Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2020:8417

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
16-09-2020
Datum publicatie
26-10-2020
Zaaknummer
C/15/299481 / HA ZA 20-107
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Onrechtmatige daad 6:162 BW. Steekincident op station Alkmaar. Eiseres door gedaagde in hand geraakt met mes. Onrechtmatige daad staat vast. Verwijzing naar schadestaatprocedure. Voorschot schade toegekend van € 200,- voor medische kosten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2020-0792
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Handel, Kanton en Bewind

Zittingsplaats Alkmaar

zaaknummer / rolnummer: C/15/299481 / HA ZA 20-107

Vonnis van 16 september 2020

in de zaak van

[eiseres] ,

wonende te [woonplaats] ,

eiseres,

advocaat mr. B. Wernik te Haarlem,

tegen

[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats]

gedaagde,

advocaat mr. J.G. Burgers te Alkmaar.

Partijen zullen hierna [eiseres] en [gedaagde] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 30 oktober 2019 met producties,

  • -

    het tussenvonnis van 27 november 2019 van de kantonrechter,

  • -

    het vonnis van 22 januari 2020 van de kantonrechter waarbij de zaak is verwezen naar de sectie civiel,

  • -

    de conclusie van antwoord met producties,

  • -

    de conclusie van repliek met producties en

  • -

    de conclusie van dupliek met een productie.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

In de nacht van 30 augustus 2015 zijn partijen betrokken geweest bij een incident op station Alkmaar (hierna: het incident). [eiseres] heeft daarbij een verwonding aan haar rechterhand opgelopen doordat haar hand in aanraking is gekomen met het mes dat [gedaagde] vasthield. Bij vonnis van 23 november 2015 is [gedaagde] bij verstek door de politierechter veroordeeld wegens eenvoudige mishandeling. Daarbij is tevens de vordering van de benadeelde partij, [eiseres] , toegewezen tot een bedrag van € 1.577,68
(€ 877,68 materiële schade en € 700,- immateriële schade). Dit vonnis is onherroepelijk geworden.

2.2.

[eiseres] heeft voornoemd bedrag van € 1.577,68 ontvangen (via het CJIB). Daarnaast heeft zij, na daartoe een aanvraag te hebben ingediend bij brief van 18 januari 2018, van het Schadefonds Geweldsmisdrijven (hierna: het Schadefonds) een uitkering toegekend gekregen van een bedrag van € 2.500,- ter zake voornoemd incident. Uit de brief blijkt dat het gaat om een bedrag dat hoort bij letselcategorie 2 (letsel aan de rechterhand). De door het Schadefonds ingeschakelde medisch adviseur heeft geen causaal verband kunnen leggen tussen het gestelde psychisch letsel en het misdrijf.

3 Het geschil

3.1.

[eiseres] vordert – samengevat – dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

I. voor recht verklaart dat [gedaagde] aansprakelijk is voor de door [eiseres] geleden en nog te lijden schade ten gevolge van het incident op 30 augustus 2015;

II. [gedaagde] veroordeelt tot het betalen van een schadevergoeding aan [eiseres] , nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 30 augustus 2015 tot aan de dag van algehele voldoening, alsmede bij wege van voorschot op de door [eiseres] nog te lijden schade te voldoen een bedrag van € 15.000,-;

III. [gedaagde] veroordeelt in de kosten van dit geding.

3.2.

[eiseres] stelt – kort gezegd – dat zij door [gedaagde] opzettelijk met een scherp voorwerp in haar rechterhand is gestoken en dat hij haar klappen op haar hoofd heeft gegeven. Hiermee heeft [gedaagde] een onrechtmatige daad gepleegd jegens [eiseres] . De onrechtmatige daad kan [gedaagde] worden toegerekend, omdat sprake was van opzet aan de zijde van [gedaagde] . De strafrechter zou [gedaagde] niet hebben veroordeeld als sprake was van een ongeluk of verdedigingssituatie. [eiseres] heeft door het incident materiële in immateriële schade geleden. De reeds betaalde bedragen dekken niet de volledige schade van [eiseres] . Bovendien moet het bedrag van € 2.500,- aan het Schadefonds worden terugbetaald als [gedaagde] wordt veroordeeld schadevergoeding te betalen aan [eiseres] . Als voorschot op haar schade vordert [eiseres] een bedrag van € 15.000,- (€ 3.000,- smartengeld, € 11.700,- verlies arbeidsvermogen en € 970,- medische kosten). Overigens is geen sprake van eigen schuld aan de zijde van [eiseres] , want nergens blijkt uit dat zij zich agressief heeft gedragen jegens [gedaagde] .

3.3.

[gedaagde] concludeert – kort gezegd – tot afwijzing van de vordering met veroordeling van [eiseres] in de kosten van de procedure. Hij voert primair aan dat geen sprake is van een onrechtmatige daad, omdat hij geen stekende beweging richting [eiseres] heeft gemaakt, maar dat [eiseres] zelf in het mesje heeft gegrepen. Hij heeft op geen enkel moment de intentie gehad om iemand met het mesje te verwonden. Hij betwist dat hij [eiseres] tegen het hoofd heeft getrapt of geslagen. De klappen die [eiseres] gehad heeft, kreeg zij van een politieman.

Subsidiair voert hij aan dat [eiseres] niet meer schade heeft geleden als gevolg van het incident, dan dat zij al vergoed heeft gekregen. Ten eerste is er geen sprake van functieverlies aan de hand van [eiseres] . Ten tweede was reeds voor 30 augustus 2015 sprake van aanzienlijke mentale problematiek bij haar, waardoor niet vast staat dat de gestelde schade het gevolg is van het incident. Bovendien heeft [eiseres] haar kappersdiploma gehaald, heeft zij geen inzicht gegeven in haar huidige inkomsten, heeft zij niet laten zien hoe zij zich heeft ingespannen voor schadebeperking en belemmert niets haar om te gaan werken als kapster.

Uiterst subsidiair voert [gedaagde] aan dat sprake is van eigen schuld aan de zijde van [eiseres] , omdat zij een escalerende/opruiende rol heeft gespeeld bij de gebeurtenissen op 30 augustus 2015.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

Onrechtmatige daad

4.1.

De eerste vraag die beantwoord dient te worden is of [gedaagde] een onrechtmatige daad heeft gepleegd. Anders dan [eiseres] heeft gesteld, levert het vonnis van de politierechter van 23 november 2015 geen dwingend bewijs op. Het is immers geen vonnis op tegenspraak. Dat betekent dat op [eiseres] de bewijslast rust van de gestelde onrechtmatige daad.

4.2.

Voor het bewijs van haar stelling dat [gedaagde] haar opzettelijk heeft gestoken met een mes verwijst zij naar het door de politie opgemaakte proces-verbaal en in het bijzonder naar de door [naam 1] , [naam 2] en [naam 3] Fu’Aad Ibrahim [naam 3] (hierna: [naam 3] ) afgelegde verklaringen. Ter betwisting van deze stelling heeft [gedaagde] ook verwezen naar het door de politie opgemaakte proces-verbaal en dan in het bijzonder naar de verklaringen van [gedaagde] zelf, [naam 4] en [naam 5] .

4.3.

De rechtbank is van oordeel dat uit de afgelegde verklaringen genoegzaam is gebleken dat [gedaagde] zichtbaar een mes in zijn handen had ( [gedaagde] erkent dat ook in deze procedure) en dat hij [eiseres] daar mee in haar hand heeft geraakt. Meerdere getuigen verklaren dat hij een stekende beweging heeft gemaakt ( [naam 3] en [naam 2] ). Dat hij werd aangevallen door [eiseres] en ter zelfverdediging heeft gestoken vindt geen steun in de afgelegde verklaringen. Dat [eiseres] , zoals [gedaagde] stelt, een escalerende rol had en opgefokt was op het moment van het incident is niet gebleken. Mogelijk was dat later wel het geval toen zij achter [gedaagde] aanliep en met de politie in aanraking kwam. Dat laatste is voor de beoordeling van het daaraan voorafgaande steekincident echter niet relevant.

4.4.

Het voorgaande betekent dat genoegzaam is komen vast te staan dat [gedaagde] een onrechtmatige daad heeft gepleegd jegens [eiseres] door haar te steken in haar rechterhand. Dat betekent ook dat [gedaagde] aansprakelijk is voor de door het steekincident veroorzaakte schade. Van de gestelde eigen schuld aan het steekincident is onvoldoende gebleken. Het enkele feit dat zij tussenbeide (tussen [gedaagde] en [naam 1] ) is gaan staan is daartoe onvoldoende. Het beroep op eigen schuld van [eiseres] verwerpt de rechtbank dan ook.

4.5.

Overigens is niet vast komen te staan dat [gedaagde] onrechtmatig heeft gehandeld jegens [eiseres] door haar op haar hoofd te slaan. Hiervoor heeft [eiseres] onvoldoende gesteld en de verklaringen van de betrokkenen lopen hierover uiteen. De gevorderde verklaring voor recht is dan slechts toewijsbaar voor zover deze betrekking heeft op ‘het steekincident op 30 augustus 2015’ (in plaats van ‘het incident op 30 augustus 2015’).

Schade en causaal verband

4.6.

[eiseres] heeft gesteld dat zij door het steekincident (im)materiële schade heeft geleden. In deze procedure vordert zij een voorschot op de volgende schadeposten:
- € 3.000,- smartengeld

  • -

    € 11.700,- verlies aan verdienvermogen

  • -

    € 970,- medische kosten

Het is aan [eiseres] om te stellen en bij betwisting te bewijzen dat zij de gestelde schade heeft geleden door het steekincident.

Smartengeld

4.7.

Vaststaat dat [eiseres] letsel heeft opgelopen aan haar rechterhand. Zij heeft voor de onderbouwing van dat letsel medische stukken in het geding gebracht. De meest recente medische informatie over het letsel aan haar rechterhand dateert van 17 januari 2017. Het betreft een bericht van de plastisch chirurg. Daarin staat dat er restklachten zijn (tintelingen ulnaire zijde pink). Daarbij blijkt uit de brief van het Schadefonds van 18 januari 2018, waarin is beslist op de aanvraag voor een uitkering, dat een medisch adviseur zich heeft gebaseerd op de informatie van de plastisch chirurg uit 2017. Hij komt tot de conclusie dat sprake is van lichte gevoelsstoornissen, dat het letsel is hersteld en dat de functie van de hand volledig normaal is. De medisch adviseur van het Schadefonds heeft geen causaal verband kunnen vaststellen tussen de gestelde psychische klachten en het misdrijf. Voor de nadere onderbouwing van de psychische klachten heeft [eiseres] een verslag van een intakegesprek uit juli 2018 overgelegd. Dat is bijna drie jaar na het incident. Dit enkele verslag is voor de rechtbank onvoldoende om aan te kunnen nemen dat er sprake is van een posttraumatische stressstoornis die is veroorzaakt door het steekincident. De overgelegde verklaring van de vader van [eiseres] maakt dat niet anders. De rechtbank sluit zich dan ook vooralsnog aan bij de bevindingen van de medisch adviseur van het Schadefonds.

4.8.

Gelet op het vaststaande letsel aan de rechterhand en de omstandigheid dat de uitkering uit het Schadefonds uitsluitend lijkt te zien op de immateriële schade van [eiseres] , ziet de rechtbank geen grond voor een nader voorschot. Daarvoor is nader medisch onderzoek nodig dat in een schadestaatprocedure aan de orde kan komen. Het gevorderde voorschot van € 3.000,-- komt dan ook niet voor toewijzing in aanmerking.

Verlies verdienvermogen

4.9.

Wat betreft het gestelde verlies aan verdienvermogen door functieverlies aan de hand overweegt de rechtbank dat het functieverlies van de rechterhand onvoldoende is onderbouwd. Onder verwijzing naar hetgeen hierboven reeds is overwogen onder 4.7. staat niet vast in hoeverre de restklachten aan de hand haar beperken in haar arbeidsmogelijkheden. De functie van de hand lijkt volledig hersteld. Voor het vaststellen van de beperkingen die [eiseres] stelt te ondervinden (minder klanten per dag kunnen knippen) dient een verzekeringsgeneeskundig (die een functionele mogelijkhedenlijst opstelt) en een arbeidsdeskundig onderzoek te worden verricht. In een schadestaatprocedure kan dat aan de orde komen. De verklaringen van de vader en werkgever van [eiseres] leiden niet tot een ander oordeel, omdat zij niet als ter zake deskundige gezien kunnen worden. Voor een voorschot op de gestelde schade wegens verlies van verdienvermogen is dan ook geen aanleiding. Dit onderdeel van de vordering zal dan ook worden afgewezen.

Medische kosten

4.10.

[eiseres] heeft gesteld dat zij als gevolg van het steekincident haar eigen risico voor de zorgverzekering over de jaren 2015, 2016, 2017 en 2018 heeft moeten voldoen. [gedaagde] heeft de verschuldigdheid van deze kosten betwist, omdat zij in verband staan met de mentale problematiek van [eiseres] die geen verband houdt met het steekincident.

4.11.

Uit het overgelegde overzicht van 2016 blijkt dat [eiseres] voor een bedrag van
€ 467,63 (met een eigen risico van € 293,99) bij de afdeling Neurologie is geweest. Het causaal verband tussen die behandeling en het steekincident is niet onderbouwd.

4.12.

Uit het overzicht van 2017 blijkt dat [eiseres] van juni tot medio september specialistische zorg heeft genoten in het Noordwest Ziekenhuis voor een bedrag van
€ 213,79 (met een eigen risico van € 202,03). Onduidelijk is waarvoor deze zorg is verleend en of dit in verband staat met het steekincident.

4.13.

Uit het overzicht van 2018 blijkt dat [eiseres] psychologische zorg heeft genoten bij de GGZ voor een bedrag van € 1.301,85 (met een eigen risico van € 310,80). Niet is gebleken dat deze behandeling in causaal verband staat met het incident.

4.14.

Nu uit de overzichten verder blijkt dat zij gedurende al die genoemde jaren paroxetine (een antidepressivum) heeft gekregen, kan de rechtbank [gedaagde] wel volgen in zijn verweer dat de kosten van dat middel geen verband houden met het steekincident.

4.15.

Resteert nog het gevorderde eigen risico over het jaar 2015. Dat bedraagt € 200,-. Hiertegen heeft [gedaagde] geen specifiek verweer gevoerd, anders dan dat de medische kosten reeds vallen onder het door de politierechter toegekende bedrag. Dat laatste kan de rechtbank niet volgen nu [eiseres] onweersproken heeft gesteld dat het door de politierechter toegewezen bedrag ziet op smartengeld en materiële schade. De rechtbank is dan ook van oordeel dat van de gevorderde medische kosten slechts een bedrag van € 200, - toewijsbaar is.

Verwijzing schadestaatprocedure

4.16.

Nu de mogelijkheid van verdere (inkomens)schade aannemelijk is, zal de rechtbank de vordering om de zaak te verwijzen naar een schadestaatprocedure toewijzen. De ingangsdatum van de gevorderde wettelijke rente is niet toewijsbaar, omdat die per schadepost kan verschillen.

Proceskosten

4.17.

Aangezien elk van partijen als op enig punt in het ongelijk gesteld is te beschouwen, zullen de proceskosten worden gecompenseerd op de hierna te vermelden wijze.

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

verklaart voor recht dat [gedaagde] aansprakelijk is voor de door [eiseres] geleden en nog te lijden schade ten gevolge van het steekincident op 30 augustus 2015,

5.2.

veroordeelt [gedaagde] tot het betalen van schadevergoeding aan [eiseres] , zulks nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;

5.3.

veroordeelt [gedaagde] bij wege van voorschot tot betaling van een bedrag van € 200,- (tweehonderd euro) aan [eiseres] , vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over het toegewezen bedrag vanaf 30 augustus 2015 tot de dag van algehele betaling,

5.4.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.5.

compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,

5.6.

wijs het anders of meer gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. J. Blokland en in het openbaar uitgesproken op 16 september 2020.1

1 type: IV coll: JB