Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2020:8499

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
09-09-2020
Datum publicatie
01-12-2020
Zaaknummer
8029495
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Overeenkomst van opdracht; bemiddeling beleggingshypotheek. Betalen bij onverhoopte beëindiging van opdracht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Afdeling Privaatrecht

Sectie Kanton – locatie Haarlem

zaak/rolnr.: 8029495/ CV EXPL 19-13408

datum uitspraak: 9 september 2020

VONNIS VAN DE KANTONRECHTER

inzake

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[eiseres]

gevestigd te [vestigingsplaats]

eiseres in conventie

verweerster in reconventie

hierna te noemen: [eiseres]

gemachtigde: J. Pijtak

tegen

[gedaagde]

wonende te [woonplaats]

gedaagde in conventie

eiseres in reconventie

hierna te noemen: [gedaagde]

procederend in persoon

De procedure

[eiseres] heeft [gedaagde] gedagvaard op 22 augustus 2019. [gedaagde] heeft na verleend uitstel schriftelijk geantwoord en daarbij een tegenvordering ingesteld.

[eiseres] heeft schriftelijk op het antwoord en de tegenvordering gereageerd, waarna [gedaagde], na diverse malen uitstel te hebben gekregen, een schriftelijke reactie in conventie en in reconventie heeft gegeven. Daarna heeft [eiseres] gedupliceerd in reconventie.

De feiten

  1. Op 2 januari 2018 hebben partijen een overeenkomst van opdracht gesloten, neergelegd in een opdrachtbevestiging, op grond waarvan [eiseres] onder meer zou bemiddelen bij het tot stand brengen van een beleggingshypotheek bij een bank en bij het sluiten van een overlijdensrisicoverzekering bij een bank of verzekeraar.

  2. In de ondertekende opdrachtbevestiging is onder meer vermeld: “Het afgesproken bedrag voor deze dienstverlening is € 3.695,00 euro. Het afgesproken bedrag voor deze werkzaamheden is op basis van een vast tarief. Bij een mogelijke afwijzing of beeindiging van het dossier zullen wij een bedrag van € 1.000,00 in rekening brengen.”

  3. [eiseres] heeft namens [gedaagde] twee afwijzingen ter zake van de gevraagde hypotheekverstrekking ontvangen.

  4. Op 6 juni 2018 heeft [eiseres] aan [gedaagde] een nota met factuurnummer [factuurnummer] gestuurd, inhoudende:

“Nota voor de verrichte werkzaamheden na afwijzing geldverstrekkers conform de
getekende opdrachtbevestiging.

Afgesproken bedrag € 1.000,00

Totaal € 1.000,00”.

[gedaagde] heeft dit bedrag niet aan [eiseres] voldaan.

Per e-mail van 6 juni 2018 heeft [gedaagde] aan [eiseres] gevraagd of hij al haar stukken in dropbox wilde zetten. Daarop heeft [eiseres] – onder meer – geantwoord: “ik zal een overzicht schrijven volgens de onder de AVG gebruikelijke informatieverstrekkingstraject.(…) Tijdens het gehele traject heb ik je tussentijds meerdere malen een samenvatting gegeven. Zowel telefonisch,
e-mail als op kantoor. Wederom stel ik voor om op kantoor een afspraak te hebben om zodoende jou vragen direct uit te leggen/beantwoorden. Voor morgen heb ik al ruimte voor jou gemaakt tussen 9.00 en 11.00 of maandag tussen 13.00 en 14.00 Ik hoor het graag van je”.

Op 14 juni 2018 heeft [eiseres] aan [gedaagde] onder meer bericht – samengevat – dat hij het betreurt dat zij van geen van beide voorgestelde dagen gebruik heeft gemaakt, dat hij graag een voorkeursdatum en –tijd van haar verneemt, dat hij hierbij een overzicht conform de AVG vermeldt en dat [gedaagde] de door haar aangeleverde stukken kan komen ophalen.

Daarop heeft [gedaagde] per e-mail op dezelfde dag gereageerd met een verzoek een kopie van alle stukken digitaal of in kopie toe te sturen. Op 20 juni 2018 heeft [eiseres] [gedaagde] per e-mail laten weten dat zij de uitgeprinte stukken op 21 juni of 25 juni op zijn kantoor kan ophalen. Per e-mail d.d. 25 juni 2018 heeft [gedaagde] nogmaals meegedeeld alle stukken digitaal of in kopie te willen ontvangen. [eiseres] heeft op 25 juni 2018 per e-mail aan [gedaagde], verwezen naar zijn e-mail d.d. 20 juni 2018 en heeft aangegeven dat er niets meer van haar is vernomen, zij de stukken niet heeft afgehaald en hij het graag hoorde als zij dit alsnog wilde doen.

De vordering in conventie

[eiseres] vordert (samengevat) veroordeling van [gedaagde]:

- tot betaling van € 1.000,00 te vermeerderen met rente vanaf 14 dagen na factuurdatum tot de dag van algehele voldoening;

- voorts tot betaling van de buitengerechtelijke kosten ten belope van € 150,00;

- tot betaling van de nakosten van € 100,00 en overige proceskosten.

[eiseres] legt aan de vordering de overeenkomst van opdracht ten grondslag en stelt dat bleek dat de door [gedaagde] aangegeven inkomensbronnen te laag of te kort aanwezig waren en de door haar genoemde derde die zou meetekenen, daartoe niet bereid bleek. Pas toen [gedaagde] de factuur had ontvangen, begon zij de juistheid van de activiteiten van [eiseres] in twijfel te trekken. Uiteindelijk heeft [eiseres] vele stukken aan haar toegezonden en heeft hij aangeboden om ten kantore daadwerkelijk alle stukken te komen inzien, maar van deze mogelijkheid heeft [gedaagde] nimmer gebruik gemaakt. Ook na het toesturen van alle stukken bleef betaling uit, aldus [eiseres].

Het verweer in conventie en de vordering in reconventie

[gedaagde] betwist de vordering van [eiseres]. Zij voert aan dat haar altijd is gezegd dat [eiseres] op no cure no pay basis werkte. Zij heeft de opdrachtbevestiging ondertekend, maar slechts half, omdat ze toen zag staan dat ze € 1.000,00 moest betalen. Volgens [gedaagde] heeft [eiseres] nimmer een volledige aanvraag ingediend en met haar besproken. Dit alles heeft niets opgeleverd maar haar veel stress en uren van haar boekhouder en haar zakelijk partner en dergelijke opgeleverd. Zij heeft gevraagd om inzage van de stukken die [eiseres] heeft opgesteld voor de bank maar die heeft zij nimmer ontvangen. Daarom vordert zij in reconventie betaling van een schadevergoeding van € 2.500,00 voor alle gemaakte kosten en onnodige tijd. Volgens haar wist [eiseres] dat hij niets voor haar kon betekenen en heeft hij nooit een goede aanvraag ingediend.

De beoordeling in conventie

[eiseres] heeft bij repliek gemotiveerd betwist dat hij ooit op no cure no pay basis werkt en hij stelt dat dit ook nimmer met [gedaagde] is besproken, laat staan dat partijen dit zijn overeengekomen. Hierop is [gedaagde] bij dupliek niet meer ingegaan. Dit verweer wordt dan ook als niet onderbouwd verworpen. Daarbij komt dat [eiseres] haar de opdrachtbevestiging ter ondertekening heeft voorgelegd, waarin duidelijk de betalingscondities zijn vermeld.

[gedaagde] voert voorts aan dat zij halverwege zou zijn gestopt met het zetten van haar handtekening omdat zij toen las dat zij bij onverhoopte beëindiging van de opdracht € 1.000,00 moest betalen. Ook deze gang van zaken heeft [eiseres] gemotiveerd weersproken, waarna [gedaagde] hierop niet meer is teruggekomen. Bovendien heeft zij blijkens de overgelegde correspondentie na ontvangst van de nota nimmer een beroep op de door haar gestelde no cure no pay basis van de overeenkomst gedaan. Dit verweer wordt dan ook gepasseerd. Bovendien staat vast dat [gedaagde] de opdracht aan [eiseres] niet, naar aanleiding van de thans door haar bestreden zinsnede in de opdrachtbevestiging, heeft ingetrokken.

[eiseres] bevestigt dat hij wist dat een hypotheek op uitsluitend [gedaagde] daadwerkelijk uitgekeerde inkomen niet zou worden verstrekt; zij heeft hem echter meegedeeld dat een derde bereid was om mee te tekenen voor de hypotheekverstrekking en eveneens dat het op papier aan haar toekomende loon ook daadwerkelijk door haar onderneming aan haar was uitbetaald. Daarmee heeft zij hem een onjuiste voorstelling van zaken gegeven. Pas toen bleek dat bedoelde derde niet wilde mee tekenen, bleek dat geen hypotheekverstrekker haar aanvrage zou honoreren. Dat is de reden waarom hij de werkzaamheden heeft gestaakt. [gedaagde] heeft ook dit onvoldoende gemotiveerd bestreden. Wel voert zij aan dat de aanvraag niet volledig zou zijn, maar zoals [eiseres] heeft betoogd leidt dat niet zonder meer tot een afwijzing van de aanvraag maar tot het verzoek om aanvullende gegevens. Dat sprake is geweest van een dergelijk verzoek is gesteld noch gebleken.

Voor zover [gedaagde] dan ook heeft bedoeld aan te voeren dat zij niet hoeft te betalen omdat het door [eiseres] verrichte werk ondeugdelijk is, heeft zij dat onvoldoende onderbouwd. Ook dit verweer dient daarom te stranden.

De conclusie uit hetgeen hiervoor is overwogen luidt dat de vordering ter zake van de betaling van € 1.000,00 toewijsbaar is, te vermeerderen met de niet weersproken rente vanaf twee weken na ontvangst van de nota.

[eiseres] maakt aanspraak op vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De gevorderde vergoeding komt echter niet voor toewijzing in aanmerking, nu gesteld noch gebleken is dat een aanmaning conform de eisen van artikel 6:96 lid 6 BW heeft plaatsgevonden.

De proceskosten komen voor rekening van [gedaagde] omdat deze merendeels in het ongelijk wordt gesteld. De wettelijke rente over de proceskosten wordt eveneens toegewezen.
Daarbij wordt [gedaagde] ook veroordeeld tot betaling van nasalaris, voor zover daadwerkelijk nakosten door [eiseres] worden gemaakt.

De beoordeling in reconventie

Reeds gelet op hetgeen in conventie is overwogen, ontbeert de vordering tot toekenning van een schadevergoeding van € 2.500,00 een rechtsgrond, nog daargelaten dat deze vordering niet cijfermatig is onderbouwd. Deze vordering wordt daarom afgewezen. De proceskosten komen voor rekening van [gedaagde]. Wel worden deze gelet op de samenhang van deze vordering met de vordering in conventie gehalveerd.

De beslissing

De kantonrechter:

IN CONVENTIE

- veroordeelt [gedaagde] tot betaling aan [eiseres] van € 1.000,00 te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 21 juni tot aan de dag van de algehele voldoening;

- veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de proceskosten, die aan de kant van [eiseres] tot en met vandaag worden begroot op de volgende bedragen:

dagvaarding € 85,14

griffierecht € 486,00

salaris gemachtigde € 240,00;
vermeerderd met de wettelijke rente over de proceskosten vanaf de datum gelegen 14 dagen na betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling;

- veroordeelt [gedaagde] tot betaling van € 60,00 aan nasalaris, voor zover daadwerkelijk nakosten door [eiseres] worden gemaakt, te vermeerderen, indien betekening van het vonnis heeft plaatsgevonden, met de explootkosten van betekening van het vonnis.

- verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

- wijst af het meer of anders gevorderde;

IN RECONVENTIE

- wijst de vordering af;

- veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, die aan de zijde van [eiseres] worden bepaald op € 120,00 aan salaris gemachtigde;

- verklaart dit vonnis voor wat betreft deze proceskosten uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. C.E. van Oosten-van Smaalen en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van bovengenoemde datum in aanwezigheid van de griffier.