Op grond van artikel 254 Rv is de voorzieningenrechter in alle spoedeisende zaken, waarin gelet op de belangen van partijen een onmiddellijke voorziening bij voorraad wordt vereist, bevoegd deze te geven. De vraag of een eisende partij in kort geding voldoende spoedeisend belang heeft bij de gevraagde voorziening, dient te worden beantwoord aan de hand van een afweging van de belangen van partijen en de uitkomst van de beoordeling van de voorlopige merites van de zaak. Spoedeisend belang heeft de eisende partij in ieder geval, indien van hem niet kan worden gevergd dat hij of zij een bodemprocedure afwacht.

afstemmen oordeel rechter bodemzaak

4.2.

De voorzieningenrechter die in kort geding moet beslissen op een vordering tot het geven van een voorlopige voorziening nadat de bodemrechter reeds een beschikking in de bodemprocedure heeft gewezen, dient in beginsel zijn vonnis af te stemmen op het oordeel van de bodemrechter, ongeacht of dit oordeel is gegeven in een tussenbeschikking of een eindbeschikking, in de overwegingen of in het dictum, en ongeacht of de beschikking van de bodemrechter in kracht van gewijsde is gegaan.

4.3.

Bij de beoordeling van de onderhavige vordering die betrekking heeft op de omgang, geldt als uitgangspunt dat de door de rechtbank bij vonnis van 5 december 2018 vastgestelde omgangsregeling in beginsel moet worden nagekomen zolang deze haar kracht niet heeft verloren, tenzij sprake is van dusdanige ernstige of bijzondere omstandigheden dat niet-nakoming gerechtvaardigd is.

4.4.

Bedoelde omstandigheden kunnen zich met name voordoen wanneer ofwel op grond van ná dat vonnis voorgevallen of aan het licht gekomen feiten nakoming van de vastgestelde zorg- of omgangsregeling voor de ouder die de regeling dient na te komen klaarblijkelijk een noodtoestand doet ontstaan, ofwel omdat onverkorte nakoming kennelijk niet in het belang van de kinderen moet worden geoordeeld, dan wel aannemelijk is dat sedert de uitspraak waarvan nakoming wordt gevorderd sprake is van zodanige wijziging van omstandigheden dat deze één van de gronden als bedoeld in artikel 1: 377a lid 3 BW opleveren en een beslissing van de bodemrechter op een verzoek tot wijziging van de eerder vastgestelde regeling niet kan worden afgewacht.

De voorzieningenrechter stelt voorop dat een kind het recht heeft op omgang met beide ouders en dat dit recht slechts kan worden ontzegd indien omgang ernstig nadeel zou opleveren voor de geestelijke of lichamelijke ontwikkeling van het kind, of de omgang anderszins in strijd is met de zwaarwegende belangen van het kind.

4.5.

De meeste onderwerpen in deze zaak zijn ook aan de orde in de aanhangige bodemprocedure, zaaknummer 305993/20-4117. De mondelinge behandeling ervan heeft eveneens op 5 oktober 2020 plaatsgevonden. De rechtbank heeft met partijen, voor zover hier van belang, afgesproken dat de rechtbank de Raad voor de Kinderbescherming in de bodemprocedure zal verzoeken om een onderzoek te starten naar en te adviseren over de omgang (en het gezag). Dit onderzoek zal door de Raad niet meer met het lopende beschermingsonderzoek kunnen worden gecombineerd.

4.6.

De Raad heeft ter zitting opgemerkt dat het in het vrijwillig kader niet gelukt is om de patronen tussen ouders te doorbreken. Er is een groot verschil in de visie van ouders op de aard en achtergrond van de problematiek van [minderjarige] . De gedragswetenschapper is tot de conclusie gekomen dat sprake is van reactief gedrag bij [minderjarige] , omdat hij geen toestemming van de moeder ervaart. Inmiddels is een beschermingsonderzoek gestart. Dit is in de uitvoeringsfase en kan naar verwachting binnen twee à drie weken worden afgerond. Als er een ondertoezichtstelling komt, zal de GI de regie over de zorgregeling nemen.

4.7.

Vast is komen te staan dat de moeder al langdurig eenzijdig de omgangsregeling wijzigt en beperkt. Ook afspraken die door tussenkomst van hulpverlenende instanties waren gemaakt, heeft de moeder veranderd. Ter zitting heeft de moeder te kennen gegeven dat zij graag zou zien dat de omgang tussen de vader en [minderjarige] anders loopt. Op dit moment ziet zij echter nog steeds zorgelijke signalen bij [minderjarige] , die door de vader niet worden (h)erkend.

4.8.

In het kader van de beoordeling in deze procedure wijst de voorzieningenrechter ouders erop dat het volgende – in soortgelijke gevallen gesignaleerde – gedrag ernstige zorgen baart: vanuit een heftig loyaliteitsconflict kan door het kind op den duur voor één van de ouders gekozen worden en wordt de andere ouder buitengesloten, wat kan leiden tot ouderonthechting. De korte termijn gevolgen van ouderonthechting voor het kind (zoals onrust en stress, verschillende boodschappen over dezelfde kwestie of gebeurtenis aan de coalitie-ouder en de buitengesloten ouder, onhandelbaar gedrag, bespelen van ouder(s) en schuldgevoelens) en de lange termijn gevolgen van ouderonthechting (meer psychosomatische problemen, vaker depressie, angst en middelenmisbruik, onveilige hechting, minder zelfvertrouwen en vertrouwen in anderen, disfunctionele coping vaardigheden, minder carrière en een beschadigde identiteit) kunnen ernstig zijn. Anders gezegd: ouderonthechting heeft langdurige en (zeer) ernstige consequenties voor het kind en de latere volwassene.

4.9.

Het coalitiegedrag (van de coalitieouder) dat tot de ouderonthechting leidt kan bewust en onbewust plaatsvinden en daarnaast zowel doelgericht als niet-doelgericht zijn. Er zijn coalitie-ouders die zich er bewust op richten om een zo close mogelijk ‘bondje’ met het kind te krijgen ‘waar de andere ouder niet meer tussen komt’ en coalitie-ouders die uit (te) grote liefde en zorg een nauwe band met hun kind nastreven zonder dat zij zich ervan bewust zijn dat de andere ouder daardoor nauwelijks meer een kans krijgt. Er zijn coalitie-ouders die doelgericht proberen de band tussen het kind en de andere ouder kapot te maken en coalitie-ouders, waarvan het gedrag ertoe leidt dat de band met de andere ouder wordt beschadigd zonder dat zij dat ook op het oog hadden. De voorzieningenrechter besteedt reeds nu, in dit vroege stadium, aandacht aan deze verschillen, omdat het begrip ouderonthechting in de samenleving snel wordt geassocieerd met het bewust en doelgericht kapot maken van de band van het kind met de buitengesloten ouder door de coalitie-ouder. Veelal echter zijn er bij ouderonthechting géén schuldigen en alleen maar verliezers, in de eerste plaats het kind en de buitengesloten ouder, maar uiteindelijk niet zelden ook de coalitie-ouder.

4.10.

In het licht van de voorgaande rechtsoverwegingen concludeert de voorzieningenrechter dat de vader bij de gevraagde voorziening een dermate spoedeisend belang heeft dat van hem niet kan worden gevergd dat hij de bodemprocedure afwacht.

Uit het eindverslag van het behandelplan van Altra van 24 september 2020 blijkt dat er geen contra-indicaties zijn tegen uitvoering van de omgangsregeling. Altra benadrukt dat [minderjarige] behoefte heeft aan controle en voorspelbaarheid in het spel en de omgang met ouders. De voorzieningenrechter stelt vast dat het niet in het belang van [minderjarige] is om de huidige situatie waarin het contact tussen hem en zijn vader beperkt en niet voorspelbaar is, te laten voortduren.

4.11.

Uit het voorgaande volgt dat er op dit moment geen aanleiding bestaat om bij wijze van ordemaatregel enige wijziging aan te brengen in de geldende omgangsregeling, opgenomen in het vonnis van 5 december 2018, inhoudende dat [minderjarige] wekelijks op maandag en dinsdag, van 8.00 uur tot 19.00 uur de volgende dag, en om de week op zaterdag of zondag bij de vader is. De door de vader gevorderde nakoming hiervan is toewijsbaar. Om het weekend zal [minderjarige] op zondag vanaf 8 uur bij de vader zijn en aansluitend (dus met extra overnachting zoals ter zitting is besproken) tot dinsdag 19.00 uur bij hem verblijven.

4.12.

De vordering tot vaststelling van een vakantieregeling zal bij gebrek aan spoedeisend belang worden afgewezen. De basis-zorgregeling zal in vakanties dus doorlopen, tenzij ouders in onderling overleg andere afspraken maken.

4.13.

De voorzieningenrechter zal de gevorderde dwangsom toewijzen, als prikkel tot nakoming. Daarbij is in aanmerking genomen dat de moeder de regeling eenzijdig heeft gewijzigd en beperkt. De dwangsom zal als volgt worden gemaximeerd.

4.14.

De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding om af te wijken van de hoofdregel bij familiezaken om de proceskosten te compenseren.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1.

veroordeelt de moeder tot nakoming van de in het vonnis van 5 december 2018 vastgelegde omgangsregeling, omschreven in 4.11 en 4.12, waarbij [minderjarige] de ene week maandag en dinsdag, van 8 uur tot 19.00 uur de volgende dag, bij de vader is, en de andere week vanaf zondag 8.00 uur tot dinsdag 19.00 uur.

5.2.

veroordeelt de moeder om aan de vader een dwangsom te betalen van € 500 voor iedere dag of gedeelte daarvan dat zij niet aan de in 5.1 uitgesproken hoofdveroordeling voldoet, tot een maximum van € 10.000 is bereikt,

5.3.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

5.4.

compenseert de proceskosten, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;

5.5.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.S. Stefels en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier mr. J.C.M. Kroon op 22 oktober 2020.

Tegen dit vonnis kan hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te Amsterdam binnen vier weken na de dag van de uitspraak. Het beroep moet worden ingesteld door tussenkomst van een advocaat. Omdat het vonnis uitvoerbaar bij voorraad is verklaard, heeft het vonnis al wel geldende werking zolang op het (eventuele) beroep niet is beslist.