Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2020:8439

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
27-10-2020
Datum publicatie
02-11-2020
Zaaknummer
AWB - 20 _ 189
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

IB/pvv in geschil: oa

Tijdigheid aanslag

Afwijking van voorlopige aanslag in de definitieve aanslag

Kwalificatie van het inkomen

Kosten voor het voeren van procedures

Specifieke zorgkosten

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 03-11-2020
V-N Vandaag 2020/2682
FutD 2020-3283
NTFR 2020/3190
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank noord-holland

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummers: HAA 20/189 en HAA 20/190

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 27 oktober 2020 in de zaken tussen

drs. [X] , wonende te [Z] , eiseres,

en

de inspecteur van de Belastingdienst/Particulieren, kantoor Amsterdam, verweerder.

Procesverloop

20/189

Verweerder heeft aan eiseres voor het jaar 2016 een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd met dagtekening 4 mei 2019, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 14.896. Verweerder heeft daarbij bij afzonderlijke beschikking een bedrag van € 196 aan belastingrente in rekening gebracht. Daarnaast heeft verweerder aan eiseres voor het jaar 2016 met dezelfde dagtekening een aanslag inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet (Zvw) opgelegd naar een bijdrage-inkomen van € 0.

20/190

Verweerder heeft aan eiseres voor het jaar 2017 een aanslag IB/PVV opgelegd met dagtekening 2 juli 2019, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 15.064. Verweerder heeft daarbij bij afzonderlijke beschikking een bedrag van € 9 aan belastingrente in rekening gebracht. Daarnaast heeft verweerder aan eiseres voor het jaar 2017 met dezelfde dagtekening een aanslag Zvw opgelegd naar een bijdrage-inkomen van € 0.

Bezwaar en beroep

Verweerder heeft bij uitspraken op bezwaar van 12 november 2019 de aanslagen IB/PVV en de beschikkingen inzake belastingrente gehandhaafd.

Eiseres heeft beroepen ingesteld tegen de uitspraken op bezwaar.

Verweerder heeft verweerschriften ingediend.

Eiseres heeft vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn in afschrift verstrekt aan verweerder.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 augustus 2020 te Haarlem. Op dezelfde zitting is ook de zaak van eiseres met nummer HAA 20/2618 behandeld.

Eiseres is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door [A] en mr. [B] .

Ter zitting hebben partijen ermee ingestemd dat de rechtbank de beroepen mede opvat als rechtstreekse beroepen tegen de aanslagen Zvw als bedoeld in artikel 7:1a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

Overwegingen

Feiten

1. Eiseres is geboren op [,,] .

2. Met dagtekening 23 juni 2016 heeft verweerder aan eiseres een voorlopige aanslag IB/PVV voor het jaar 2016 opgelegd. Het te ontvangen bedrag was € 2.512.

3. Het UWV heeft op 23 maart 2017 het inkomen van eiseres over 2016 aan verweerder gerenseigneerd. Volgens het bericht ontving eiseres in dat jaar loon ten bedrage van € 14.896, waarover € 3.203 aan loonheffing werd ingehouden. Als inhoudingsplichtige wordt de gemeente [Z] genoemd. De code voor het soort inkomen is volgens het bericht ‘43 - Participatiewet’.

4. Bij brief van 17 december 2018 heeft eiseres op grond van de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG) een verzoek om gegevenswissing ingediend bij verweerder. Hierover loopt inmiddels een beroep bij de Rechtbank Amsterdam.

5. Met dagtekening 1 februari 2019 heeft verweerder aan eiseres een voorlopige aanslag IB/PVV voor het jaar 2017 opgelegd conform de door haar ingediende aangifte. Het op de aanslag door eiseres te ontvangen bedrag was € 1.463.

6. Bij brief van 25 maart 2019 heeft verweerder eiseres laten weten dat hij voornemens is van haar aangifte voor het jaar 2016 af te wijken. In deze brief valt onder meer het volgende te lezen:

“Ik heb uw aangifte inkomstenbelasting, premie volksverzekeringen en inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet 2016 beoordeeld. Ik ben van plan van deze aangifte af te wijken. Hierna leest u waarom ik van plan ben van uw aangifte af te wijken. Onder punt twee leest u wat u kunt doen als u het niet eens bent met mijn voornemen om van uw aangifte af te wijken.

[…]

Als u het niet eens bent met mijn voornemen om af te wijken van uw aangifte, verzoek ik u vóór 9 april 2019 te reageren. Bij het vaststellen van de aanslag kan ik nog rekening houden met uw opmerkingen. Als ik vóór 9 april 2019 geen reactie van u heb ontvangen, ontvangt u enige tijd daarna het aanslagbiljet, waarop de voorgestelde afwijkingen zullen zijn verwerkt.”

7. Op verzoek van eiseres heeft verweerder bij brief van 1 april 2019 aan eiseres uitstel voor haar reactie verleend tot 6 mei 2019. Eiseres heeft een inhoudelijk reactie gestuurd bij brief van 8 april 2019.

8. Met dagtekening 4 mei 2019 heeft verweerder aan eiseres de aanslag IB/PVV voor het jaar 2016 opgelegd. Op deze aanslag is een bedrag van € 2.708 (inclusief belastingrente) verschuldigd. Met dezelfde dagtekening heeft verweerder aan eiseres een aanslag Zvw voor het jaar 2016 opgelegd. Het te betalen bedrag op deze aanslag is € 0.

9. Bij brief van 27 mei 2019 heeft verweerder eiseres laten weten dat hij voornemens is van haar aangifte voor het jaar 2017 af te wijken. Deze brief is, voor zover hier aangehaald, gelijkluidend aan de brief van 25 maart 2019, met dien verstande dat de brief van 27 mei 2019 betrekking heeft op het jaar 2017 en een reactietermijn biedt die afloopt op 11 juni 2019.

10. Bij brief van 29 mei 2019, door verweerder ontvangen op 6 juni 2019, heeft eiseres verzocht om uitstel van de reactietermijn. Bij brief van 10 juni 2019, door verweerder ontvangen op 11 juni 2019, heeft eiseres een inhoudelijke reactie aan verweerder gezonden.

11. Bij brief van 12 juni 2019 heeft verweerder eiseres het volgende te kennen gegeven:

“Met dagtekening 27 mei 2019 heb ik mijn brief met het voornemen tot afwijking van uw aangifte IB/PVV 2017 gestuurd.

U kon hierop reageren vóór 11 juni 2019. U heeft op deze brief niet gereageerd.

Ik stel het belastbaar bedrag uit werk en woning (box 1) vast zoals ik heb aangegeven in mijn brief van 27 mei 2019, namelijk op € 15.064.”

12. Met dagtekening 2 juli 2019 heeft verweerder aan eiseres de aanslag IB/PVV voor het jaar 2017 opgelegd. Op deze aanslag is een bedrag van € 1.472 (inclusief belastingrente) verschuldigd. Met dezelfde dagtekening heeft verweerder aan eiseres een aanslag Zvw voor het jaar 2017 opgelegd. Het te betalen bedrag op deze aanslag is € 0.

Geschil
13.In geschil is in de eerste plaats of de aanslagen IB/PVV terecht en naar de juiste bedragen zijn opgelegd. Het geschil concentreert zich op de volgende vragen:

  • -

    Is de aanslag IB/PVV voor het jaar 2016 tijdig opgelegd?

  • -

    Mocht verweerder in de aanslagen afwijken van de voorlopige aanslagen?

  • -

    Hoe dient het inkomen van eiseres te worden gekwalificeerd, en welke gevolgen heeft dat voor de (verrekening van de) loonbelasting en de arbeidskorting?

  • -

    Bestaat er recht op aftrek van kosten in verband met juridische procedures?

  • -

    Bestaat er recht op aftrek van specifieke zorgkosten?

  • -

    Indien de kosten in verband met de juridische procedures en de zorgkosten niet in aftrek komen op het box 1-inkomen, kunnen zij dan als schulden in box 3 in aanmerking worden genomen?

In de tweede plaats is in geschil of de beschikkingen inzake belastingrente terecht zijn opgelegd.

In de derde plaats houdt partijen verdeeld het antwoord op de vraag of de aanslagen Zvw terecht en naar het juiste bedrag zijn vastgesteld.

In de vierde plaats bestaat geschil over de vraag of verweerder bij het opleggen van de aanslagen en de rentebeschikkingen en bij de behandeling van de bezwaren behoorlijk heeft gehandeld. Dit onderdeel van het geschil valt uiteen in de volgende geschilpunten:

  • -

    Heeft verweerder eiseres voldoende tijd geboden om te reageren op de voornemens tot afwijking van de aangifte?

  • -

    Heeft verweerder de privacy van eiseres geschonden?

  • -

    Zijn de bezwaren behandeld door de juiste personen?

Beoordeling van het geschil

Tijdigheid aanslag

14. Eiseres betoogt dat de aanslag IB/PVV voor het jaar 2016 uiterlijk in 2018 had moeten worden vastgesteld, omdat de driejaarstermijn voor de oplegging daarvan is gaan lopen op 1 januari 2016. Nu dat niet is gebeurd, moet de aanslag worden vernietigd, zodat alleen de voorlopige aanslag resteert.

15. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de aanslag binnen de aanslagtermijn is opgelegd.

16. Artikel 11, derde lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) bepaalt dat de bevoegdheid tot het vaststellen van de aanslag vervalt door verloop van drie jaren na het tijdstip waarop de belastingschuld is ontstaan. Op grond van artikel 11, vierde lid, van de AWR ontstaat een inkomstenbelastingschuld op het tijdstip waarop het tijdvak waarover de belasting wordt geheven eindigt.

17. Het tijdvak waarover belasting wordt geheven is in dit geval het belastingjaar 2016. Dit tijdvak is geëindigd op 31 december 2016. Dit betekent dat verweerder de bevoegdheid had om tot en met 31 december 2019 een aanslag op te leggen. De aanslag is gedagtekend op 4 mei 2019 en in deze procedure is gesteld noch gebleken dat de aanslag pas na die datum aan eiseres is bekendgemaakt. De rechtbank is daarom van oordeel dat de aanslag tijdig is opgelegd.

Afwijking van voorlopige aanslag in de definitieve aanslag

18. Eiseres betoogt dat de definitieve aanslagen ten onrechte afwijken van de voorlopige aanslagen. Ze stelt dat de redenen voor de afwijkingen niet zijn gegeven. Er hebben zich ook geen nieuwe feiten voorgedaan, zodat het voor haar als een verrassing kwam dat verweerder geruime tijd na het opleggen van de voorlopige aanslagen wilde overgaan tot afwijking van haar aangiften. Eiseres vermoedt dat politieke redenen of meningen een rol hebben gespeeld, en ze stelt dat sprake is van détournement de pouvoir.

19. Volgens verweerder is het de normale gang van zaken dat eerst een voorlopige aanslag wordt opgelegd en vervolgens vragen worden gesteld. De aangiften van eiseres bevatten dusdanig bijzondere aftrekposten dat hij werd uitgeworpen door het computersysteem voor een nadere controle. Aftrekposten zijn opgegeven in aangiftevelden waar ze niet thuishoren en vragen in het aangifteformulier die feitelijk met ‘nee’ beantwoord hadden moeten worden, zijn niet met ‘nee’ beantwoord, aldus verweerder. Dat is volgens verweerder de reden dat na oplegging van de voorlopige aanslagen vragen zijn gesteld.

20. De rechtbank overweegt hierover als volgt. Op grond van artikel 13, eerste lid, van de AWR kan de inspecteur bij de heffing van een tijdvakbelasting als de inkomstenbelasting een voorlopige aanslag opleggen tot ten hoogste het bedrag waarop de definitieve aanslag vermoedelijk zal worden vastgesteld. Artikel 15 van de AWR bepaalt dat voorlopige aanslagen worden verrekend met de definitieve aanslag.

21. Uit het arrest van de Hoge Raad van 17 januari 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF2996 volgt dat de inspecteur in het algemeen niet ertoe verplicht is bij de vaststelling van een aanslag IB/PVV een zelfde standpunt in te nemen als ten grondslag ligt aan een ten aanzien van dezelfde belastingplichtige vastgestelde voorlopige aanslag. Op deze regel bestaat een uitzondering, namelijk als de belastingplichtige een aangelegenheid uitdrukkelijk en gemotiveerd aan de inspecteur heeft voorgelegd en hij bovendien op grond van bijkomende omstandigheden redelijkerwijs kan aannemen dat de inspecteur met betrekking tot die aangelegenheid weloverwogen een standpunt heeft ingenomen. De enkele omstandigheid dat, nadat een belastingplichtige een aangelegenheid uitdrukkelijk en gemotiveerd aan de orde heeft gesteld, een voorlopige aanslag wordt opgelegd of verminderd overeenkomstig het door hem daarover ingenomen standpunt, is op zichzelf onvoldoende reden voor een uitzondering.

22. Het enkele feit dat verweerder bij het opleggen van de definitieve aanslagen is afgeweken van de voorlopige aanslagen is, gelet op het voorgaande, op zichzelf geen reden om de definitieve aanslagen te vernietigen of te verminderen naar het bedrag van de voorlopige aanslagen. Van bijkomende omstandigheden als hiervoor bedoeld is de rechtbank niet gebleken. Voor zover eiseres heeft willen betogen dat de aanslagen in wezen navorderingsaanslagen zijn, zodat de regeling van artikel 16 van de AWR – waarin de eis van een nieuw feit wordt gesteld – van toepassing is, faalt haar betoog. De aanslagen zijn op het aanslagbiljet niet aangemerkt als navorderingsaanslagen. Uit de hiervoor beschreven wettelijke systematiek volgt bovendien dat een voorlopige aanslag in beginsel moet worden gevolgd door een definitieve aanslag, niet door een navorderingsaanslag. De rechtbank acht, gelet op de door verweerder gegeven beschrijving van de gang van zaken rondom de controle, niet aannemelijk dat verweerder de aangiften van eiseres op grond van oneigenlijke motieven aan een nadere controle heeft onderworpen of dat verweerder anderszins zijn bevoegdheden heeft misbruikt bij het vaststellen van de definitieve aanslagen. Verweerder was daarom naar het oordeel van de rechtbank niet gehouden de definitieve aanslagen vast te stellen conform de voorlopige aanslagen. Wel zal de rechtbank hierna bezien of de afwijkingen van de voorlopige aanslagen in de definitieve aanslagen kunnen standhouden in het licht van de overige beroepsgronden die eiseres heeft aangevoerd.

Kwalificatie van het inkomen

23. De rechtbank zal daarbij eerst ingaan op de vraag hoe het inkomen van eiseres moet worden gekwalificeerd voor de inkomstenbelasting. Het antwoord op deze vraag is namelijk van belang voor de aftrek van kosten ter verwerving en behoud van dat inkomen en voor het recht op arbeidskorting.

24. Eiseres klaagt dat haar inkomen in de voorlopige aanslagen wordt gedefinieerd als inkomen uit een vroeger dienstverband, terwijl het in de gewone aanslagen wordt aangemerkt als loon. Pas in de verweerschriften wordt gesproken over inkomen uit de Participatiewet.

25. Verweerder stelt dat het inkomen van eiseres bestaat uit een uitkering in het kader van de Participatiewet en hij merkt dat inkomen aan als loon uit vroegere dienstbetrekking.

26. De rechtbank begrijpt dat de verschillende termen die worden gebruikt voor haar inkomen verwarrend kunnen zijn voor eiseres. Gelet op het renseignement dat verweerder van het UWV heeft ontvangen, acht de rechtbank aannemelijk dat het inkomen van eiseres in het jaar 2016 bestond uit een uitkering in het kader van de Participatiewet die zij ontving van de gemeente [Z] . Op grond van artikel 34, eerste lid, aanhef en letter a, van de Wet op de loonbelasting 1964, gelezen in verbinding met artikel 11, eerste lid, aanhef en letter g, van het Uitvoeringsbesluit loonbelasting 1965, is zo’n uitkering ingevolge de Participatiewet aan de loonbelasting onderworpen. Volgens de eerstgenoemde bepaling gebeurt dat om de heffing van de inkomstenbelasting te vergemakkelijken. De bepalingen zijn nodig, omdat uitkeringen ingevolge de Participatiewet, anders dan verweerder heeft betoogd, geen loon uit dienstbetrekking of vroegere dienstbetrekking vormen. Zonder deze bepalingen zou daarom geen loonbelasting worden ingehouden over de uitkeringen.

27. Uit het voorgaande volgt dat het inkomen van eiseres wel onder de loonbelasting valt, maar niet kan worden aangemerkt als loon uit dienstbetrekking of vroegere dienstbetrekking. Naar het oordeel van de rechtbank is sprake van een periodieke uitkering op grond van een publiekrechtelijke regeling, namelijk de Participatiewet. Zo’n uitkering behoort op grond van artikel 3.100, eerste lid, aanhef en letter a, en artikel 3.101, eerste lid, aanhef en letter a, van de Wet inkomstenbelasting 2001 (tekst 2016 en 2017; Wet IB 2001) tot de belastbare periodieke uitkeringen en verstrekkingen en is daarom belast in box 1. De ingehouden loonbelasting kan worden verrekend op grond van artikel 15 van de AWR, gelezen in samenhang met artikel 9.2, eerste lid, aanhef en letter a, van de Wet IB 2001.

Kosten voor het voeren van procedures

28. In haar aangifte IB/PVV voor het jaar 2016 heeft eiseres een bedrag van € 1.533 aan juridische kosten in aftrek gebracht en in haar aangifte IB/PVV voor het jaar 2017 een bedrag van € 1.602. Deze kosten zijn in de aangiften gerangschikt onder de aftrekbare kosten van periodieke uitkeringen. Eiseres meent dat deze kosten haar draagkracht verminderen en daarom in aftrek behoren te komen.

29. Verweerder heeft dit bedrag niet in aftrek toegelaten. Hij heeft aan die beslissing ten grondslag gelegd dat het inkomen van eiseres voor de heffing van de inkomstenbelasting geen periodieke uitkering, maar loon vormt. Voorts heeft hij betwist dat de kosten zijn gemaakt tot verwerving, inning en behoud van de uitkering ingevolge de Participatiewet.

30. Eiseres wijst terecht erop dat de inkomstenbelasting door de wetgever is bedoeld als draagkrachtheffing (zie bijvoorbeeld Kamerstukken II 1998/99, 26 727, nr. 3, pp. 4-7). Het is echter niet zo dat reeds deze bedoeling van de wetgever betekent dat eiseres aanspraak kan maken op aftrek van kosten die haar draagkracht verminderen. In diverse regelingen in de Wet IB 2001 (onder meer bij de persoonsgebonden aftrekposten, waarop eiseres aanspraak maakt) wordt rekening gehouden met bepaalde beperkingen van de draagkracht. Het is aan de wetgever om te bepalen met welke beperkingen rekening wordt gehouden en met welke niet. De beslissing van de wetgever om geen wettelijke voorziening te treffen voor het soort kosten waarmee eiseres wordt geconfronteerd, kan bij de rechter in beginsel niet met vrucht ter discussie worden gesteld, omdat de rechter in geen geval de innerlijke waarde of billijkheid van de wet mag beoordelen (artikel 11 van de Wet algemene bepalingen). Het staat de rechter in de gegeven staatsrechtelijke verhoudingen ook niet vrij om de wet te toetsen aan de algemene rechtsbeginselen, zou het draagkrachtbeginsel al daartoe gerekend moeten worden (vgl. het arrest van de Hoge Raad van 14 april 1989, ECLI:NL:HR:1989:AD5725).

31. Eiseres heeft de juridische kosten die zij heeft gemaakt in haar aangifte ondergebracht in het veld voor aftrekbare kosten ter zake van periodieke uitkeringen. Dat veld heeft betrekking op de kosten die drukken op uitkeringen en verstrekkingen voorzover zij zijn gemaakt tot verwerving, inning en behoud van die uitkeringen en verstrekkingen (artikel 3.108 van de Wet IB 2001). Op grond van hetgeen hiervoor werd overwogen over de kwalificatie van het inkomen van eiseres, verwerpt de rechtbank het betoog van verweerder dat eiseres geen recht heeft op deze aftrek omdat haar inkomen uit loon zou bestaan. Om kosten in aftrek te kunnen brengen, moet eiseres echter wel aannemelijk maken dat zij de kosten heeft gemaakt tot verwerving, inning en behoud van haar uitkering. Zij is daarin, tegenover de gemotiveerde betwisting door verweerder, naar het oordeel van de rechtbank niet in geslaagd. De rechtbank kan namelijk uit de stukken van het geding wel opmaken om wat voor soort kosten het gaat (griffiegelden, advocaatkosten, proceskosten, reiskosten, etc.), maar niet in hoeverre deze kosten zijn gemaakt voor procedures tot verwerving, inning en behoud van de uitkering op grond van de Participatiewet. De rechtbank begrijpt namelijk uit de stukken van eiseres dat het niet alleen gaat om procedures met betrekking tot een uitkering, maar bijvoorbeeld ook om procedures op het gebied van jeugdzorg, strafrecht, belastingen en ziektekostenverzekering. Welk deel van de kosten betrekking heeft op de procedures met betrekking tot een uitkering, kan de rechtbank uit de stukken echter niet afleiden.

32. De rechtbank komt daarom tot het oordeel dat de kosten die eiseres in de jaren 2016 en 2017 heeft gemaakt voor de diverse juridische procedures niet in aftrek komen.

Specifieke zorgkosten

33. In de aangifte IB/PVV van eiseres voor het jaar 2016 is een bedrag van € 180 in aftrek gebracht voor fysiotherapie en een bedrag van in totaal € 3.287 aan incassokosten die eiseres in 2015 en 2016 aan de zorgverzekeraar heeft moeten betalen. In haar aangifte voor het jaar 2017 heeft eiseres € 884 in aftrek gebracht voor medische onderzoeken, € 1.226 voor hulpmiddelen (te weten een bril) en € 288 voor incassokosten. Deze kosten zijn op voorschrift van een arts gemaakt, zo stelt zij. Volgens eiseres zou het gelet op haar inkomen en haar draagkracht niet evenwichtig zijn de kosten van aftrek uit te sluiten. Als zij die kosten niet zou betalen, zou zij immers op straat komen te staan, zo luidt haar betoog.

34. Verweerder heeft die kosten niet in aftrek toegelaten, omdat de incassokosten niet vallen onder de opsomming van artikel 6.17 van de Wet IB 2001 en de kosten voor fysiotherapie in het jaar 2016 niet boven de drempel uitkomen. De medische onderzoeken in het jaar 2017 vallen deels onder het eigen risico van € 875 dat niet in aftrek komt; het restant van € 9 blijft onder de drempel, aldus verweerder. Kosten voor een bril kunnen volgens verweerder op grond van artikel 6.17, tweede lid, aanhef en ten 1o, van de Wet IB 2001 niet in aftrek worden gebracht.

35. Draagkracht verminderende factoren kunnen, zoals hiervoor is overwogen, slechts in aanmerking worden genomen bij de vaststelling van de aanslag als daarvoor een wettelijke basis bestaat. In het geval van zorgkosten is die basis te vinden in artikel 6.1, tweede lid, aanhef en letter d, gelezen in verbinding met artikel 6.17 van de Wet IB 2001. Deze kosten worden in het geval van eiseres op grond van artikel 6.20, eerste lid, aanhef en letter b, van de Wet IB 2001 slechts in aanmerking genomen voor zover zij samen, na toepassing van de verhoging ingevolge artikel 6.19 van de Wet IB 2001, meer bedragen dan 1,65% van het verzamelinkomen vóór toepassing van de persoonsgebonden aftrek. Deze drempel komt voor eiseres uit op € 14.896 * 1,65% = € 245 (2016) respectievelijk € 15.064 * 1,65% (2017) = € 248.

36. De rechtbank is van oordeel dat de kosten die – naar tussen partijen niet in geschil is – onder het eigen risico vallen en de door de zorgverzekeraar in rekening gebrachte incassokosten geen specifieke zorgkosten in de zin van artikel 6.17 van de Wet IB 2001 vormen. Premies voor een zorgverzekering en betalingen aan de zorgverzekeraar op grond van het eigen risico zijn op grond van artikel 6.18, eerste lid, van de Wet IB 2001 geen specifieke zorgkosten. Hetzelfde heeft dan naar het oordeel van de rechtbank te gelden voor incassokosten ter zake van zulke betalingsverplichtingen aan de zorgverzekeraar, voor zover incassokosten überhaupt al aangemerkt kunnen worden als uitgaven die wegens ziekte of invaliditeit zijn gedaan (zoals vereist in artikel 6.17, eerste lid, van de Wet IB 2001).

37. Kosten voor hulpmiddelen van een zodanige aard dat zij hoofdzakelijk door zieke of invalide personen worden gebruikt zijn in beginsel wel aftrekbaar, maar de wetgever heeft in artikel 6.17, tweede lid, aanhef en ten 1o, van de Wet IB 2001 expliciet een uitzondering gemaakt voor de kosten van brillen, contactlenzen en overige hulpmiddelen ter ondersteuning van het gezichtsvermogen. De kosten die eiseres heeft gemaakt voor aanschaf van een bril komen dus evenmin in aftrek.

38. Verweerder betwist niet dat de kosten voor fysiotherapie en, voor zover ze uitstijgen boven het eigen risico, ook de kosten voor medische onderzoeken behoren tot de specifieke zorgkosten. Deze kosten stijgen echter ook na toepassing van een verhoging met 40% (artikel 6.19, eerste lid, aanhef en letter b, van de Wet IB 2001) niet uit boven de hiervoor berekende drempels.

39. De rechtbank is, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, van oordeel dat eiseres in de jaren 2016 en 2017 geen recht heeft op aftrek van specifieke zorgkosten.

Schulden in box 3

40. Eiseres heeft in haar aangiften IB/PVV schulden opgevoerd in box 3. Daar is ten onrechte geen rekening mee gehouden, aldus eiseres. Verder betoogt zij dat, indien de kosten voor de juridische procedures en de zorgkosten niet in aftrek komen in box 1, zij als schulden in aanmerking moeten worden genomen in box 3.

41. Verweerder stelt zich op het standpunt dat het box 3-vermogen niet negatief kan zijn. Omdat eiseres geen bezittingen in box 3 heeft, maakt het volgens verweerder niet uit of er schulden in box 3 in aanmerking moeten worden genomen.

42. Het is op zichzelf juist dat bedragen die eiseres aan het begin van de desbetreffende kalenderjaren is verschuldigd en die niet in aanmerking worden genomen in box 1 of box 2, in aftrek komen in box 3. Artikel 5.3, eerste lid, van de Wet IB 2001 bepaalt daartoe dat de rendementsgrondslag voor box 3 bestaat uit de waarde van de bezittingen verminderd met de waarde van de schulden. Artikel 5.2, eerste lid, van de Wet IB 2001 schrijft voor dat de gezamenlijke grondslag sparen en beleggen gelijk is aan de gezamenlijke rendementsgrondslag aan het begin van het kalenderjaar (peildatum) van de belastingplichtige en zijn partner voor zover die gezamenlijke rendementsgrondslag meer bedraagt dan het heffingvrije vermogen van de belastingplichtige en zijn partner.

43. Uit deze bepalingen blijkt echter ook dat slechts belasting wordt geheven in box 3, indien het saldo van bezittingen en schulden hoger is dan het heffingvrije vermogen. Aangezien tussen partijen niet in geschil is dat eiseres op 1 januari 2016 en 1 januari 2017 geen bezittingen had die meer waard waren dan het heffingvrije vermogen (€ 24.437) en dat van eiseres in de onderhavige jaren geen box 3-heffing is geheven, kan de aftrek van schulden in box 3 voor eiseres niet leiden tot een wijziging van de bestreden beschikkingen. De rechtbank komt daarom niet toe aan een oordeel over die schulden.

Arbeidskorting

44. Eiseres betoogt dat zij voor het jaar 2016 recht heeft op arbeidskorting. Verweerder heeft zich op het tegenovergestelde standpunt gesteld, omdat eiseres naar zijn opvatting geen arbeidsinkomen geniet.

45. Hiervoor heeft de rechtbank geoordeeld dat het inkomen van eiseres moet worden aangemerkt als periodieke uitkering op grond van een publiekrechtelijke regeling, te weten de Participatiewet. Deze kwalificatie van het inkomen is (zoals hiervoor reeds geconstateerd) van belang voor het recht op arbeidskorting. Op grond van artikel 8.11, eerste lid, van de Wet IB 2001 geldt daarvoor namelijk als voorwaarde dat de belastingplichtige arbeidsinkomen geniet. Een periodieke uitkering ingevolge de Participatiewet geldt niet als arbeidsinkomen (zie artikel 8.1, eerste lid, aanhef en letter e, van de Wet IB 2001). Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiseres dus in het jaar 2016 geen recht op arbeidskorting.

Aanslagen inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet

46. Eiseres klaagt dat verweerder geen uitspraak op bezwaar heeft gedaan over haar klachten betreffende de aanslagen inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet voor de jaren 2016 en 2017. Ze vindt het niet inzichtelijk hoe de aanslagen tot stand zijn gekomen.

47. Verweerder stelt dat de aanslagen zijn opgelegd doordat eiseres in de aangifte een bedrag heeft ingevuld bij de vraag “ontving u in 2016 [respectievelijk 2017] periodieke uitkeringen of afkoopsommen daarvan die niet onder loonheffing vielen, zoals een bijdrage voor een premiewoning?” Daardoor worden automatisch aanslagen Zvw opgelegd. In dit geval zijn dat nihilaanslagen, omdat het bijdrage-inkomen nihil is. Verweerder betoogt dat eiseres geen belang heeft bij haar klachten over de aanslagen Zvw, omdat het nihilaanslagen betreft.

48. Bij de behandeling van de inhoudelijke klachten over de aanslagen Zvw stelt de rechtbank het volgende voorop. Een beroep moet niet-ontvankelijk worden verklaard als de indiener van dat rechtsmiddel geen belang daarbij heeft. Daarvan is sprake als het aanwenden van het rechtsmiddel, ongeacht de gronden waarop het steunt, hem niet in een betere positie kan brengen met betrekking tot het bestreden besluit en eventuele bijkomende (rechterlijke) beslissingen, zoals die met betrekking tot proceskosten en griffierecht (zie het arrest van de Hoge Raad van 11 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:878, r.o. 3.4.2).

49. Omdat eiseres op de aanslagen Zvw geen belasting hoeft te betalen, kan het (rechtstreekse) beroep tegen de aanslagen haar niet in een betere positie brengen. De rechtbank zal de beroepen daarom in zoverre niet-ontvankelijk verklaren.

Belastingrente

50. Eiseres meent dat de belastingrente die in rekening is gebracht bij de aanslagen in strijd is met de bepalingen van hoofdstuk VA van de AWR, waaruit zij afleidt dat zij geen heffingsrente is verschuldigd over 2016 en dat zij recht heeft op vergoeding van heffingsrente over 2017. Voorts heeft eiseres verzocht om kwijtschelding van de belastingrente over 2016, maar daarop geen reactie ontvangen.

51. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de beschikking inzake belastingrente conform wet- en regelgeving is opgelegd.

52. Artikel 30fc, eerste lid, van de AWR bepaalt het volgende: indien met betrekking tot de inkomstenbelasting of vennootschapsbelasting na het verstrijken van een periode van zes maanden te rekenen vanaf het einde van het tijdvak waarover de belasting wordt geheven een aanslag of een navorderingsaanslag met een door de belastingplichtige te betalen bedrag aan belasting wordt vastgesteld, wordt met betrekking tot die aanslag, onderscheidenlijk die navorderingsaanslag, aan de belastingplichtige rente – belastingrente – in rekening gebracht.

53. De aanslag voor het belastingjaar 2016 is gedagtekend op 4 mei 2019 en is berekend naar een te betalen bedrag. De aanslag voor het belastingjaar 2017 is gedagtekend op 2 juli 2019 en is eveneens berekend naar een te betalen bedrag. Verweerder heeft dus terecht, want in overeenstemming met de voorschriften van artikel 30fc van de AWR, belastingrente in rekening gebracht.

54. Voor zover al sprake is van een (fictieve) beslissing op een verzoek om kwijtschelding staat daartegen geen beroep open bij de bestuursrechter, aangezien dit een besluit van de ontvanger ingevolge artikel 26 van de Invorderingswet 1990 gelezen in samenhang met artikel 7 van de Uitvoeringsregeling Invorderingswet 1990 zou zijn (artikel 8:5, eerste lid, van de Awb, gelezen in samenhang met artikel 1 van bijlage 2 bij de Awb). Het beroep van eiseres is daarom in zoverre niet-ontvankelijk.

Privacy

55. Eiseres klaagt dat haar privacy is geschonden. Het verzoek om aangifte te doen heeft zij uit Breda gekregen en de voorlopige aanslag weer uit Doetinchem. Ze heeft bij de communicatie voor het jaar 2017 op vijf tot negen verschillende aderessen met verweerder moeten corresponderen, zo stelt zij. Dit geeft eiseres een vervelend gevoel, omdat zij het idee krijgt dat haar gegevens overal liggen. Ze heeft om deze reden ook een AVG-procedure gestart tegen verweerder. Eiseres concludeert dat de schending van haar privacy moet leiden tot vernietiging van de aanslagen.

56. Verweerder verwijst in dit verband naar de lopende AVG-procedure bij de Rechtbank Amsterdam en betwist dat een eventuele schending van de privacy kan leiden tot vernietiging van de aanslagen, omdat daarvoor een wettelijke basis ontbreekt.

57. De rechtbank vat het betoog van eiseres op als een beroep op het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer, zoals dat is vastgelegd in artikel 10 van de Grondwet (Gw) en artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). De rechtbank begrijpt het betoog van eiseres aldus dat zij niet zozeer bezwaar heeft tegen de heffing van inkomstenbelasting op zich, als wel tegen de wijze waarop de heffings- en bezwaarprocessen bij de Belastingdienst zijn vormgegeven, en met name het feit dat verschillende fases uit deze processen zijn ondergebracht bij verschillende organisatieonderdelen die zijn gevestigd op verschillende locaties.

58. Naar het oordeel van de rechtbank vormt de heffing van de huidige Nederlandse inkomstenbelasting op zich al een inmenging in de persoonlijke levenssfeer door het openbaar gezag. Verweerder vergaart en bewaart in dat verband immers grote hoeveelheden informatie met een privékarakter. De inmenging wordt bovendien versterkt doordat verweerder verschillende fases van de heffings- en bezwaarprocessen heeft ondergebracht bij verschillende organisatieonderdelen van de Belastingdienst. Dat brengt mee dat relatief veel verschillende ambtenaren inzage moeten nemen in de hiervoor bedoelde informatie met een privékarakter. In dit geval heeft eiseres, voor zover de rechtbank heeft kunnen vaststellen, post ontvangen van de Belastingdienst/Particulieren, kantoor Amsterdam en de Belastingdienst, kantoor Heerlen (kennelijk het organisatieonderdeel Centrale Administratieve Processen). Gelet op het betoog van eiseres zal de rechtbank verder alleen ingaan op dit laatste aspect van de inmenging.

59. Niet alle inmengingen in de persoonlijke levenssfeer leveren een schending van artikel 10 van de Gw en artikel 8 van het EVRM op. Dat is niet aan de orde indien de inmenging bij wet is voorzien en in een democratische samenleving noodzakelijk is in het belang van de nationale veiligheid, de openbare veiligheid of het economisch welzijn van het land, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden of voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen (artikel 8, tweede lid, van het EVRM).

60. Naar het oordeel van de rechtbank is de wijze waarop de Belastingdienst haar processen heeft georganiseerd krachtens wet in formele zin voorzien. Artikel 3, tweede lid, van de AWR bepaalt dat bij ministeriële regeling regels worden gesteld omtrent de hoofdlijnen van de inrichting van de rijksbelastingdienst alsmede omtrent de inspecteur onder wie een belastingplichtige ressorteert. De onderverdeling van de Belastingdienst in de verschillende organisatieonderdelen waarmee eiseres heeft gecorrespondeerd is geregeld in artikel 3 van de Uitvoeringsregeling Belastingdienst 2003. Onder welke inspecteur eiseres ressorteert, is geregeld in artikel 11, eerste lid, van de Uitvoeringsregeling Belastingdienst 2003. Deze wijze van organisatie is volgens de regelgever ingegeven door de wens tot een verdergaande flexibilisering van de werkzaamheden van de Belastingdienst (zie het besluit van de staatssecretaris van Financiën van 19 december 2002, nr. WDB2002/835 M, Stcrt. 2002, 247 / pag. 19, blz. 5). De rechtbank begrijpt de regelgever aldus dat hij met de nieuwe, gedeeltelijk gecentraliseerde organisatievorm van de Belastingdienst heeft beoogd de werkprocessen van de Belastingdienst zo efficiënt mogelijk vorm te geven. Dat maakt de maatregel naar het oordeel van de rechtbank in een democratische samenleving noodzakelijk in het belang van het economisch welzijn van het land. De rechtbank komt daarom tot de conclusie dat het recht van eiseres op eerbiediging van haar persoonlijke levenssfeer niet is geschonden. Aan de beantwoording van de vraag hoe rechtsherstel in de zin van artikel 13 van het EVRM vorm moet krijgen komt de rechtbank dan niet toe.

Reactietijd afwijkingsvoornemen

61. Eiseres klaagt dat zij amper tijd heeft gehad om te reageren op het voornemen af te wijken van de aangifte.

64. De rechtbank constateert dat verweerder voor het jaar 2016, na een verzoek om uitstel van eiseres, uiteindelijk een reactietermijn van zes weken heeft gegund. Die beslissing is naar het oordeel van de rechtbank in de gegeven omstandigheden niet onredelijk.

63. Voor het jaar 2017 is de rechtbank van oordeel dat verweerder onzorgvuldig heeft gehandeld door niet te reageren op het verzoek om uitstel van eiseres, noch op haar inhoudelijke reactie op het voornemen tot afwijking van de aangifte. Deze schending van het zorgvuldigheidsbeginsel hoeft naar het oordeel van de rechtbank echter niet te leiden tot vernietiging van de uitspraak op bezwaar, omdat niet aannemelijk is geworden dat eiseres daardoor is benadeeld (artikel 6:22 van de Awb). Zij heeft immers haar bezwaren tegen de voorgenomen correcties in de bezwaar- en beroepsprocedures aan de orde kunnen stellen en deze hebben noch in bezwaar, noch in beroep geleid tot een vermindering van de aanslagen en rentebeschikkingen.

Bezwaarbehandeling

64. Eiseres klaagt dat verweerder slechts één pro forma bezwaarschrift heeft behandeld, terwijl zij vier brieven heeft gestuurd, waarvan ten minste één ook uitgebreid was gemotiveerd. Ook tijdens de hoorzitting is niet besproken om welk bezwaarschrift het ging. Ten onrechte is verweerder niet ingegaan op haar stelling dat het bezwaar de gehele aanslag betrof, maar is hij slechts ingegaan op bepaalde onderdelen. Voorts was de hoorzitting volgens haar niet in overeenstemming met de regels uit de Awb, omdat die is gehouden door personen die bij de aanslagregeling en de lopende AVG-procedure waren betrokken. Eiseres klaagt dat het hoorverslag niet goed is opgemaakt en dat haar opmerkingen daarover in haar brief van 11 oktober 2019 niet zijn meegenomen.

65. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de hoorzitting in overeenstemming met artikel 7:5 van de Awb is gehouden. Dat op de hoorzitting een ambtenaar aanwezig was die ook betrokken is bij de AVG-procedure, doet volgens verweerder niet ter zake. Dat zijn twee volkomen verschillende zaken. Een ambtenaar die niet betrokken was bij de aanslagregeling, mag volgens verweerder zowel bij de bezwaarbehandeling als in de

AVG-procedure optreden.

66. Artikel 7:2, eerste lid, van de Awb bepaalt dat voordat een bestuursorgaan op het bezwaar beslist, het belanghebbenden in de gelegenheid stelt te worden gehoord. Op grond van artikel 7:5, eerste lid, van de Awb geschiedt het horen door een persoon die niet bij de voorbereiding van het bestreden besluit betrokken is geweest, of meer dan een persoon van wie de meerderheid, onder wie degene die het horen leidt, niet bij de voorbereiding van het besluit betrokken is geweest. Ingevolge artikel 7:7 van de Awb wordt van het horen een verslag gemaakt.

67. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich aan deze voorschriften gehouden. De bezwaren van eiseres voor de jaren 2016 en 2017 zijn gezamenlijk besproken tijdens een hoorgesprek op 24 september 2019. Het feit dat eiseres mede is gehoord door een ambtenaar die is betrokken bij de AVG-procedure maakt dat niet anders, omdat dat niet meebrengt dat deze ambtenaar betrokken was bij de voorbereiding van de aanslagen en rentebeschikkingen waarop deze procedure betrekking heeft.

68. Van het hoorgesprek is een hoorverslag opgemaakt dat bij brief van 2 oktober 2019 aan eiseres is toegezonden. Over het hoorverslag merkt de rechtbank op dat niet kan worden geëist dat het een woordelijke weergave inhoudt van al wat tijdens de hoorzitting is gezegd (zie de uitspraken van de Centrale Raad van Beroep van 17 maart 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BL8325 en 22 november 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:4468). De inspecteur kan dus volstaan met een zakelijke weergave van hetgeen is besproken. De rechtbank is niet gebleken dat het hoorverslag in deze procedure niet beantwoordt aan dit vereiste. In dit geval heeft verweerder, in overeenstemming met artikel 9, vijfde lid, van het Besluit Fiscaal Bestuursrecht, eiseres ook in de gelegenheid gesteld zich over het verslag uit te laten. De wet of het beleid verplicht verweerder naar het oordeel van de rechtbank niet het verslag naar aanleiding daarvan aan te passen. Wel kan de rechter de reactie van een belanghebbende op het hoorverslag laten meewegen in zijn oordeel, maar dat leidt in dit geval niet tot een andere uitkomst.

69. Voor wat betreft de klacht dat verweerder bij de heroverweging van de aanslagen en rentebeschikkingen minder ver is gegaan dan eiseres had gewild, overweegt de rechtbank als volgt. Als een belastingplichtige bezwaar maakt tegen een aanslag, moet hij in het bezwaarschrift de gronden van zijn bezwaar opnemen (artikel 6:5, eerste lid, aanhef en letter d, van de Awb). Verweerder heroverweegt vervolgens de aanslag op de grondslag van het bezwaar (artikel 7:11, eerste lid, van de Awb). Verweerder moet zijn uitspraak op het bezwaar ten slotte deugdelijk motiveren (artikel 7:12, eerste lid, van de Awb). Deze wettelijke voorschriften brengen naar het oordeel van de rechtbank mee dat verweerder in zijn uitspraak op bezwaar moet ingaan op de argumenten die de belastingplichtige tegen de aanslag inbrengt in diens schriftelijke stukken en tijdens het hoorgesprek. De heroverweging in bezwaar mag weliswaar de aangevoerde argumenten te buiten gaan (vgl. Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State 15 december 2004, ECLI:NL:RVS:2004:AR7569, r.o. 2.2.1; Centrale Raad van Beroep 21 augustus 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:2783, r.o. 4.3), maar daaruit volgt naar het oordeel van de rechtbank niet dat verweerder daartoe ook verplicht is.

70. De rechtbank maakt uit de stukken van het geding op dat verweerder in de bezwaarprocedures wel degelijk naar behoren is ingegaan op de argumenten die eiseres in haar verschillende schriftelijke stukken en tijdens het hoorgesprek heeft ingebracht tegen de aanslagen en de rentebeschikkingen. Het enkele feit dat eiseres heeft benadrukt dat het bezwaar de gehele aanslag betrof, maakt niet dat de taak van verweerder zo ver reikte dat hij ambtshalve alle denkbare aspecten van de aanslag moest heroverwegen, zonder dat daartegen specifiek argumenten waren gericht.

71. De klachten van eiseres over de behandeling van de bezwaren treffen dus geen doel.

Slotsom

72. De hiervoor besproken beroepsgronden van eiseres kunnen niet leiden tot vernietiging van de bestreden besluiten. Ook overigens ziet de rechtbank daartoe geen aanleiding. Daarom moeten de beroepen ongegrond worden verklaard.

Proceskosten

73. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart de beroepen niet-ontvankelijk voor zover zij betrekking hebben op de kwijtschelding van belastingrente en op de aanslagen Zvw; en

  • -

    verklaart de beroepen voor het overige ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C. Maas, rechter, in aanwezigheid van mr. M. van Doesburg, griffier. De uitspraak is gedaan op 27 oktober 2020. Als gevolg van maatregelen rondom het coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak, voor zover nodig, alsnog in het openbaar uitgesproken.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na verzending hoger beroep instellen bij het gerechtshof Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312,

1000 BH Amsterdam.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.