Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2020:8420

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
02-09-2020
Datum publicatie
26-10-2020
Zaaknummer
C/15/283313 / HA ZA 19-16
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

843a Rv vordering inzage/afschrift bescheiden m.b.t. pensioenopbouw. Niet vast komen te staan dat gedaagde over meer stukken beschikt dan al zijn verstrekt en niet voldaan aan vereiste 'bepaalde bescheiden".

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PR-Updates.nl PR-2020-0164
PJ 2020/145
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Handel, Kanton en Bewind

Zittingsplaats Alkmaar

zaaknummer / rolnummer: C/15/283313 / HA ZA 19-16

Vonnis van 2 september 2020

in de zaak van

[eiser]

wonende te [woonplaats] ,

eiser,

advocaat mr. J.L. Souman te Epe,

tegen

de naamloze vennootschap

SRLEV N.V. handelende onder de naam ZWITSERLEVEN,

gevestigd te Alkmaar,

gedaagde,

advocaat mr. W. van Heest te Haarlem.

Partijen zullen hierna [eiser] en Zwitserleven genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 10 december 2018 met producties,

  • -

    het herstelexploot van 13 december 2018,

  • -

    de incidentele conclusie houdende een exceptie van (relatieve) bevoegdheid,

  • -

    de incidentele conclusie van antwoord met een productie,

  • -

    het vonnis in het incident van 20 maart 2019,

  • -

    de conclusie van antwoord met producties,

  • -

    het vonnis van 15 mei 2019,

  • -

    de akte wijziging eis van 13 februari 2020 met een productie van [eiser] ,

  • -

    de brief van 24 februari 2020 met producties van [eiser] ,

  • -

    het proces-verbaal van mondelinge behandeling van 28 februari 2020 en de daarin genoemde comparitie-aantekeningen van mr. Souman en mr. Van Heest,

  • -

    de akte uitlating van 3 juni 2020 met producties van [eiser] ,

  • -

    de antwoordakte van 8 juli 2020 met producties van Zwitserleven.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[eiser] is in de periode 1 mei 1996 tot 2005 werkzaam geweest bij CMG. Vanaf 1 mei 1996 tot 1 januari 1999 heeft [eiser] pensioen opgebouwd bij Zwitserleven onder contractnummer [nummer 1] . De opgebouwde waarde over die periode bedroeg € 7.735,90. Per 1 januari 1996 is eerder elders opgebouwd pensioen (pensioenuitvoerder Centraal Beheer) door middel van waardeoverdracht ingebracht bij Zwitserleven. Die overdrachtswaarde bedroeg € 40.208,10. Per 1 januari 1999 is onder contractnummer [nummer 2] de oorspronkelijke regeling, gebaseerd op een verzekerd kapitaal, omgezet in een regeling waarbij de opbouw is gebaseerd op rendement uit belegging. De bedragen van
€ 7.735,90 en € 44.164,30 zijn ingebracht in de nieuwe beschikbare premieregeling. [eiser] heeft vervolgens van 1 januari 1999 tot 1 januari 2005 aan die nieuwe beschikbare premieregeling deelgenomen. De waarde van de pensioenverzekering bedroeg op 1 januari 2005 € 113.440,78.

3 Het geschil

3.1.

[eiser] vordert na wijziging (aanvulling) eis – samengevat – dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

A. Zwitserleven veroordeelt om binnen één week na betekening van het vonnis, althans binnen een termijn zoals de rechtbank vermeent te behoren, aan [eiser] een afschrift te verstrekken van:

  • -

    stukken waaruit blijkt van opbouw over de periode 1996 tot 1999;

  • -

    de polis waaruit blijkt dat (in of rond 1997) het eerder bij Centraal Beheer opgebouwde pensioen is ingebracht (waardeoverdracht) alsmede de precieze (hoogte van de) inbreng;

  • -

    stukken waaruit blijkt van de waardevermeerdering (gerealiseerd rendement) over het aldus beschikbare bedrag van NLG 88.607,00 over de periode van 1 juni 1996 tot november 1997;

  • -

    stukken waaruit blijkt van toestemming voor omzetting van de aanvankelijke regeling op basis van verzekerd (gegarandeerd) kapitaal in een beleggingspolis;

  • -

    stukken waaruit blijkt of en hoe [eiser] is geïnformeerd over de kosten en risico’s die samenhangen met deze omzetteing en met de opbouw na omzetting;

  • -

    een overzicht van de berekening van de waarde-inbreng van NLG 11.692,00, onderbouwd met stukken uit de betreffende periode en een heldere specificatie;

aan de veroordeling sub A. een dwangsom verbindt van € 1.000,00 voor iedere dag dat Zwitserleven, na het verstrijken van de onder A. bedoelde termijn, in gebreke blijft aan de veroordeling te voldoen;

Zwitserleven veroordeelt in de volledige buitengerechtelijke incassokosten alsmede in de volledige kosten van dit geding, nakosten daaronder begrepen, thans begroot € 30.358,03 (dertigduizend driehonderd achtenvijftig euro en drie eurocent).

3.2.

[eiser] stelt – kort gezegd – dat hij over de omzetting (verzekerd kapitaal naar rendement uit belegging) ten onrechte nooit is geïnformeerd door Zwitserleven en dat hij geen toestemming voor de omzetting heeft gegeven. Voorts ontbreken stukken over de opbouw van zijn pensioen. [eiser] is voornemens een procedure te starten waarin hij nakoming van diverse verplichtingen door Zwitserleven vordert. Hij wil helder hebben welke rechten hij heeft opgebouwd. Daarvoor heeft hij stukken nodig waarover hij nu niet beschikt. Vervolgens kan hij bepalen of er inderdaad, zoals hij vermoedt, zaken verkeerd gegaan zijn bij Zwitserleven. Gelet op het voorgaande heeft hij belang bij inzage in en afgifte van de gevorderde stukken.

3.3.

Zwitserleven concludeert tot afwijzing van de vordering met veroordeling van [eiser] in de kosten. Kort gezegd voert Zwitserleven aan dat alle bescheiden waarover zij beschikt reeds aan [eiser] zijn overgelegd.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Een op artikel 843a Rv gebaseerde vordering kan alleen toegewezen indien aan alle drie in lid 1 van dit artikel gestelde voorwaarden is voldaan:

1) de wederpartij van degene die bescheiden te zijner beschikking of onder zijn berusting heeft, moet rechtmatig belang hebben bij inzage, afschrift of uittreksel daarvan,

2) de vordering moet betrekking hebben op bepaalde bescheiden en

3) de bescheiden moeten een rechtsbetrekking betreffen waarin de wederpartij van degene die ze te zijner beschikking of onder zijn berusting heeft, partij is.

Verder moet zich geen van de volgende eveneens in artikel 843a Rv opgenomen uitzonderingen voordoen:

4) hij die uit hoofde van zijn ambt, beroep of betrekking tot geheimhouding verplicht is, is niet gehouden aan de vordering te voldoen, indien de bescheiden uitsluitend uit dien hoofde te zijner beschikking staan of onder zijn berusting zijn,

5) degene die de bescheiden te zijner beschikking of onder zijn berusting heeft, is niet gehouden aan de vordering te voldoen, indien daarvoor gewichtige redenen zijn en

6) degene die de bescheiden te zijner beschikking of onder zijn berusting heeft, is niet gehouden aan de vordering te voldoen, indien redelijkerwijs aangenomen kan worden dat een behoorlijke rechtsbedeling ook zonder verschaffing van de gevraagde gegevens is gewaarborgd.

4.2.

Tussen partijen staat vast dat Zwitserleven in deze procedure zowel voor als na de mondelinge behandeling, bescheiden heeft verstrekt aan [eiser] , laatstelijk bij e-mails van maart en april 2020.

4.3.

Uit de aktewisseling na de comparitie blijkt dat [eiser] van Zwitserleven nog – kort gezegd – informatie wenst te ontvangen over de koppeling met de kostenstructuur, een toelichting op elkaar tegensprekende bedragen, een overeenkomst kostenstructuur en de polis en verzekeringsoverzichten over de periode 1996-2002.

4.4.

Zwitserleven heeft uitgebreid gemotiveerd aangegeven dat zij de door [eiser] verzochte aanvullende informatie heeft verstrekt voor zover zij daarover (nog) de beschikking heeft. Daarbij heeft zij aangegeven dat beleggingsresultaten niet separaat aan deelnemers worden verstrekt. De waardeontwikkeling blijkt uit de jaarlijkse waarde-overzichten, waarover [eiser] beschikt. Wat de kostenstructuur betreft heeft Zwitserleven gesteld dat dit een onderwerp is dat speelt tussen de werkgever en Zwitserleven, waarbij [eiser] geen partij is. Daarbij heeft Zwitserleven aangegeven dat het de werkgever is die de werknemer daarover moet informeren.

4.5.

De vraag is of Zwitserleven meer informatie kan en dient te verstrekken dan de reeds verstrekte informatie. De rechtbank is van oordeel dat niet is komen vast te staan dat Zwitserleven de nog gevorderde informatie tot haar beschikking of onder haar berusting heeft en dat niet is voldaan aan het vereiste van ‘bepaalde bescheiden’. De rechtbank overweegt hiertoe als volgt.

4.6.

[eiser] heeft tegenover de gemotiveerde betwisting van Zwitserleven niet nader onderbouwd dat Zwitserleven over meer stukken en schriftelijke informatie beschikt dan die zij heeft verstrekt. [eiser] heeft in zijn laatste akte weliswaar gesteld dat er nog informatie moet worden overgelegd ‘die tot op heden ontbreekt’, maar heeft, terwijl dit gelet op zijn stelplicht wel op zijn weg lag, niet nader onderbouwd waaruit de conclusie moet worden getrokken dat Zwitserleven over die stukken beschikt dan wel dat het op weg ligt van Zwitserleven om die informatie aan [eiser] te verstrekken. De rechtbank heeft geen reden om te twijfelen aan de stelling van Zwitserleven dat zij niet over meer informatie beschikt dan dat zij nu heeft overgelegd. De rechtbank is dan ook van oordeel dat niet kan worden vastgesteld dat Zwitserleven de gevorderde stukken (naar de rechtbank begrijpt; hetgeen genoemd wordt onder 14 van de akte van 3 juni 2020) tot haar beschikking of onder haar berusting heeft. Aan dit vereiste van artikel 843a Rv is dan ook niet voldaan.

4.7.

Daar komt nog bij dat [eiser] naar aanleiding van de na de zitting nog overgelegde stukken door Zwitserleven zijn vordering niet heeft gewijzigd in die zin dat concrete (‘bepaalde’) stukken worden gevorderd, die nog niet zijn overgelegd. Dit lag, zeker gelet op de het concrete en gemotiveerde verweer van Zwitserleven, wel op zijn weg. [eiser] heeft in zijn laatste akte zelf bovendien aangegeven zijn eis te herformuleren (wijzigen) zodat ‘alleen nog die stukken en informatie worden gevorderd die thans nog relevant zijn’. Vervolgens heeft [eiser] dit echter nagelaten. Onderdeel A. van het petitum (dat ziet op de gevorderde bescheiden) van de laatste akte stemt namelijk geheel overeen met het petitum zoals geformuleerd in de dagvaarding. Daar komt nog bij dat [eiser] niet onderbouwd heeft gesteld dat Zwitserleven een toelichting dient te geven op elkaar tegensprekende bedragen. Onduidelijk is dan ook gebleven waar [eiser] hiermee op doelt. Het voorgaande betekent dat de vordering zoals die er thans ligt niet voor toewijzing vatbaar is.

4.8.

Conclusie is dat niet voldaan is aan het vereiste dat Zwitserleven nog bepaalde bescheiden onder zich zou hebben die voor afgifte aan [eiser] in aanmerking komen. De vordering onder A. zal worden afgewezen. Gelet hierop komt de rechtbank niet toe aan de beoordeling van het gevorderde onder B. (dwangsom) en C. (volledige kostenveroordeling).

4.9.

[eiser] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van Zwitserleven worden begroot op € 1.629,00 (3 punten x tarief € 543,00).

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

wijst het gevorderde af,

5.2.

veroordeelt [eiser] in de proceskosten, aan de zijde van Zwitserleven tot op heden begroot op € 1.629,00,

5.3.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. J. Blokland en in het openbaar uitgesproken op 2 september 2020.1

1 type: IV coll: JB