Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2020:8510

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
23-10-2020
Datum publicatie
23-10-2020
Zaaknummer
15/253826-19
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Gevangenisstraf van acht jaar en TBS met dwangverpleging opgelegd voor doodslag in Purmerend. Verdachte heeft het lichaam van het slachtoffer gruwelijk verminkt. Toewijzing van 20.000 euro wegens shockschade en 17.500 euro wegens affectieschade voor de moeder van het slachtoffer. Vordering tot vergoeding van shock- en affectieschade van de zus van het slachtoffer niet-ontvankelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2020-0786
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Team Straf, locatie Alkmaar

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 15/253826-19 (P)

Uitspraakdatum: 23 oktober 2020

Tegenspraak

Vonnis

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 9 oktober 2020 in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ,

thans gedetineerd in het Justitieel Complex Zaanstad.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie

mr. S.M. de Vries en van hetgeen verdachte en zijn raadsman, mr. C.J.J. Visser, advocaat te Amsterdam, naar voren hebben gebracht.

1 Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 21 oktober 2019 te Purmerend, althans in Nederland, [slachtoffer]

opzettelijk (en met voorbedachten rade) van het leven heeft beroofd door die [slachtoffer] (meermalen) met een mes, althans een scherp voorwerp, in zijn (boven)lichaam en/of de hals te steken.

2 Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het Openbaar Ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3 Beoordeling van het bewijs

3.1

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot vrijspraak van het impliciet primair ten laste gelegde, te weten moord, en tot bewezenverklaring van het impliciet subsidiair ten laste gelegde, te weten doodslag.

3.2

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft het standpunt ingenomen dat verdachte van het hem ten laste gelegde moet worden vrijgesproken, omdat niet duidelijk is wat zich in de nacht van 20 op 21 oktober 2019 op de plaats delict precies heeft afgespeeld en er geen direct bewijs is dat verdachte een aandeel heeft gehad in de dood van het slachtoffer. Er zijn bijvoorbeeld geen directe getuigen en aan het gebruik van DNA-sporen als bewijsmiddel kleven beperkingen, aldus de raadsman. Onder verwijzing naar de verklaring van verdachte, heeft de raadsman daarbij opgemerkt, dat alternatieve scenario’s denkbaar zijn en dat verdachte ook geen motief had om het slachtoffer, die een vriend van hem was, te doden.

Verder heeft de verdediging aangevoerd dat het dossier geen bewijs bevat voor voorbedachte raad en dat daarvoor ook contra-indicaties zijn aan te wijzen. De raadsman heeft de rechtbank verzocht verdachte om die reden in elk geval van het impliciet primair ten laste gelegde, moord, vrij te spreken.

3.3

Oordeel van de rechtbank

3.3.1

Vrijspraak impliciet primair ten laste gelegde (moord)
Met de officier van justitie en de raadsman is de rechtbank van oordeel dat niet wettig en overtuigend is bewezen hetgeen aan verdachte impliciet primair is ten laste gelegd: moord. In het dossier zijn onvoldoende aanknopingspunten aanwezig om te kunnen vaststellen dat verdachte heeft gehandeld met de voor een bewezenverklaring van moord vereiste voorbedachte raad. Verdachte zal van dit feit dan ook worden vrijgesproken.

3.3.2

Bewijsmiddelen

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van de impliciet subsidiair laste gelegde doodslag op grond van de bewijsmiddelen die in de bijlage bij dit vonnis zijn vervat.

3.3.3

Bewijsmotivering

Op grond van de bewijsmiddelen acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte op 21 oktober 2019 in Purmerend [slachtoffer] opzettelijk met messteken van het leven heeft beroofd. De rechtbank overweegt daartoe het volgende.

Op 21 oktober 2019 om 8.21 uur komt de politie bij de woning van verdachte in de [flat] aan de [adres] te Purmerend. Aanleiding is een telefoontje van verdachte van tien minuten daarvoor naar het alarmnummer 112, waarin hij meldt dat zijn vriend overleden in de woning op de grond ligt. De politie gaat het appartement van verdachte binnen en vindt in de woonkamer een lichaam. Van het lichaam is op dat moment alleen een deel van het linkerbeen zichtbaar. Het bovenlijf en het hoofd zijn aan het oog onttrokken door een blauwe deken en op de benen liggen een omgekeerde houten tafel en een bureaustoel. Rond het lichaam zijn bloedspatten te zien op de vloer, de muren en het meubilair. Wanneer de verbalisanten de deken optillen, zien zij direct twee kennelijke steekwonden in de hals van het lichaam. De overleden persoon blijkt [slachtoffer] te zijn.

De schouwarts concludeert ter plekke dat sprake is van een niet natuurlijk overlijden. Bij de later verrichte sectie op het lichaam van het slachtoffer worden in totaal circa 25 steekletsels en circa 24 snijletsels vastgesteld. Het overlijden wordt volgens de patholoog verklaard door ademhalingsfunctiestoornissen, hartfunctiestoornissen en bloedverlies, ten gevolge van negen steekletsels in de borst.

Kort na het aantreffen van het slachtoffer is forensisch onderzoek gedaan in de woning. Daarbij is vastgesteld dat tussen de blote benen van het slachtoffer een spijkerbroek lag en dat de onderbroek onder het kruis rond de bovenbenen zat. De onderbroek, die binnenstebuiten zat, was uitgerekt en niet ‘opgepropt’, wat er op duidt dat de onderbroek aan de pijpen naar beneden is getrokken. Voorts zijn naast het hoofd van het slachtoffer de geslachtsdelen (penis en scrotum) van het slachtoffer op de grond aangetroffen, waarvan tijdens de sectie overigens is vastgesteld dat deze post mortem met een mes zijn verwijderd. Dit alles wijst erop, zo concludeert de rechtbank, dat iemand anders dan het slachtoffer zelf de onderbroek naar beneden heeft getrokken.

Naast het hoofd van het slachtoffer wordt ook een kartelmes aangetroffen met een scherpe punt en een verbogen lemmet. In de keuken lag in de spoelbak een gebroken mes, dat wil zeggen een los lemmet en een los heft. Beide messen blijken afkomstig te zijn uit de huisraad van verdachte.

De messen, de spijkerbroek en de onderbroek zijn bemonsterd op biologische sporen. Bij de kledingstukken zijn monsters genomen van plekken die gerelateerd kunnen worden aan het uittrekken van de kleding: de pijpen en de tailleband.

Uit onderzoeken door het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) is onder meer het volgende gebleken:

Op het gekartelde mes met verbogen lemmet zijn bloedsporen aangetroffen die op grond van de daaruit verkregen DNA-profielen kunnen worden toegeschreven aan het slachtoffer. Daarnaast is er in een bemonstering van (het lemmet van) dit mes een DNA-mengprofiel gevonden met daarin, naast DNA van het slachtoffer, DNA-nevenkenmerken die van verdachte kunnen zijn (matchkans kleiner dan 1 op 90.000).

Op het lemmet en het heft uit de spoelbak van de keuken zijn bloedsporen aangetroffen met daarin DNA van het slachtoffer.

In acht van de bemonsteringen van de spijkerbroek, die afkomstig zijn van zowel de binnenzijde als de buitenzijde van de tailleband en van de broekspijpen, is DNA gevonden van verdachte (naast dat van het slachtoffer).

In alle acht bemonsteringen van de onderbroek, die afkomstig zijn van de tailleband en de broekspijpen aan zowel de binnenzijde als de buitenzijde, is eveneens DNA van verdachte gevonden en – naast dat van het slachtoffer – van niemand anders.

De rechtbank verbindt aan deze laatste bevindingen de conclusie dat het verdachte moet zijn geweest die de spijkerbroek van het slachtoffer heeft uitgetrokken en de onderbroek van het slachtoffer naar beneden heeft getrokken.

Voorts is van belang dat op camerabeelden van de [flat] te zien is dat verdachte en het slachtoffer op 20 oktober 2019 rond 22.30 uur samen, elk met een fiets, aankomen bij de flat, in de lift stappen en kennelijk op de achtste verdieping, waarop de woning van verdachte is gelegen, de lift weer verlaten. Op 21 oktober 2019, om ongeveer 3.43 uur, stapt verdachte met zijn fiets weer in de lift, gaat hij daarmee naar beneden en verlaat hij het flatgebouw om, zo blijkt uit het dossier, naar de woning van zijn vriendin te gaan. Opvallend is dat verdachte op dat moment andere kleding draagt dan bij aankomst bij de flat. De kleding die verdachte ’s avonds bij zijn aankomst bij de flat, blijkens de camerabeelden op 20 oktober 2019 droeg, is de volgende ochtend voor een deel aangetroffen in de trommel van de wasmachine in de woning van verdachte.

Op grond van het vorenstaande, in onderling verband en samenhang beschouwd, is de rechtbank van oordeel dat het niet anders kan zijn dan dat verdachte degene is geweest die in zijn woning [slachtoffer] met messteken om het leven heeft gebracht.

Verdachte heeft (samengevat) verklaard dat in de nacht van 20 op 21 oktober 2019 drie mannen zijn woning zijn binnengekomen, die [slachtoffer] moesten hebben. Deze mannen dwongen verdachte in de gang op de grond te gaan liggen en zijn kleren uit te trekken. Vervolgens gingen de mannen naar de woonkamer, waar [slachtoffer] zich bevond, en was er gebonk en gestamp te horen. Na enige tijd mocht verdachte weg gaan van de overvallers. Hij heeft zich aangekleed, waarbij hij andere kleding pakte dan hij daarvóór droeg, is met de lift naar beneden gegaan en is vervolgens vertrokken. Pas toen hij de volgende ochtend rond 7.30 uur weer in zijn woning terugkwam, vond hij het lichaam van [slachtoffer] op de grond in de woonkamer, aldus verdachte.

De rechtbank stelt vast dat, ondanks het zeer uitgebreide onderzoek dat de politie heeft verricht, ook naar dit door verdachte geschetste scenario, er geen enkele aanwijzing is gevonden dat er in de nacht van 20 op 21 oktober 2019 andere personen in de woning van verdachte zijn geweest dan het slachtoffer en verdachte zelf. De lezing van verdachte wordt door de rechtbank als volstrekt ongeloofwaardig terzijde geschoven. Daarbij weegt mee dat verdachte op 21 oktober 2019 om 4.22 uur vanuit de woning van zijn vriendin een melding heeft gedaan bij het alarmnummer 112, waarin hij ongevraagd meedeelde dat zijn vriend (nog) in zijn huis aan de [adres] lag. De omstandigheid dat verdachte tijdens zijn melding het woord “ligt” gebruikte, is naar het oordeel van de rechtbank veelzeggend, omdat – wanneer het door verdachte geschetste scenario van de overval gevolgd zou worden – verdachte niet kon weten in welke toestand [slachtoffer] zich op het moment van zijn vertrek uit de woning bevond. Verdachte heeft immers verklaard dat hij in de gang moest blijven nadat de mannen waren binnengekomen, terwijl [slachtoffer] al die tijd in de woonkamer was. Voorts merkt de rechtbank op dat toen verdachte ’s nachts de [flat] verliet, om ongeveer 3.43 uur, op de camerabeelden niets is waar te nemen dat er op duidt dat verdachte net ‘slachtoffer’ was geworden van een overval in zijn woning. Integendeel, verdachte komt op die beelden rustig en niet gestrest over. Verdachte heeft ook niet direct de politie gebeld, maar pas een half uur later, toen hij – nota bene na het aantrekken van zijn regenbroek en handschoenen – bij zijn vriendin arriveerde.

Aan de overtuiging van de rechtbank draagt verder bij dat verdachte in zijn vele en uitgebreide verhoren bij de politie wisselend en inconsistent over de gang van zaken in de nacht van 20 op 21 oktober 2019 heeft verklaard. De rechtbank heeft sterk de indruk dat verdachte zijn verklaringen telkens heeft bijgesteld in reactie op de onderzoeksresultaten waarmee hij geconfronteerd werd. De verklaringen van verdachte komen op onderdelen ook niet overeen met hetgeen zijn vriendin heeft verklaard over wat verdachte haar heeft verteld, bijvoorbeeld op het punt van het al dan niet vastbinden van verdachte door de overvallers.

3.4.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het impliciet subsidiair ten laste gelegde feit heeft begaan, met dien verstande dat

hij op 21 oktober 2019 te Purmerend [slachtoffer] opzettelijk van het leven heeft beroofd door die [slachtoffer] meermalen met een mes in zijn bovenlichaam te steken.

Hetgeen aan verdachte impliciet subsidiair meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. Verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

4 Kwalificatie en strafbaarheid van het feit

Het bewezenverklaarde levert op:

Doodslag

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is dus strafbaar.

5 Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dus strafbaar.

6 Motivering van de sancties

6.1

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van acht jaren, met aftrek van het reeds ondergane voorarrest, en dat daarnaast aan hem zal worden opgelegd de maatregel van terbeschikkingstelling (TBS) met bevel tot verpleging van overheidswege.

6.2

Standpunt van de verdediging

Voor het geval de rechtbank tot een bewezenverklaring komt, heeft de raadsman verzocht in ieder geval geen TBS-maatregel aan verdachte op te leggen. Volgens de raadsman blijkt uit de rapporten van de deskundigen namelijk niet, althans onvoldoende, dat de door hen bij verdachte geconstateerde ziekelijke stoornis en/of gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens, invloed heeft gehad op het delict. Bovendien meent de raadsman dat niet is voldaan aan het gevaarscriterium.

Mocht de rechtbank overwegen toch een TBS-maatregel op te leggen, dan verzoekt de raadsman de rechtbank om, in lijn met het advies van de reclassering, de mogelijkheid van een TBS met voorwaarden te onderzoeken. De raadsman heeft in zoverre een voorwaardelijk verzoek om aanhouding van de zaak gedaan.

In reactie op de door de officier van justitie geëiste gevangenisstraf heeft de raadsman naar voren gebracht dat volgens hem uit de rechtspraak blijkt dat als uitgangspunt heeft te gelden dat voor een voltooide doodslag, een gevangenisstraf van tussen de zes en acht jaren wordt opgelegd, en dat vanuit die ‘basis’ naar strafverzwarende en -verminderende omstandigheden moet worden gekeken.

6.3

Oordeel van de rechtbank

Motivering van de hoofdstraf

Bij de beslissing over de hoofdstraf die aan verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, en de persoon van verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft op 21 oktober 2019 [slachtoffer] op uiterst gewelddadige wijze van het leven beroofd, waarbij in totaal 25 steekletsels en 24 snijletsels zijn toegebracht. Daarnaast was bij het slachtoffer sprake van letsels, toegebracht door uitwendig mechanisch stomp botsend geweld. Het menselijk leven is het hoogste in het recht te beschermen goed. Dat heeft verdachte het destijds 30-jarige slachtoffer op onvoorstelbaar brute wijze ontnomen.

De steek- en snijletsels waren, naast in de borst en buik, ook toegebracht in het gezicht. Volgens de patholoog waren er in het gelaat circa 21 min of meer parallel aan elkaar verlopende snijletsels, die soms zeer diep reikten. Bovendien heeft verdachte, nadat het slachtoffer al was overleden, diens lichaam nog verder, gruwelijk verminkt, door de geslachtsdelen (penis en scrotum) af te snijden. Het slachtoffer is hierdoor onteerd en van alle menselijke waardigheid beroofd.

Door dit alles heeft verdachte de dierbaren van het slachtoffer onmetelijke pijn en verdriet aangedaan, zoals onder meer blijkt uit de ter zitting voorgedragen slachtofferverklaringen van de moeder en de zus van [slachtoffer] . De omstandigheid dat het slachtoffer en verdachte voor 21 oktober 2019 vriendschappelijk met elkaar omgingen en er geen enkel aanknopingspunt voor een aanleiding voor deze huiveringwekkende daad is gebleken, maakt het gebeurde voor de nabestaanden onbegrijpelijk en onverteerbaar.

Het behoeft geen betoog dat door dit misdrijf ook de rechtsorde ernstig is geschokt. Afschuw, angst en gevoelens van onveiligheid onder burgers worden erdoor in de hand gewerkt.

Dit alles acht de rechtbank buitengewoon ernstig en zij rekent het verdachte zwaar aan.

Vanwege de aard en de ernst van het bewezen verklaarde feit komt naar het oordeel van de rechtbank slechts een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van aanzienlijke duur als passende straf in aanmerking.

Bij het bepalen van de duur van deze straf heeft de rechtbank enerzijds rekening gehouden met de buitengewoon gruwelijke aard van de onderhavige doodslag.

Anderzijds heeft de rechtbank in strafmatigende zin in aanmerking genomen dat – zoals hierna zal worden overwogen – verdachte als verminderd toerekeningsvatbaar moet worden aangemerkt en dat aan hem tevens een TBS-maatregel zal worden opgelegd.

Alles afwegende, acht de rechtbank de door de officier van justitie geëiste straf een passende en zij zal deze eis dan ook volgen. De rechtbank merkt hierbij op dat zij niet het standpunt van de raadsman deelt dat deze straf, in vergelijking met de huidige straftoemeting in zaken van doodslag, te hoog is.

Motivering van de maatregel

De rechtbank heeft kennis genomen van onder meer de volgende over de persoon van verdachte uitgebrachte rapporten en adviezen:

  • -

    het rapport van het psychologisch onderzoek Pro Justitia, opgesteld door drs. R.S. Turk, GZ-psycholoog, gedateerd 23 januari 2020;

  • -

    het rapport van het psychiatrisch onderzoek Pro Justitia, opgesteld door J. van der Meer, psychiater, gedateerd 28 januari 2020;

  • -

    het reclasseringsadvies, opgesteld door [reclasseringswerker 1] , werkzaam bij GGZ Reclassering Fivoor te Leiden, gedateerd 31 januari 2020;

  • -

    het milieurapport, opgesteld door [forensisch milieurapporteur] , forensisch milieurapporteur, gedateerd 31 juli 2020;

  • -

    het rapport van het aanvullend psychologisch onderzoek Pro Justitia, opgesteld door drs. R.S. Turk, voornoemd, gedateerd 13 augustus 2020;

  • -

    het rapport van het aanvullend psychiatrisch onderzoek Pro Justitia, opgesteld door J. van der Meer, voornoemd, gedateerd 19 augustus 2020;

  • -

    het reclasseringsadvies, opgesteld door [reclasseringswerker 2] , werkzaam bij GGZ Reclassering Fivoor te Heerhugowaard, gedateerd 23 september 2020.

In zijn rapport van 19 augustus 2020 komt de psychiater tot het oordeel dat bij verdachte sprake is van een stoornis in het gebruik van alcohol en cocaïne, een antisociale persoonlijkheidsstoornis en een lichte verstandelijke beperking. Deze stoornissen waren ook ten tijde van het ten laste gelegde aanwezig bij verdachte. De psychiater is verder van mening dat, gezien de ontkenning van verdachte en omdat uit de processtukken geen eenduidig delictscenario naar voren komt, niet kan worden nagegaan of en zo ja op welke manier de stoornissen van invloed zijn geweest op het gedrag van verdachte zoals ten laste gelegd. Om die reden onthoudt de psychiater zich van uitspraken over de toerekenbaarheid, het recidivegevaar en mogelijke interventies.

De psycholoog komt in zijn rapport van 13 augustus 2020 tot dezelfde diagnose als de psychiater: een lichte verstandelijke beperking, een antisociale persoonlijkheidsstoornis en stoornissen in het gebruik van alcohol en cocaïne. Verder houdt dit rapport onder meer het volgende in:

Verband diagnose en delict

Als de rechtbank het tenlastegelegde feit bewezen acht, kan verondersteld worden dat de stoornissen van betrokkene daarin hebben doorgewerkt. Deze stoornissen bestaan reeds geruime tijd.

Uit het toxicologisch onderzoek van het NFI komt naar voren dat betrokkene zoveel had gedronken dat gedragsveranderingen konden worden verwacht. Hij had bovendien cocaïne gebruikt.

Van de combinatie alcohol en cocaïne is bekend dat die tot gewelddadige en grensoverschrijdende uitspattingen kan leiden door kortsluiting in het brein.

De combinatie van alcohol en cocaïne met een verstandelijke beperking en een antisociale persoonlijkheidsstoornis is een zeer gevaarlijke en geschikt om volkomen door te draaien.

Betrokkene wist dat zijn alcohol- en druggebruik hem in moeilijkheden kon brengen want dat was hem vaker overkomen. Hij had zich beter in acht moeten nemen.

Aan de andere kant maken de verstandelijke beperking en de antisociale persoonlijkheidsstoornis dat betrokkene veel meer moeite heeft dan anderen grenzen te hanteren. Geadviseerd wordt dan ook het ten laste gelegde in verminderde mate aan hem toe te rekenen.

Risicotaxatie

Risicotaxatie met de HCR-20 en de SAPROF wijst op een hoge kans op gewelddadige

recidive.

Zorgprognose en beïnvloedingsmogelijkheden en interventieadvies en -condities

Een verstandelijke beperking is een stoornis die niet genezen kan worden, maar wel begeleid. De antisociale persoonlijkheidsstoornis is enigszins beïnvloedbaar, maar betrokkene is weinig leerbaar.

Vanwege gebrekkige cognitieve capaciteiten, het ontbreken van ziektebesef en het ontbreken van een behoefte te veranderen zal gedragsbeïnvloeding moeilijk worden.

Dit betekent dat het recidiverisico moeilijk onder controle is te brengen. Zonder langdurige en nauwlettende controle, bescherming, sturing en begeleiding zal betrokkene binnen de kortste keren terugvallen in problematisch gedrag.

Ambulante begeleiding heeft geen enkele zin. De problemen zijn daarvoor te groot.

De kans op recidive is groot.

Onderzoeker meent dat behandeling in het kader van TBS de enige realistische mogelijkheid biedt het recidiverisico blijvend te verlagen.

TBS met voorwaarden geeft onvoldoende garantie het recidivegevaar terug te dringen. Betrokkene is door zijn beperking niet in staat eventuele voorwaarden adequaat te hanteren. Hij mist daarvoor de benodigde stabiliteit en motivatie.

Hij is aangewezen op 24-uurs zorg en toezicht in een omgeving waarin men weet om te gaan met gedragsgestoorde en verstandelijk beperkte patiënten met verslavingsproblemen.

Aanbevelingen

Onderzoeker adviseert betrokkene de maatregel van TBS met bevel tot verpleging op te leggen indien het tenlastegelegde bewezen wordt geacht.

De rechtbank neemt de conclusies van de psychiater en de psycholoog over de bij verdachte vastgestelde, en ook ten tijde van het bewezenverklaarde aanwezige, stoornissen over. Voorts verenigt de rechtbank zich met de conclusie van de psycholoog over de doorwerking van die stoornissen in het gedrag van verdachte tijdens het bewezenverklaarde. De rechtbank volgt daarom ook het advies van de psycholoog om verdachte het bewezen verklaarde feit in verminderde mate toe te rekenen.

Met de officier van justitie is de rechtbank verder van oordeel dat het advies van de psycholoog met betrekking tot de oplegging van de TBS-maatregel moet worden gevolgd, mede gelet op de overige inhoud van het dossier en de indruk die de rechtbank ter zitting van de persoon van verdachte heeft gekregen. Daarbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat verdachte al vanaf 15-jarige leeftijd met politie en justitie in aanraking komt, vanwege met name agressie- en/of geweldsdelicten, en dat hij geen (althans onvoldoende) inzicht heeft in de aard en ernst van zijn persoonlijkheidsproblematiek.

De rechtbank is tevens van oordeel dat het noodzakelijk is dat verdachte van overheidswege zal worden verpleegd. Een TBS met voorwaarden biedt, zoals de psycholoog overtuigend heeft gemotiveerd, onvoldoende waarborgen om het recidivegevaar te beteugelen.

Aan de formele vereisten voor oplegging van de maatregel van TBS met dwangverpleging is voldaan, nu bij verdachte tijdens het begaan van het feit een gebrekkige ontwikkeling en een ziekelijke stoornis van de geestvermogens bestond en het door verdachte begane feit een misdrijf is waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaren of meer is gesteld. Daarnaast eist de algemene veiligheid van personen het opleggen van deze maatregel, gezien de uitkomst van de risicotaxatie door de psycholoog en ook de mening van de reclassering (in het advies van 31 januari 2020) dat het recidivegevaar en het risico op letselschade beide als hoog moeten worden ingeschat.

Nu de maatregel van terbeschikkingstelling zal worden opgelegd ter zake van een misdrijf dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen, te weten doodslag, kan de totale duur van de maatregel een periode van vier jaren te boven gaan.

Afwijzing voorwaardelijk verzoek

Het verzoek van de raadsman om, in geval de rechtbank wil overgaan tot het opleggen van een TBS-maatregel, de mogelijkheid van TBS met voorwaarden (nader) te onderzoeken, wordt afgewezen.

Zoals hiervoor overwogen, is de rechtbank van oordeel dat aan verdachte een gevangenisstraf van meer dan vijf jaren moet worden opgelegd. De combinatie van die straf met TBS met voorwaarden is wettelijk uitgesloten.

Daarnaast acht de rechtbank, zoals hierboven eveneens is uiteengezet, dwangverpleging van verdachte noodzakelijk.

Bij deze stand van zaken is er geen aanleiding voor (nader) onderzoek naar de mogelijkheid van TBS met voorwaarden, nog daargelaten dat het kennelijke advies hiertoe van de reclassering zeer summier is onderbouwd.

7 Beslissing ten aanzien van het beslag

De officier van justitie heeft ter zitting de beslaglijst beperkt tot een drietal messen, waarvan zij de onttrekking aan het verkeer heeft gevorderd.

De raadsman heeft zich over het beslag niet uitgelaten.

De rechtbank is met de officier van justitie van oordeel dat de onder verdachte in beslag genomen en niet teruggegeven messen, op de beslaglijst als volgt omschreven:

- 1 STK Mes (1080045) (Omschrijving: zwart, merk: le Chef)

- 1 STK Mes (1080048)

- 1 STK Mes (1080049) (Omschrijving: zwart)

dienen te worden onttrokken aan het verkeer. Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat het bewezen verklaarde feit met behulp van die voorwerpen is begaan en het ongecontroleerde bezit van de voorwerpen is in strijd met de wet of het algemeen belang.

8 Vorderingen benadeelde partijen

[benadeelde partij 1]

De benadeelde partij [benadeelde partij 1] (moeder van [slachtoffer] ) heeft, door tussenkomst van mr. D.J. Klock als haar gemachtigde, een vordering tot schadevergoeding van € 47.500,- ingediend tegen verdachte wegens immateriële schade die zij als gevolg van het ten laste gelegde feit zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag.

De gestelde immateriële schade is opgebouwd uit een bedrag van € 30.000,- wegens shockschade en een bedrag van € 17.500,- wegens affectieschade.

Daarnaast wordt een bedrag van € 153,67 (€ 144,77 + € 8,90) aan proceskosten (reis- en parkeerkosten) gevorderd.

Ter zitting heeft de gemachtigde de vordering van de benadeelde partij mondeling toegelicht. Daarbij heeft zij, ter nadere onderbouwing van de shockschade, gewezen op een recent arrest van het gerechtshof Amsterdam (ECLI:NL:GHAMS:2020:2439).

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot integrale toewijzing van de vordering.

De raadsman van verdachte heeft verzocht de benadeelde partij wat betreft de shockschade niet-ontvankelijk te verklaren, nu zij niet direct is geconfronteerd met het delict en er ook geen onverhoedse confrontatie met het stoffelijk overschot heeft plaatsgevonden. Subsidiair heeft de raadsman verzocht het bedrag te matigen.

Met betrekking tot de affectieschade heeft de verdediging geen opmerkingen gemaakt.

De reis- en parkeerkosten van de benadeelde partij komen volgens de raadsman op grond van artikel 238 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering niet als proceskosten voor vergoeding in aanmerking.

De rechtbank overweegt als volgt.

shockschade

Shockschade – psychische schade die optreedt bij een ander dan het directe slachtoffer van (in dit geval) een misdrijf – komt in het algemeen slechts voor vergoeding in aanmerking indien

(i) de betrokkene rechtstreeks wordt geconfronteerd met de omstandigheden waaronder het misdrijf heeft plaatsgevonden,

(ii) deze confrontatie bij de betrokkene een hevige schok teweeggebracht heeft, wat zich met name kan voordoen als sprake is van een nauwe (affectieve) band met degene die door het misdrijf is gedood of gewond geraakt, en

(iii) uit deze hevige schok geestelijk letsel is voortgevloeid en dit letsel in rechte kan worden vastgesteld, wat in het algemeen slechts het geval zal zijn als er sprake is van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld.

Wat betreft voorwaarde (i) heeft de (civiele kamer van de) Hoge Raad in zijn arrest van

22 februari 2002 (ECLI:NL:HR:2002:AD5356) geoordeeld dat de opvatting dat is vereist dat de betrokkene direct betrokken is geweest bij het misdrijf, niet als juist kan worden aanvaard. “Voldoende is dat een rechtstreeks verband bestaat tussen het gevaarzettend handelen enerzijds en het geestelijk letsel dat een derde door de confrontatie met de gevolgen van dit handelen oploopt anderzijds. Deze confrontatie kan ook plaatsvinden (kort) nadat de gebeurtenis die tot de dood of verwonding van een ander heeft geleid, heeft plaatsgevonden”, aldus de Hoge Raad.

In dit geval is de benadeelde partij door de politie in kennis gesteld van het feit dat haar zoon door geweld om het leven was gekomen. Enkele dagen hierna heeft zij het gruwelijk verminkte stoffelijk overschot van haar zoon moeten identificeren. Dit alles heeft haar hevig geschokt en psychische klachten veroorzaakt.

Uit een in het geding gebrachte brief van de behandelend psycholoog van de benadeelde partij blijkt dat zij lijdt aan een posttraumatische stressstoornis, wat een in de psychiatrie erkend ziektebeeld is.

De benadeelde partij komt, ook gezien de verdere onderbouwing, daarom in aanmerking voor toewijzing van vergoeding van shockschade. De rechtbank zal de omvang van de shockschade op de voet van het bepaalde in artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek (BW) naar billijkheid schatten op € 20.000,-. Het overige deel van de vordering tot vergoeding van shockschade zal worden afgewezen.

affectieschade

Op grond van artikel 6:108 lid 3 BW is, wanneer iemand overlijdt door een gebeurtenis waarvoor een ander jegens hem aansprakelijk is, die ander verplicht tot vergoeding van affectieschade aan de in lid 4 van dat artikel genoemde naasten. Onder deze naasten vallen onder meer de ouders van de overledene. De bedragen die voor deze schade kunnen worden toegekend staan vermeld in het Besluit vergoeding affectieschade. Op grond van artikel 51f, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering (Sv) kan deze schadevergoeding in het strafproces worden gevorderd.

Het slachtoffer was ten tijde van zijn overlijden meerderjarig en woonde niet meer bij zijn moeder, zodat de affectieschade voor zijn moeder € 17.500,- bedraagt. De rechtbank zal daarom dit deel van de vordering geheel toewijzen.

Samenvattend zal de vordering dus worden toegewezen tot een totaalbedrag van € 37.500,- wegens immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 21 oktober 2019 tot aan de dag van de algehele voldoening.

proceskosten

Verdachte dient op grond van artikel 532 Sv te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken. De tot op heden door de benadeelde partij gemaakte kosten worden vastgesteld op € 153,67. Ook al wordt de benadeelde partij bijgestaan door een gemachtigd advocaat, de rechtbank acht het billijk vergoeding van deze kosten toe te wijzen.

schadevergoedingsmaatregel

De rechtbank ziet als gevolg van verdachtes bewezen verklaarde handelen [kort gezegd: doodslag] aanleiding ter zake van de vordering van de benadeelde partij de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht op te leggen.

[benadeelde partij 2]

De benadeelde partij [benadeelde partij 2] (zus van [slachtoffer] ) heeft, door tussenkomst van mr. D.J. Klock als haar gemachtigde, een vordering tot schadevergoeding van € 22.885,- ingediend tegen verdachte wegens materiële en immateriële schade die zij als gevolg van het ten laste gelegde feit zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag.

De gestelde materiële schade betreft het eigen risico van de zorgverzekering over 2020 (een bedrag van € 385,-) in verband met therapie. De gestelde immateriële schade is opgebouwd uit een bedrag van € 5.000,- wegens shockschade en een bedrag van € 17.500,- wegens affectieschade.

Daarnaast wordt een bedrag van € 85,55 (€ 76,65 + € 8,90) aan proceskosten (reis- en parkeerkosten) gevorderd.

Ter zitting heeft de gemachtigde de vordering van de benadeelde partij mondeling toegelicht. Daarbij heeft zij, ter nadere onderbouwing van de shockschade, gewezen op een recent vonnis van de rechtbank Den Haag (ECLI:NL:RBDHA:2020:450).

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot integrale toewijzing van de vordering.

De raadsman van verdachte heeft gesteld dat de vordering wat betreft het eigen risico van de zorgverzekering onvoldoende is onderbouwd.

De verdediging meent verder dat de benadeelde partij wat betreft de affectieschade niet-ontvankelijk verklaard dient te worden, omdat de wet niet voorziet in de mogelijkheid van vergoeding van affectieschade voor broers en zussen en niet van een uitzonderlijke situatie is gebleken.

Tot slot heeft de raadsman verzocht de benadeelde partij ook wat betreft de shockschade niet-ontvankelijk te verklaren, nu de benadeelde niet direct is geconfronteerd met het delict en er ook geen onverhoedse confrontatie met het stoffelijk overschot heeft plaatsgevonden.

De rechtbank zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in alle onderdelen van de vordering en overweegt daartoe het volgende. De rechtbank merkt echter allereerst op dat zij er niet aan twijfelt dat de benadeelde partij door het overlijden van haar broer ernstig is geschokt en dat zij daarvoor thans therapie volgt. De rechtbank zal de vordering echter moeten beoordelen met inachtneming van de wettelijke regels.

affectieschade

Zussen en broers van de overledene komen ingevolge de wet in beginsel niet voor affectieschade in aanmerking, tenzij zij ten tijde van de gebeurtenis in een zodanige nauwe persoonlijke relatie tot de overledene staan, dat uit de eisen van redelijkheid en billijkheid voortvloeit dat zij voor de toepassing van artikel 6:108 lid 3 BW als naasten worden aangemerkt (artikel 6:108 lid 4 onder g BW). Daarvan kan sprake zijn wanneer zij in een bepaalde zorgrelatie tot elkaar stonden of wanneer zij, als volwassenen, een langdurige gemeenschappelijke huishouding voerden.

Uit de ingediende vordering en de ter terechtzitting voorgedragen verklaring van de benadeelde partij blijkt dat zij een hechte band had met haar broer en dat zij zich om hem bekommerde.

De dood van [slachtoffer] heeft zijn zus diep getroffen en de rechtbank ziet, zoals vermeld, haar onnoemelijke verdriet om dit verlies. Ondanks de hechte band die zij met elkaar hadden, is echter niet gebleken dat de verhouding tussen de benadeelde partij en haar broer sterk afweek van wat in het algemeen geldt voor volwassen kinderen uit één gezin, van wie één van beiden maatschappelijke begeleiding nodig heeft. Zo hadden broer en zus geen specifieke zorgrelatie en woonden zij ook niet samen. Dit maakt dat de benadeelde partij geen aanspraak kan maken op affectieschade, althans dat dit thans onvoldoende is onderbouwd.

shockschade

Zoals hierboven uiteengezet, kan vergoeding van shockschade slechts plaatsvinden als bij de benadeelde partij een hevige emotionele schok wordt teweeggebracht door rechtstreekse confrontatie met (de gevolgen van) het misdrijf, en uit die emotionele schok geestelijk letsel is voortgevloeid. Bij die confrontatie gaat het blijkens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad om het (onverhoeds) waarnemen van het misdrijf zelf en/of van het lichaam en de verwondingen van het slachtoffer (kort) na het misdrijf.

De rechtbank gaat er zonder meer van uit dat de benadeelde partij nadelige psychische gevolgen heeft ondervonden van de gewelddadige dood van haar broer. De benadeelde partij heeft het misdrijf echter niet gezien en er is bij haar – anders dan bij de moeder van het slachtoffer, die het lichaam heeft moeten identificeren – ook geen sprake geweest van het (onverhoeds) waarnemen van het lichaam en de verwondingen van het slachtoffer (kort) na het misdrijf. Het, ten behoeve van het (ook door anderen) waardig afscheid nemen van het slachtoffer (de condoleance en de uitvaartplechtigheid), zien van het lichaam en het bedekken van bepaalde onderdelen van het lichaam, kan niet als zodanig gelden. Er is met andere woorden niet voldaan aan het confrontatievereiste. De psychische gevolgen voor de benadeelde partij kunnen daarom niet worden aangemerkt als rechtstreekse schade ten gevolge van het bewezen verklaarde feit.

materiële schade

Uit hetgeen hiervoor is overwogen met betrekking tot het ontbreken van een rechtstreeks verband tussen het bewezen verklaarde feit en de psychische gevolgen voor de benadeelde partij volgt dat de vergoeding van het eigen risico van de zorgverzekering evenmin kan worden toegewezen.

proceskosten

De beslissing dat de benadeelde partij in de gehele vordering niet-ontvankelijk is, heeft tot gevolg dat de benadeelde partij haar eigen proceskosten zal moeten dragen.

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De artikelen 36b, 36c, 36f, 37a, 37b en 287 van het Wetboek van Strafrecht zijn van toepassing.

10 Beslissing

De rechtbank:

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte impliciet primair is ten laste gelegd (moord) en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat verdachte het impliciet subsidiair ten laste gelegde feit heeft begaan zoals hiervoor onder 3.4 weergegeven.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte impliciet subsidiair meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.

Bepaalt dat het bewezen verklaarde feit het hierboven onder 4. vermelde strafbare feit oplevert (doodslag).

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 (acht) jaren.

Bepaalt dat de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Gelast dat verdachte ter beschikking wordt gesteld, en beveelt dat hij van overheidswege wordt verpleegd.

Onttrekt aan het verkeer:

- 1 STK Mes (1080045) (Omschrijving: zwart, merk: le Chef)

- 1 STK Mes (1080048)

- 1 STK Mes (1080049) (Omschrijving: zwart).

Wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij [benadeelde partij 1] geleden schade tot een bedrag van € 37.500,- (zevenendertigduizend vijfhonderd euro) als vergoeding voor de immateriële schade en veroordeelt verdachte tot betaling van dit bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 21 oktober 2019 tot aan de dag der algehele voldoening, aan [benadeelde partij 1] , voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting.

Wijst de vordering voor het overige af.

Veroordeelt verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op € 153,67, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.

Legt verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van slachtoffer [benadeelde partij 1] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 37.500,- (zevenendertigduizend vijfhonderd euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 222 dagen gijzeling en bepaalt dat het te betalen bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 21 oktober 2019 tot aan de dag der algehele voldoening. De toepassing van de gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.

Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij.

Verklaart de benadeelde partij [benadeelde partij 2] niet-ontvankelijk in de vordering.

Bepaalt dat deze benadeelde partij de eigen proceskosten draagt.

Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door

mr. S. Jongeling, voorzitter,

mrs. N.O.P. Roché en C.H. de Jonge van Ellemeet, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffier A. Helder,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 23 oktober 2020.

Mr. De Jonge van Ellemeet is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

[bijlage: de bewijsmiddelen]