Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2020:8550

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
22-10-2020
Datum publicatie
23-10-2020
Zaaknummer
15/043189.20 en 15/281412.19 (ttz gev.)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verminderd toerekeningsvatbare verdachte veroordeeld tot onvoorwaardelijke gevangenisstraf en TBS met voorwaarden terzake bedreigingen met onder andere een op vuurwapen gelijkend voorwerp en terzake verboden wapenbezit.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Team Straf, locatie [geboorteplaats]

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 15.043189.20 (zaak A), 15.281412.19 (zaak B) (ttz gev.) en 15.119702.18 (tul)

Uitspraakdatum: 22 oktober 2020

Tegenspraak

verkort strafvonnis (art. 138b Sv)

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 8 oktober 2020 in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum 1] te [geboorteplaats],

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres [adres 1],

thans gedetineerd in het Justitieel Complex Zaanstad.

De rechtbank heeft kennisgenomen van het standpunt van de officier van justitie, mr. M.J.A. Colijn en van hetgeen door verdachte en mr. J.M. Neervoort, raadsvrouw van verdachte, naar voren is gebracht.

Verder heeft de rechtbank kennisgenomen van wat J. Packbiers, werkzaam bij Slachtofferhulp Nederland, namens de benadeelde partij [benadeelde 1] en wat mr. M. Berbee namens de benadeelde partijen [benadeelde 2] en [benadeelde 3] naar voren hebben gebracht.

1 Tenlastelegging

Aan verdachte is, na wijziging van de tenlastelegging ten laste gelegd dat:

Zaak A:

1.
hij in of omstreeks de periode van 19 juli 2019 tot en met 16 februari 2020 te Den Helder, en/of te Julianadorp, gemeente Den Helder, althans in Nederland, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op eens anders persoonlijke levenssfeer, te weten die van [benadeelde 2], door
- veelvuldig contact te leggen middels telefoon en/of e-mail met voornoemde [benadeelde 2] en/of haar partner en/of haar familieleden, en/of
- meermalen [benadeelde 2] en/of haar partner en/of haar familieleden in haar/zijn/hun leefomgeving op te zoeken, en/of
- veelvuldig in de openbare ruimte [benadeelde 2] aan te spreken waarbij verdachte voor [benadeelde 2] belastende en/of bezwarende en/of kwetsende en/of bedreigende uitspraken doet, en/of
- in naam van/met gebruikmaking van de identiteit van [benadeelde 2] en/of haar partner bestellen van goederen via internet, met het oogmerk die [benadeelde 2], te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden en/of vrees aan te jagen;

2.
hij op of omstreeks 16 februari 2020 te Den Helder [benadeelde 1] en/of [benadeelde 2] en/of [benadeelde 3] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door die [benadeelde 1] dreigend de woorden toe te voegen “Ik kom naar jullie toe ik maak jullie af”, althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking, waarna hij zich met een bivakmuts (althans een gezichtsbedekkend voorwerp) naar die [benadeelde 1] en/of [benadeelde 2] en/of [benadeelde 3] heeft begeven;

3.
hij op of omstreeks 16 februari 2020 te Den Helder (in zijn woning en/of in een wandklok) een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een tot elektrisch afvuurbare revolver getransformeerd wapen, zijnde een vuurwapen in de vorm van een geweer, revolver en/of pistool, en/of

de bij (voormeld wapen) behorende munitie, te weten zes, althans één of meer, (kogel)patro(o)n(en) van categorie III, Wet Wapens en Munitie
voorhanden heeft gehad en/of heeft vervaardigd en/of heeft getransformeerd;


4.
hij op of omstreeks 16 februari 2020 te Den Helder munitie van categorie III van de Wet wapens en munitie, te weten vijf, althans één of meer, (penvuur)patro(o)n(en) van het kaliber 12mm, van categorie III, Wet Wapens en Munitie voorhanden heeft gehad en/of heeft vervaardigd en/of heeft getransformeerd;

5.

hij op één of meer momenten op of omstreeks 5 februari 2020 te Den Helder [benadeelde 1] en/of [benadeelde 2] en/of [benadeelde 2] en/of [benadeelde 3] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door:
- (telkens) middels in te spreken op de voicemail gekoppeld aan de telefoon in de woning van [benadeelde 1] en/of [benadeelde 2] die [benadeelde 1] en/of [benadeelde 2] en/of [benadeelde 2] en/of [benadeelde 3] dreigend de woorden toe te voegen:
- “Luister mevrouw [benadeelde 2]... Je dochter heeft tot vandaag de tijd om de centen terug te betalen ... En jullie, jullie gaan er aan als jullie niet betalen ... Meneer en mevrouw [benadeelde 2]. ... En laat mij niet jullie dochter iets geks aan doen ... er zijn genoeg manieren om een meissie zeer te doen zonder te slaan. En ik ga haar iets doen hoor.... Ineens, hé die kogel die kan snel komen. Ik ga jullie helemaal kapoet maken als jullie niet betalen.”, en/of
- “... gaan wij jullie helemaal kapoet maken. ... Helemaal kapoet.”, en/of
- “... tot eh vandaag hadden jullie de tijd om het terug te betalen. En dat hebben jullie niet gedaan dus eh nu gaan jullie d’r aan. ... Ik ga jullie helemaal kapot maken.....”.

Zaak B:

1.
hij, op of omstreeks 31 oktober 2019 te Den Helder, [benadeelde 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door een (nep)vuurwapen op die [benadeelde 2] te richten en de trekker over te halen;

2.
hij, op of omstreeks 31 oktober 2019 te Den Helder, een wapen van categorie I, onder 7° van de Wet wapens en munitie, te weten een door de Minister van Justitie en Veiligheid aangewezen voorwerp dat een ernstige bedreiging van personen kon vormen en/of dat zodanig op een wapen geleek dat deze voor bedreiging of afdreiging geschikt was, namelijk een replica pistool, althans een voorwerp die voor wat betreft hun vorm en afmetingen een sprekende gelijkenis vertonen met vuurwapens of met voor ontploffing bestemde voorwerpen (in de zin van art. 3 sub a Regeling Wapens en Munitie), voorhanden heeft gehad.

2. Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaardingen geldig zijn, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaken, dat het Openbaar Ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3 Beoordeling van het bewijs

3.1

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot vrijspraak van het in zaak A onder 1 ten laste gelegde feit en tot bewezenverklaring van de in zaak A onder 2 tot en met 5 en de in zaak B onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten.

3.2

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw van verdachte heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte moet worden vrijgesproken van de in zaak A onder 1 en 5 ten laste gelegde feiten.

Ten aanzien van een bewezenverklaring van het zowel in zaak A als in zaak B onder 2 ten laste gelegde feit heeft de raadsvrouw zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Ten aanzien van de in zaak A onder 3 en 4 ten laste gelegde feiten en het in zaak B onder 1 ten laste gelegde feit heeft de raadsvrouw zich op het standpunt gesteld dat deze wettig en overtuigend kunnen worden bewezen.

3.3

Oordeel van de rechtbank

3.3.1.

Vrijspraak feit 1, zaak A

Naar het oordeel van de rechtbank is niet wettig en overtuigend bewezen wat verdachte in zaak A onder 1 ten laste is gelegd, zodat hij daarvan moet worden vrijgesproken.

De rechtbank overweegt daartoe dat de aangifte van [benadeelde 2] voor wat betreft het aanspreken in de openbare ruimte en het op haar naam bestellen van goederen onvoldoende wordt ondersteund door overig bewijs, zodat niet is voldaan aan het bewijsminimum als bedoeld in artikel 342, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering (Sv). Wel kan wettig en overtuigend worden bewezen dat verdachte aangeefster en haar familieleden op 5 februari 2020 en 16 februari 2020 telefonisch heeft lastig gevallen en bedreigd. Dit levert echter niet de vereiste stelselmatigheid op die nodig is voor een bewezenverklaring van belaging als bedoeld in artikel 285b van het Wetboek van Strafrecht (Sr).

3.3.2

Bewijs

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van de in zaak A onder 2 tot en met 5 ten laste gelegde feiten en de in zaak B onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten.

De rechtbank grondt de beslissing dat verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan, op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

De bewijsmiddelen zullen worden uitgewerkt in die gevallen waarin de wet aanvulling van het vonnis vereist en zullen dan in een aan dit vonnis te hechten aanvulling worden opgenomen.

3.3.3

Bewijsmotivering feit 5, zaak A

De raadsvrouw heeft vrijspraak bepleit van het in zaak A onder 5 tenlastegelegde. De rechtbank komt tot bewezenverklaring van dit feit. Naast de aangifte van [benadeelde 1], de moeder van [benadeelde 2], die verklaart dat er op 5 februari 2020 drie voicemailberichten onder gebruikmaking van een stemvervormer op de huistelefoon zijn ingesproken, betrekt de rechtbank bij haar oordeel dat [benadeelde 2] heeft verklaard in het tweede ingesproken bericht de stem van verdachte te herkennen daar waar de stemvervormer even wegvalt. Voorts neemt de rechtbank hierbij in aanmerking - in onderling verband en samenhang bezien - de verklaring van verdachte op de terechtzitting, inhoudende dat hij op 16 februari 2020 met gebruikmaking van een stemvervormer heeft gebeld naar de ouders van [benadeelde 2] en hen heeft gezegd dat hij langs zou komen als hij het adres van [benadeelde 3] (de rechtbank begrijpt: [benadeelde 3]) niet zou krijgen. Verdachte is vervolgens ook op die dag bewapend naar de woning van aangeefster [benadeelde 1] gegaan.

4 Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de in zaak A, onder 2 tot en met 5 en de in zaak B onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten heeft begaan, met dien verstande dat

Zaak A:


2.
hij op 16 februari 2020 te Den Helder [benadeelde 1] en [benadeelde 2] en [benadeelde 3] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, door die [benadeelde 1] dreigend de woorden toe te voegen “Ik kom naar jullie toe ik maak jullie af”, waarna hij zich met een bivakmuts (althans een gezicht bedekkend voorwerp) naar die [benadeelde 1] heeft begeven;

3.
hij op 16 februari 2020 te Den Helder (in zijn woning in een wandklok)
een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een tot elektrisch afvuurbare revolver getransformeerd wapen, zijnde een vuurwapen in de vorm van een revolver en de bij voormeld wapen behorende munitie, te weten kogelpatronen van categorie III van de Wet Wapens en Munitie voorhanden heeft gehad;


4.
hij op 16 februari 2020 te Den Helder munitie te weten penvuurpatronen van het kaliber 12mm, van categorie III van de Wet Wapens en Munitie voorhanden heeft gehad;

5.

hij op één of meer momenten op 5 februari 2020 te Den Helder [benadeelde 1] en [benadeelde 2] en [benadeelde 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, door:
- (telkens) middels in te spreken op de voicemail gekoppeld aan de telefoon in de woning van [benadeelde 1] en [benadeelde 2] die [benadeelde 1] en [benadeelde 2] en [benadeelde 2] dreigend de woorden toe te voegen:
- “Luister mevrouw [benadeelde 2]... Je dochter heeft tot vandaag de tijd om de centen terug te betalen ... En jullie, jullie gaan er aan als jullie niet betalen ... Meneer en mevrouw [benadeelde 2]. ... En laat mij niet jullie dochter iets geks aan doen ... er zijn genoeg manieren om een meissie zeer te doen zonder te slaan. En ik ga haar iets doen hoor.... Ineens, hé die kogel die kan snel komen. Ik ga jullie helemaal kapoet maken als jullie niet betalen.”, en

- “...
gaan wij jullie helemaal kapoet maken. ... Helemaal kapoet.”, en

- “...
tot eh vandaag hadden jullie de tijd om het terug te betalen. En dat hebben jullie niet gedaan dus eh nu gaan jullie d’r aan. ... Ik ga jullie helemaal kapot maken.....”.

Zaak B:

1.
hij, op 31 oktober 2019 te Den Helder, [benadeelde 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, door een (nep)vuurwapen op die [benadeelde 2] te richten en de trekker over te halen;

2.
hij op 31 oktober 2019 te Den Helder een wapen van categorie I, onder 7° van de Wet wapens en munitie, te weten een door de Minister van Justitie en Veiligheid aangewezen voorwerp dat een ernstige bedreiging van personen kon vormen en dat zodanig op een wapen geleek dat deze voor bedreiging of afdreiging geschikt was, namelijk een replica pistool, die voor wat betreft hun vorm en afmetingen een sprekende gelijkenis vertonen met vuurwapens, voorhanden heeft gehad;

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten zijn verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is verdachte daardoor niet geschaad in zijn verdediging.

Hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. Verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

5 Kwalificatie en strafbaarheid van de feiten

Het bewezenverklaarde levert op:

Zaak A:

Feit 2 en feit 5, telkens:

Bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, meermalen gepleegd.

Feit 3:

Handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III en

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.

Feit 4:

Handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.

15.281412.19 (zaak B):

Feit 1:

Bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht.

Feit 2:

Handelen in strijd met artikel 13, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is derhalve strafbaar.

6 Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is derhalve strafbaar.

7 Motivering van de sancties

7.1

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 265 dagen, met aftrek van de periode die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht, en tot de maatregel van terbeschikkingstelling (hierna: TBS) met voorwaarden, zoals door de reclassering geadviseerd. Daarnaast stelt de officier van justitie zich op het standpunt dat de voorwaarden moeten worden aangevuld met een locatieverbod voor Den Helder en een contactverbod met [benadeelde 2], [benadeelde 3] en de ouders van [benadeelde 2], zolang de reclassering dit in overleg met het openbaar ministerie nodig acht. De officier van justitie heeft verzocht te bepalen dat de voorwaarden dadelijk uitvoerbaar zijn.

7.2

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft bepleit om aan verdachte, rekening houdend met zijn stoornis en de verminderde toerekeningsvatbaarheid ten tijde van het bewezenverklaarde, een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen, gelijk aan de duur van het voorarrest bij einduitspraak en om daarnaast een terbeschikkingstelling met voorwaarden op te leggen, zoals geadviseerd door de reclassering.

De raadsvrouw heeft verzocht om niet de voorwaarde van het locatieverbod voor Den Helder op te leggen, nu verdachte daar zijn contacten heeft en omdat hij daar zijn spullen heeft opgeslagen. Verdachte heeft zich bereid verklaard om zich aan de overige voorwaarden te houden.

7.3

Oordeel van de rechtbank

Bij de beslissing over de straf en de maatregel die aan verdachte moeten worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede door de persoon van verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen.

Nadat verdachte in de kringloopwinkel waar hij werkt was mishandeld door de partner van aangeefster [benadeelde 2], heeft hij zonder dat daarvoor een noodzaak bestond een (nep)vuurwapen uit zijn kluisje gepakt en is hij achter aangeefster en haar partner, die inmiddels buiten waren, aangegaan. Verdachte heeft aangeefster vervolgens ernstig bedreigd door het (nep)vuurwapen op haar te richten en daadwerkelijk de trekker over te halen. Hierbij waren omstanders aanwezig. Dit moet voor aangeefster in het bijzonder en de omstanders in het algemeen een zeer beangstigende ervaring zijn geweest.

Daarnaast heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan telefonische bedreigingen van – in wisselende samenstelling – aangeefster [benadeelde 2], haar ouders en haar vriend, waarbij hij onder andere heeft gedreigd dat zij eraan zouden gaan dan wel dat hij hen af zou maken waarna hij de laatste keer ook daadwerkelijk in de onmiddellijke omgeving van de woning van de ouders van aangeefster is aangetroffen met een - weliswaar vrijgesteld - wapen en munitie in zijn rugtas.

Naar aanleiding van deze bedreigingen heeft er een doorzoeking plaatsgevonden in de woning van verdachte waarbij, verstopt in een wandklok, een door verdachte tot vuurwapen getransformeerde revolver met zelfgemaakte munitie is aangetroffen.

Het aanwezig hebben van een dergelijk vuurwapen met munitie had onbeheersbare en levensbedreigende situaties op kunnen leveren. Vuurwapens worden vaak gebruikt bij het plegen van strafbare feiten en vormen een groot gevaar voor de veiligheid van personen. Het voorhanden hebben van een vuurwapen maakt daarom een ernstige inbreuk op de rechtsorde.

Met betrekking tot de persoon van verdachte heeft de rechtbank in het bijzonder gelet op:

- het op naam van verdachte staand Uittreksel Justitiële Documentatie, gedateerd 7 juli 2020, waaruit blijkt dat verdachte reeds eerder ter zake van soortgelijke delicten onherroepelijk tot taakstraf en de gedragsbeïnvloedende maatregel is veroordeeld. De rechtbank weegt deze omstandigheid ten nadele van verdachte mee bij de straftoemeting.

- Het over verdachte uitgebrachte psychologisch rapport, gedateerd 16 juli 2020 van [deskundige 1], psycholoog.

Dit psychologisch rapport houdt, zakelijk weergegeven, onder meer het volgende in:

Bij betrokkene is sprake van een autismespectrumstoornis, een licht verstandelijke beperking, een ongespecificeerde schizofreniespectrum- of andere psychotische stoornis en een stoornis in het gebruik van cannabis. In algemene zin kan gezegd worden dat er naar voren komt dat er sinds de vroege ontwikkeling al sprake is van een breed scala aan problematiek, wat gedurende zijn levensloop voor toenemende problemen heeft gezorgd op diverse levensgebieden. Betrokkene maakt vanuit zijn autismespectrumstoornis inschattingsfouten, waarbij hij niet kan overzien wat de gevolgen van zijn handelen zijn. Daarnaast kan hij een situatie of de grenzen van anderen niet inschatten. Hij kan zich door zijn autismespectrum stoornis onvoldoende in de ander verplaatsen. Voorts is er bij oplopende stress of spanning bij betrokkene sprake van psychotische decompensatie zich uitend in achterdocht.

Ten tijde van de hem tenlastegelegde feiten was er sprake van een psychotisch toestandsbeeld. Indien de bedreiging bewezen wordt verklaard, is het aannemelijk dat de psychotische stoornis zijn handelen daarin voor een belangrijk deel heeft bepaald, zodat het ten laste gelegde hem (minstens) in verminderde mate toegerekend kan worden.
Ten aanzien van het tweemaal overtreden van de Wet van Wapens en Munitie, kan, indien bewezen geacht, worden gesteld dat betrokkene vanuit zijn ontwikkeling wantrouwend en angstig in de wereld staat, hij is vooral op zichzelf gaan vertrouwen. Met dit idee heeft betrokkene ook wapens in bezit, hij heeft deze om zichzelf te verdedigen. Naar zijn zeggen voelt hij zich bedreigd en voelt hij zich veiliger door het bezit van zijn wapens. Vanuit genoemde stoornissen mist betrokkene de sociale afstemming en inschattingsvermogen om zijn keuzemogelijkheden goed af te kunnen wegen. Ondanks dat betrokkene niet dusdanig verward is dat hij totaal geen keuzemogelijkheden kan overzien, mist hij wel het vermogen om de effecten van zijn handelen in te schatten. Dit alles overziend en wegend, is er vermoedelijk sprake (geweest) van enige doorwerking van de genoemde stoornissen in het tenlastegelegde (indien bewezen geacht). Geadviseerd wordt om betrokkene het tenlastegelegde in een verminderde mate toe te rekenen.

Bij een afweging van de risico en beschermende factoren wordt het risico bij een onbehandelde terugkeer in de maatschappij - met enige voorzichtigheid - als hoog geduid. De inschatting is dat betrokkene zelf onvoldoende inzicht heeft in zijn functioneren en gedrag.
Er is bij betrokkene sprake van een grote hoeveelheid aan risicofactoren die een hoge relevantie hebben. Zo speelt betrokkene’s licht verstandelijke beperking een grote rol in het ontbreken van zelfinzicht, is hij vanuit een onveilige jeugd en problematische opvoedingssituatie bij oplopende stress geneigd te reageren met agressie of het maken van antisociale keuzes.
Tot slot is er wel enig ziektebesef maar weinig ziekte-inzicht waardoor betrokkene zelf de noodzaak van behandeling niet ziet. Dat betrokkene een fascinatie heeft voor wapens en deze ook tot zijn beschikking heeft (en bij zich had ten tijde van het tenlastegelegde) en aangeeft hier veiligheid bij te ervaren, maakt het geheel nog eens extra onveilig.

Gezien de stoornissen van betrokkene, de doorwerking hiervan in de hem ten laste gelegde feiten en het hoge recidiverisico, kan gesproken worden van een behandelnoodzaak. Ondanks zijn reeds lange hulpverleningsgeschiedenis, is het betrokkene tot op heden niet gelukt om geen nieuwe politie- en justitie contacten te krijgen.

De beïnvloedingsmogelijkheden van betrokkene liggen met name in het verkrijgen en behouden van een goede samenwerkingsrelatie, waarbij ingehaakt dient te worden op het probleembesef en de lijdensdruk van betrokkene. Behandeling dient zich in beginsel vooral te richten op zijn middelenverslaving, agressie- en emotieregulatie en psychose-gevoeligheid, gewetensontwikkeling en op het bevorderen van zijn zelfredzaamheid. Daarnaast is het belangrijk dat betrokkene zich kan bezighouden met positieve zaken als een zinvolle dagbesteding waarvoor hij gemotiveerd is en toe te werken naar meer zelfstandigheid. Hierbij kan het concretiseren van toekomstplannen in kleine stappen een onderdeel zijn. Betrokkene is, mede vanwege zijn geringe motivatie voor behandeling gebaat bij sterk toezicht en controle, waarbij er duidelijke voorwaarden zijn waar hij zich aan dient te houden.
Ingeschat wordt dat voornoemde behandeling het meest effectief zal zijn wanneer betrokkene in een beschermde woonvorm voldoende begeleiding, toezicht en controle krijgt (met forensische ambulante behandeling). Ingeschat wordt dat betrokkene een stok achter de deur nodig zal hebben, gezien het beperkte effect wat eerdere ambulante en vrijwillige kaders opgeleverd hebben. Een langdurig behandeltraject in een zeer stevig kader is geïndiceerd. De behandeling moet zich in beginsel richten op het behandelen van de verslavingsproblemen en zijn ongespecificeerde schizofreniespectrum-of andere psychotische stoornis en rekening houdend met zijn licht verstandelijk beperkte niveau.

Gezien de ernst van de hem tenlastegelegde feiten en het hoge recidiverisico in combinatie met de geringe motivatie voor behandeling van betrokkene is het van belang dat betrokkene’s behandeling in een stevig kader wordt vormgegeven. Het advies is daarom om de behandeling binnen het kader van een TBS met voorwaarden te laten plaatsvinden. Op dit moment lijkt betrokkene bereid om zich aan de voorwaarden, waaronder het gebruiken van anti-psychotica, te houden.

- Het over verdachte uitgebrachte psychologisch rapport, gedateerd 10 juli 2020 van [deskundige 2] (psychiater in opleiding) en [deskundige 3], psychiater.

Dit psychiatrisch rapport houdt, zakelijk weergegeven, onder meer het volgende in:

Ten tijde van het plegen van het tenlastegelegde was sprake van een psychotische stoornis, naast de bekende zwakbegaafdheid en autismespectrumstoornis.
Vanwege de vermoedelijk sterke doorwerking van de psychose op het gebeuren van 16 februari 2020 is het advies om betrokkene de bedreiging - indien bewezen - in sterk verminderde mate toe te rekenen. Ondanks dat hij handelde vanuit zijn waanbeleving is enige toerekening wel mogelijk gezien het lang bestaande patroon van bedreigingen jegens de aangevers.
Bij het verboden wapenbezit is enige doorwerking van de stoornissen vastgesteld, omdat betrokkene vanuit zijn autisme spectrumstoornis op een obsessieve mate geïnteresseerd is in wapens en vanuit zijn zwakbegaafdheid de gevolgen van het wapenbezit onvoldoende kan overzien zodat betrokkene deze feiten - indien bewezen - enigszins verminderd kunnen worden toegerekend.
Bij betrokkene is op dit moment nog steeds sprake van een psychotische stoornis met daarbij forse achterdocht, een gestoorde impulscontrole en oordeels- en kritiekstoornissen. Behandeling van deze psychotisch stoornis zal leiden tot vermindering van de kans op recidive. Echter is er ook sprake van beperkte cognitieve vaardigheden vanuit de lage intelligentie en de autismespectrumstoornis van betrokkene. Als gevolg hiervan kan betrokkene de gevolgen van zijn gedragingen minder goed overzien en reageert hij op momenten inadequaat wanneer hij zich voelt aangetast in zijn veiligheid. Hij heeft bovendien een fascinatie voor wapens. Beide laatstgenoemde kunnen de kans op recidive juist vergroten.
Op basis van de bevindingen adviseert de psychiater TBS met voorwaarden op te leggen om een adequate psychiatrische behandeling in een forensisch psychiatrische instelling (FPA of FPK) voor langere tijd te waarborgen en betrokkene van hieruit bijvoorbeeld toe te leiden naar een beschermde en/of begeleide woonvorm. Uit het verleden is gebleken dat hij goed in staat is om zich aan afspraken met reclassering en behandelaren te houden, echter is hij bij onvoldoende stevig kader toch gerecidiveerd. TBS met voorwaarden biedt een steviger kader.

- Het over verdachte uitgebrachte voorlichtingsrapport, gedateerd 29 september 2020, van [getuige], als reclasseringswerker verbonden aan Reclassering Nederland.

Het voorlichtingsrapport houdt onder meer het volgende in:

Op basis van de OXREC, risicotaxatie-instrument van de reclassering, gebaseerd op historische factoren is de kans op recidive de kans op een geweldsdelict hoog. Dit komt overeen met het professioneel oordeel van de reclassering.
Betrokkene is bekend met gevoelens van wraak waarbij hij mensen bedreigt en zich bewapend. Hij heeft, mogelijk vanwege zijn autisme en verstandelijke beperking, beperkt inzicht in de mogelijke consequenties van zijn gedrag.
Uit het dossier blijkt dat betrokkene de laatste jaren vaker met justitie in aanraking kwam. Er was naar mening van de reclassering en andere betrokken instanties sprake van een zeer zorgelijke ontwikkeling, waarbij er gevaar was voor escalatie van geweld. De ingezette hulpverlening en behandeling in een voorwaardelijk kader was, indien onderhavige feiten bewezen worden geacht, niet voldoende om recidive te voorkomen.
De reclassering is op basis bovenstaande van mening dat een tbs met voorwaarden geïndiceerd is. Vanwege onderzoek naar de haalbaarheid van een tbs met voorwaarden werd een indicatie aangevraagd en afgegeven door het IFZ (Indicatiecommissie Forensische Zorg), onderdeel van het NIFP. Betrokkene werd geaccepteerd voor een klinische behandeling bij FPA De Woenselse Poort te Eindhoven. Er is nog geen plaatsingsdatum bekend. Indien nodig zal door DIZ een overbruggingsplek worden gezocht.

De reclassering heeft diverse voorwaarden geformuleerd waarvan geadviseerd wordt deze aan de maatregel van terbeschikkingstelling te verbinden. Na totstandkoming van de rapportage heeft de reclassering nog per e-mail aan de officier van justitie bericht dat behandeling zou moeten plaatsvinden bij FPK (in plaats van FPA) de Woenselse Poort, dat verdachte voor klinische behandeling aldaar is aangemeld en geaccepteerd en dat de wachtlijst twee tot vier weken is.

Nu de conclusies van de gedragsdeskundigen worden gedragen door hun bevindingen neemt de rechtbank deze over en maakt die tot de hare. De rechtbank rekent de verdachte het bewezenverklaarde daarom in verminderde mate toe. Dit heeft een matigende werking op de op te leggen gevangenisstraf.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat aan verdachte, naast een nader te noemen maatregel, een gevangenisstraf van 265 dagen, met aftrek van voorarrest, moet worden opgelegd. Bij het bepalen van de omvang van de onvoorwaardelijke gevangenisstraf heeft de rechtbank rekening gehouden met het feit dat verdachte verminderd toerekeningsvatbaar voor het bewezen verklaarde moet worden geacht en met de verwachte opnamedatum van verdachte in de Woenselse Poort. De rechtbank acht het van belang dat verdachte aansluitend aan de straf de behandeling bij de Woenselse Poort zal aanvangen.

De rechtbank is voorts van oordeel dat de terbeschikkingstelling van verdachte dient te worden gelast en voorwaarden betreffende zijn gedrag dienen te worden gesteld, nu bij verdachte tijdens het begaan van de feiten een ziekelijke stoornis van de geestvermogens bestond, de door verdachte begane feiten, in zaak A onder 2, 3 en 5 en in zaak B onder 1 misdrijven zijn waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaren of meer is gesteld.

Gelet op het feit dat verdachte ook daadwerkelijk een wapen heeft gebruikt tijdens de bedreiging van aangeefster [benadeelde 2] en een vrijgesteld wapen bij zich heeft gehad in de onmiddellijke omgeving van de ouders van [benadeelde 2], kort nadat hij hen via de telefoon had bedreigd, eist de veiligheid van anderen en de algemene veiligheid van personen het opleggen van deze maatregel. De rechtbank zal de door Reclassering Nederland geadviseerde voorwaarden overnemen aangevuld met een contactverbod met de vriend van aangeefster [benadeelde 2] , [benadeelde 3], en haar ouders [benadeelde 2] en [benadeelde 1]. De rechtbank acht gelet op dit contactverbod en het feit dat verdachte zijn spullen heeft opgeslagen in Den Helder, het niet opportuun dat ook een locatieverbod voor Den Helder als voorwaarde wordt opgelegd.

De rechtbank kan, op vordering van het Openbaar Ministerie, bevelen dat de ter beschikking gestelde alsnog van overheidswege zal worden verpleegd indien de voorwaarden niet worden nageleefd.

Uit de bewezenverklaring van het in zaak B onder 1 bewezenverklaarde en de feiten en omstandigheden waaronder dit is begaan, blijkt dat verdachte het slachtoffer [benadeelde 2] heeft bedreigd door een wapen op haar te richten en de trekker over te halen. Ondanks dat dit de kwalificatie bedreiging oplevert, rechtvaardigen de feitelijkheden naar het oordeel van de rechtbank de conclusie dat sprake is van een misdrijf als bedoeld in artikel 38e Sr. De rechtbank neemt daarbij mede in aanmerking dat verdachte ten tijde van de in zaak A onder 2 bewezenverklaarde bedreiging op 16 februari 2020 eveneens een – weliswaar vrijgesteld - wapen (en munitie) bij zich droeg, zodat de rechtbank de mogelijkheid dat verdachte de daad bij het woord voegt reëel acht. Een en ander maakt dat de TBS niet op voorhand is gemaximeerd tot de duur van vier jaren.

Dadelijke uitvoerbaarheid

Gelet op de noodzaak van behandeling van verdachte direct aansluitend aan zijn gevangenisstraf, ter beperking van het gevaar voor recidive, zoals blijkt uit voornoemde adviezen, zal de rechtbank – op grond van artikel 38, zesde lid, Sr – bevelen dat de TBS met voorwaarden dadelijk uitvoerbaar is.

8 Vorderingen benadeelde partij en schadevergoedingsmaatregel

8.1

Vordering benadeelde partij [benadeelde 1]

De benadeelde partij [benadeelde 1] heeft een vordering tot schadevergoeding van € 2.187,- ingediend tegen verdachte wegens materiële en immateriële schade die zij als gevolg van de in zaak A onder 2 en 5 ten laste gelegde feiten zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag. De gestelde schade bestaat uit € 500,- smartengeld en € 1.687,- materiële schadeverband houdend met de aanschaf van een beveiligingsinstallatie.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de gevorderde immateriële schade kan worden toegewezen. De vordering moet worden afgewezen voor zover die ziet op de materiële schade, nu deze schade niet het rechtstreeks gevolg is van het bewezen verklaarde.

De raadsvrouw heeft zich ten aanzien van de toewijzing van de immateriële schade gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Daarnaast heeft de raadsvrouw afwijzing van de vordering bepleit, voor zover die ziet op de materiële schade. Deze schade is geen rechtstreekse schade veroorzaakt door de gebeurtenis.

De rechtbank is van oordeel dat de gestelde materiële schade niet voor vergoeding in aanmerking komt, aangezien deze schade niet het rechtstreeks gevolg is van het in zaak A onder 2 of 5 bewezen verklaarde. De rechtbank zal de vordering met betrekking tot de materiële schade daarom afwijzen.

De rechtbank komt vergoeding van de immateriële schade tot een bedrag van €500,- billijk voor gelet op de onderbouwing van de vordering en het verhandelde ter terechtzitting. In zoverre zal de vordering dan ook worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 16 februari 2020 tot aan de dag der algehele voldoening. De rechtbank vindt de grondslag voor toekenning van de immateriële schade in de aantasting van de persoon op een andere wijze, zoals bedoeld in artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek. Weliswaar blijkt niet van geestelijk letsel in de zin van voornoemd artikel, maar de benadeelde partij heeft zich door de bedreigingen zeer angstig gevoeld en voor haar leven (en dat van haar naasten) gevreesd. Gelet op de aard en de ernst van de normschending, levert dat een ernstige inbreuk op de persoonlijke integriteit van de benadeelde partij op.

Daarnaast dient verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken. De tot op heden door de benadeelde partij gemaakte kosten worden vastgesteld op nihil.

De rechtbank ziet als gevolg van verdachtes in zaak A onder 2 en 5 bewezen verklaarde handelen [kort gezegd: telkens bedreiging] aanleiding ter zake van de vordering van de benadeelde partij de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht op te leggen.

8.2

Vordering benadeelde partij [benadeelde 2]

Mr. M. Berbee heeft namens de benadeelde partij [benadeelde 2] een vordering tot schadevergoeding van € 3.793,78 ingediend tegen verdachte wegens materiële en immateriële schade die zij als gevolg van de in zaak A onder 1, 2 en 5 ten laste gelegde feiten en het in zaak B onder 1 ten laste gelegde feit zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag. De gestelde schade bestaat uit € 3.500,- smartengeld, € 53,78 kosten medicijnen en € 240,- in verband met een reparatie van haar telefoon.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de gevorderde immateriële schade, gelet op de aard van de bedreigingen, kan worden toegewezen tot een bedrag van € 2.000,-. Daarnaast stelt de officier van justitie zich op het standpunt dat de materiële schade, voor zover die ziet op kosten medicijnen kan worden toegewezen. Ten aanzien van de schade aan de telefoon dient de benadeelde partij niet ontvankelijk te worden verklaard in de vordering, nu deze schade onvoldoende is onderbouwd.

De raadsvrouw heeft zich ten aanzien van de immateriële schade tot een bedrag van € 1.000,-, in verband met de bedreiging zoals ten laste gelegd in zaak B onder 1 gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Ten aanzien van de gevorderde immateriële schade in verband met het voorval op 16 februari 2020 heeft de raadsvrouw zich op het standpunt gesteld dat deze moet worden gematigd nu de benadeelde partij niet direct is bedreigd met een vuurwapen. Gelet op de door haar bepleitte vrijspraak ten aanzien van het in zaak A onder 1 ten laste gelegde heeft de raadsvrouw verzocht om de vordering, voor zover die ziet op schade ten aanzien van dat feit, af te wijzen dan wel de benadeelde partij niet ontvankelijk te verklaren in dat deel van de vordering.

Daarnaast heeft de raadsvrouw zich ten aanzien van de materiële schade op het standpunt gesteld dat zij geen bezwaar heeft tegen toewijzing van de vordering, voor zover die ziet op de kosten van de medicijnen. De vordering met betrekking tot de schade aan de telefoon moet worden afgewezen, nu niet is komen vast te staan dat verdachte verantwoordelijk is voor deze schade.

De rechtbank is van oordeel dat de materiële schade tot een bedrag van € 53,78 (de medicijnkosten) rechtstreeks voortvloeit uit de in zaak A onder 2 en 5 bewezen verklaarde feiten en het in zaak B onder 1 bewezen verklaarde feit.

De gevorderde reparatiekosten voor de telefoon komen in deze strafzaak niet voor vergoeding in aanmerking, omdat tegenover de betwisting van de verdachte onvoldoende is onderbouwd dat de gestelde schade het rechtstreeks gevolg is van het bewezenverklaarde.

De rechtbank vindt de grondslag voor toekenning van immateriële schade in de aantasting van de persoon op een andere wijze, zoals bedoeld in artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek. Blijkens de toelichting op de vordering is de benadeelde partij onder behandeling bij een psycholoog voor PTSS als gevolg van het bewezen verklaarde handelen van verdachte en is er derhalve sprake van geestelijk letsel in de zin van voornoemd artikel. Bij het bepalen van de omvang van het toe te wijzen bedrag heeft de rechtbank niet betrokken wat de benadeelde partij naar voren heeft gebracht over de ten laste gelegde belaging (zaak A, feit 1), nu verdachte van dit feit wordt vrijgesproken. Gelet op de onderbouwing van de vordering ten aanzien van de bewezen verklaarde bedreigingen en het verhandelde ter terechtzitting, komt de rechtbank een vergoeding van € 1.500,- voor de geleden immateriële schade billijk voor.

De vordering zal dan ook worden toegewezen tot een bedrag van € 1.553,78, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 16 februari 2020 tot aan de dag der algehele voldoening.

Daarnaast dient verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken. De tot op heden door de benadeelde partij gemaakte kosten worden vastgesteld op nihil.

De rechtbank zal de benadeelde partij niet ontvankelijk verklaren in het overig gevorderde.

De rechtbank ziet als gevolg van verdachtes in zaak A onder 2 en 5 en in zaak B onder 1 bewezen verklaarde handelen [kort gezegd: bedreigingen] aanleiding ter zake van de vordering van de benadeelde partij de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht op te leggen.

8.3

Vordering benadeelde partij [benadeelde 3]

Mr. M. Berbee heeft namens de benadeelde partij [benadeelde 3] een vordering tot schadevergoeding van € 2.130,- ingediend tegen verdachte wegens immateriële en materiële schade die hij als gevolg van de in zaak A onder 2 en in zaak B onder 1 ten laste gelegde feiten zou hebben geleden.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde bij de bedreiging op 31 oktober 2019, zoals ten laste gelegd in zaak B onder 1, niet kan worden aangemerkt als rechtstreekse benadeelde, zodat de vordering met betrekking tot dit feit moet worden afgewezen. Ten aanzien van de bedreiging op 16 februari 2020, zoals ten laste gelegd in zaak A onder 2 heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld, dat gelet op het eigen aandeel van benadeelde, de vordering immateriële schade met betrekking tot dit feit moet worden gematigd tot een bedrag van € 300,-. Niet kan worden vastgesteld dat de jas van benadeelde door toedoen van verdachte beschadigd is geraakt, zodat de vordering op dit punt volgens de officier van justitie moet worden afgewezen.

De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de gevorderde immateriële schade met betrekking tot het voorval op 31 oktober 2019 moet worden afgewezen en dat de gevorderde immateriële schade met betrekking tot het voorval op 16 februari 2020, zoals ten laste gelegd in zaak A onder 2, moet worden gematigd.

Ten aanzien van de schade aan de jas heeft de raadsvrouw zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet ontvankelijk moet worden verklaard in de vordering, dan wel dat deze schade moet worden afgewezen. Niet duidelijk is of de beschadiging er al eerder was, hoe oud de jas was en of er afgeschreven zou moeten worden.

De rechtbank is van oordeel dat tegenover de betwisting door verdachte onvoldoende onderbouwd is dat de schade aan de jas het gevolg is van het bewezenverklaarde, zodat deze schade in deze strafzaak niet voor vergoeding in aanmerking komt.

De benadeelde partij heeft gesteld dat hij als gevolg van het in zaak B onder 1 ten laste gelegde feit immateriële schade heeft geleden. De rechtbank stelt vast dat niet ten laste is gelegd dat verdachte de benadeelde partij heeft bedreigd, maar diens partner. Daarom kan de benadeelde partij niet als slachtoffer van dit feit worden aangemerkt en kan de gevorderde immateriële schade die hij als gevolg van dat feit zou hebben geleden in deze strafzaak niet worden toegewezen. De benadeelde partij is wel het slachtoffer geweest van de bedreiging die op 16 februari 2020 heeft plaatsgevonden (zaak A, feit 2). In zo’n geval is alleen ruimte voor toekenning van immateriële schade indien daardoor sprake is van de aantasting van de persoon op een andere wijze, zoals bedoeld in artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek. Uit de stellingen van de benadeelde partij blijkt niet dat sprake is van geestelijk letsel in de zin van voornoemd artikel en de benadeelde partij heeft evenmin (voldoende) onderbouwd dat hij als gevolg van de bedreiging op andere wijze in zijn persoon is aangetast, zodat voor toekenning van immateriële schade geen plaats is.

Gelet op het voorgaande zal de rechtbank bepalen dat de benadeelde partij niet ontvankelijk is in de vordering.

9 Vordering tot tenuitvoerlegging

Bij vonnis van 3 september 2018 in de zaak met parketnummer 15-119702-18 heeft de politierechter te Noord-Holland verdachte ter zake van bedreiging en handelen in strijd met de artikelen 13, 26 en 27 van de Wet wapens en munitie veroordeeld tot onder meer een voorwaardelijke taakstraf voor de duur van 30 uren. Ten aanzien van die voorwaardelijke straf is de proeftijd op twee jaren bepaald onder de algemene voorwaarde dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit. De mededeling als bedoeld in artikel 366a Sv is op 6 november 2018 aan verdachte toegezonden.

De bij genoemd vonnis vastgestelde proeftijd is ingegaan op 18 september 2018 en was ten tijde van het indienen van de vordering van de officier van justitie nog niet geëindigd.

De officier van justitie vordert thans dat de rechtbank de vordering zal afwijzen, nu tenuitvoerlegging, gelet op de gevorderde straf en maatregel niet opportuun is.

De raadsvrouw stelt zich met de officier van justitie op het standpunt dat de vordering tot tenuitvoerlegging moet worden afgewezen.

De rechtbank heeft bij het onderzoek ter terechtzitting bevonden dat zij bevoegd is over de vordering te oordelen en dat de officier van justitie daarin ontvankelijk is.

De rechtbank is van oordeel dat de vordering dient te worden afgewezen, aangezien tenuitvoerlegging, gelet op de op te leggen straf en maatregel, niet opportuun is.

10 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

36f, 38, 38a, 38e, 57, 285 van het Wetboek van Strafrecht.

13, 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.

11 Beslissing

De rechtbank:

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte in zaak A onder 1 is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat verdachte de in zaak A onder 2 tot en met 5 en de in zaak B onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten heeft begaan zoals hiervoor onder 4. weergegeven.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.

Bepaalt dat de onder 4. bewezen verklaarde feiten de hierboven onder 5. vermelde strafbare feiten opleveren.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 265 dagen.

Bepaalt dat de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Gelast dat verdachte ter beschikking wordt gesteld, en stelt daarbij de volgende voorwaarden betreffende zijn gedrag:

1. Verdachte houdt zich aan de voorschriften en aanwijzingen die zijn en worden gegeven door de aangewezen reclasseringsorganisatie en hij moet zich zo frequent melden als de reclassering dat nodig acht. Daarnaast werkt betrokkene mee aan huisbezoeken door de reclassering.
2. Verdachte verblijft in FPK De Woenselse Poort te Eindhoven, of een soortgelijke setting, ook als dit overbruggingszorg inhoudt, en hij zal zich houden aan de daar geldende huis- en leefregels c.q. voorwaarden die daar aan hem gesteld worden en stelt zich hierin begeleidbaar op, ook als dit inhoudt inname van voorgeschreven medicatie.
3. Verdachte werkt, indien geïndiceerd, mee aan een plaatsing in een vervolgsetting, zoals een (forensische) beschermde/begeleide woonvorm en zal zich aldaar houden aan de geldende huis- en leefregels c.q. voorwaarden die aan hem gesteld worden.
4. Verdachte conformeert zich, na afloop van de klinische behandeling, aan een ambulante behandeling bij een door de reclassering geïndiceerde instelling, ook als dit inhoudt inname van voorgeschreven medicatie.
5. Verdachte zal niet van verblijfplaats veranderen dan na overleg met zijn behandelaren en de reclassering.
6. Verdachte zal zich actief inzetten voor het vinden en behouden van dagbesteding. Dit naar inschatting van de reclassering.
7. Verdachte is open over zijn netwerk en heeft geen bezwaar dat de personen met wie hij omgang heeft op ‘gepaste en discrete’ wijze door de reclassering worden gescreend.
8. Verdachte zal zich onthouden van alcohol- en druggebruik en zich niet onttrekken aan controles hierop.
9. Verdachte geeft inzicht in zijn financiën als daarom verzocht wordt en accepteert, indien door de reclassering nodig geacht, bewindvoering of andersoortige financiële ondersteuning.
10. Verdachte zorgt ervoor dat hij altijd bereikbaar is voor zijn begeleiders en behandelaren.
11. Verdachte pleegt geen strafbare feiten.
12. Verdachte geeft toestemming aan de reclassering tot het opvragen en uitwisselen van informatie aan alle instellingen die zij relevant achten en die van belang zijn voor een goede behandeling c.q. begeleiding in het kader. Tevens verleent hij zijn medewerking aan het maken van een digitale foto ten behoeve van zijn dossier en verleent hij ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking aan het nemen van een of meer vingerafdrukken, of biedt ter inzage een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht aan.
13. Verdachte werkt, indien de reclassering dit nodig acht, mee aan een crisisplaatsing van maximaal 7 weken in een door IFZ geïndiceerde kliniek. Deze crisisplaatsing kan eenmaal met 7 weken worden verlengd. Dit betekent 14 weken per kalenderjaar.
14. Verdachte begeeft zich niet zonder toestemming van het Openbaar Ministerie buiten de Nederlandse landsgrenzen.
15. Verdachte zoekt op geen enkele wijze, direct of indirect, contact met aangeefster: [benadeelde 2] , geboren op [geboortedatum 2] te Den Helder. Indien geïndiceerd wordt bij dit contactverbod Elektronische Controle ingezet.

16. Verdachte zoekt op geen enkele wijze, direct of indirect, contact met de ouders van aangeefster [benadeelde 2], te weten: [benadeelde 2] , geboren op [geboortedatum 3] en [benadeelde 1], geboren op [geboortedatum 4] en met de vriend van aangeefster [benadeelde 2], te weten: [benadeelde 3], geboren op [geboortedatum 5].

Geeft opdracht aan de reclassering bij de naleving van de voorwaarden hulp en steun te verlenen.

Beveelt dat de terbeschikkingstelling met voorwaarden dadelijk uitvoerbaar is.

Wijst deels toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij [benadeelde 1] geleden schade tot een bedrag van € 500,-, als vergoeding voor de immateriële schade, en veroordeelt verdachte tot betaling van dit bedrag vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 16 februari 2020 tot aan de dag der algehele voldoening, aan [benadeelde 1], voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting.

Veroordeelt verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.

Wijst af het meer of anders gevorderde.

Legt verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van slachtoffer [benadeelde 1] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 500,-, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 10 dagen gijzeling en bepaalt dat het te betalen bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 16 februari 2020 tot aan de dag der algehele voldoening. De toepassing van de gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.

Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij.

Wijst deels toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij [benadeelde 2] geleden schade tot een bedrag van € 1.553,78, als vergoeding voor materiële en immateriële schade, en veroordeelt verdachte tot betaling van dit bedrag vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 16 februari 2020 tot aan de dag der algehele voldoening, aan [benadeelde 2], voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting.

Veroordeelt verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet ontvankelijk in de vordering.

Legt verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van slachtoffer [benadeelde 2] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 1.553,78, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 25 dagen gijzeling en bepaalt dat het te betalen bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 16 februari 2020 tot aan de dag der algehele voldoening. De toepassing van de gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.

Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij.

Verklaart de benadeelde partij [benadeelde 3] niet-ontvankelijk in de vordering.

Bepaalt dat verdachte en de benadeelde partij ieder de eigen proceskosten dragen.

Wijst af de vordering van de officier van justitie tot tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de politierechter Noord-Holland in de zaak met parketnummer 15.119702.18 opgelegde voorwaardelijke straf.

Heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van verdachte met ingang van het tijdstip waarop de duur van die voorlopige hechtenis gelijk wordt aan de duur van de opgelegde gevangenisstraf.

Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door

mr. E.M. ten Bos, voorzitter,

mr. N. Boots en mr. S. Bek, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffier G.A.M. Delis,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 22 oktober 2020.

mr. E.M. ten Bos en mr. S. Bek zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.