Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2020:8376

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
04-09-2020
Datum publicatie
20-10-2020
Zaaknummer
C/15/306363/ HA RK 20/150
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Wraking
Inhoudsindicatie

Beslissing wrakingskamer: wrakingsverzoek afgewezen.

“.. de door de advocaat beschreven feitelijkheden wezen zozeer in de richting van een beschuldiging van seksueel misbruik dat het voor de hand lag dat de rechter die gevolgtrekking zou trekken. Het kan dan ook bezwaarlijk als uiting van vooringenomenheid worden beschouwd dat die conclusie, al dan niet in vragende vorm, geuit werd. De bij verzoekster kennelijk levende opvatting dat een rechter emotieloos naar een dergelijk betoog dient te luisteren en slechts, voorzichtig en aftastend, mag informeren of wellicht bedoeld is dat sprake zou kunnen zijn van een beschuldiging van seksueel misbruik, past niet bij de actieve rol die een rechter heden ten dage in het burgerlijk proces vervult. Het mogelijk subjectieve gevoelen van verzoekster dat de rechter jegens haar vooringenomen is geweest, is in objectieve zin dus niet gerechtvaardigd.”

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beslissing

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Wrakingskamer

zaaknummer / rekestnummer: C/15/306363/ HA RK 20/150

Beslissing van 4 september 2020

Op het verzoek tot wraking ingediend door:

[verzoekster] ,

wonende te [plaats] ,

verzoekster,

advocaat mr. M.A. Johannsen, kantoorhoudende te Amsterdam,

Het verzoek is gericht tegen:

mr. A. Stefels,

hierna te noemen: de rechter.

1 Procesverloop

1.1.

De advocaat van verzoekster heeft op 13 augustus 2020 tijdens de mondelinge behandeling de wraking verzocht van de rechter in de bij deze rechtbank, team Familie en Jeugd, locatie Haarlem aanhangige procedures met zaaknummers C/15/305993/20-4117 (bodemprocedure) en C/15/305175 / KG ZA 20/ 408 (kort geding), hierna te noemen: de zaken.

1.2.

De rechter heeft niet in de wraking berust en heeft schriftelijk op het verzoek gereageerd.

1.3.

Het verzoek is mondeling behandeld door de wrakingskamer op 31 augustus 2020.

Verzoekster en haar advocaat zijn ter zitting verschenen en gehoord.

2 Standpunten

2.1.

Verzoekster heeft aangevoerd dat de rechter een vooringenomen en partijdige houding heeft aangenomen. Het proces-verbaal van de zitting vermeldt daarover het volgende:

“De advocaat van de moeder:

De vader is bereid te werken aan de communicatie, maar geeft de moeder de schuld. U vraagt mij of ik niet hetzelfde doe door naar de vader te wijzen. Ik antwoord dat dit niet het geval is. (…) [minderjarige] zegt op seksueel gebied gekke dingen. Hij maakt opmerkingen over een piemel tegen een buik. Hij kan een plaatje hebben gezien. Het moet onderzocht worden omdat het eng is wat er gebeurt. Er werd gezegd dat [minderjarige] te jong is, maar er is nu een omslagpunt. Met systeemtherapie kun je wel iets afleiden. [minderjarige] moet hulp krijgen als dat nodig is. U vraagt mij of u mij hoort zeggen dat ik de vader beschuldig van seksueel misbruik. Ik antwoord dat ik dat niet zeg. Op uw vraag wat dan mijn conclusie is, antwoord ik dat ik juist met klem zeg dat [minderjarige] een plaatje kan hebben gezien en dat dit moet worden onderzocht. Ik hoor u zeggen dat ik zonder onderliggende stukken keer op keer zeg dat er hele rare dingen gebeuren. Ik vind het kwalijk dat u misbruik insinueert. Ik vind dit echt niet kunnen. Ik verzoek om de zitting te schorsen, zodat ik met de moeder kan overleggen.

De rechter schorst de behandeling van de zaak ter zitting.

Na de schorsing deelt de advocaat van de moeder mede dat zij de rechter wraakt. De gronden van de wraking zijn dat uit hetgeen de rechter zowel aan het begin als aan het eind van de zitting heeft gezegd blijkt dat zij vooringenomen en partijdigheid is en dat zij conclusies trekt die zij niet mag trekken.”

De advocaat van verzoekster heeft aangegeven dat, anders dan in het proces-verbaal vermeld, de rechter niet heeft gevraagd of zij de vader beschuldigde van seksueel misbruik, maar dat de rechter dat ongevraagd heeft geconcludeerd. Zij voert aan dat de rechter haar tijdens haar betoog in de rede viel met de woorden: mr. Johannsen, ik heb wel genoeg gehoord”. Toen de advocaat haar verbazing hierover uitte en aangaf dat ze nog niet klaar was, gaf de rechter met de nodige boosheid in haar stem aan: “u bent de man zonder enig dossier met onderbouwing aan het beschuldigen van seksueel misbruik”. De toon van de rechter was aanvallend. Dat de rechter als eerste de term “seksueel misbruik” op de zitting heeft gebruikt, gaat haar beslissing beïnvloeden. Zij wijst erop dat zij dit niet gezegd en niet geïmpliceerd heeft.

2.2.

De rechter heeft schriftelijk bestreden dat er objectieve dan wel subjectieve redenen zijn om aan haar onpartijdigheid in de zaak te twijfelen. Zij heeft de achtergrond van een aantal vragen die zij (de advocaat van) verzoekster ter zitting op 13 augustus 2020 heeft gesteld, toegelicht. Zij merkt op dat de advocaat van verzoekster uitgebreid en bij herhaling naar voren heeft gebracht dat [minderjarige] gekke dingen zegt op seksueel gebied. Zaken die onderzocht moeten worden omdat het eng was wat gebeurd zou kunnen zijn. Volgens de rechter opperde de advocaat dat het ook om plaatjes en afbeeldingen zou kunnen gaan die [minderjarige] (bij zijn vader) had gezien en bracht zij naar voren dat [minderjarige] opmerkelijk genoeg had gesproken over het prettige gevoel dat ontstaat als een piemel tegen je buik aankomt.

3 Beoordeling

3.1.

Voor de concrete invulling van de norm voor wraking, zoals weergegeven in

artikel 36 Rv, wordt aansluiting gezocht bij de rechtspraak van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) ter zake van onpartijdigheid. In deze rechtspraak wordt onderscheid gemaakt tussen subjectieve en objectieve onpartijdigheid. Subjectieve onpartijdigheid ziet op de vraag of de persoonlijke overtuiging van een rechter bevooroordeeld is, terwijl objectieve onpartijdigheid ziet op feiten en omstandigheden die vrees voor een gebrek aan onpartijdigheid van de rechter rechtvaardigen. Uitgangspunt is dat van een rechter wordt vermoed dat hij uit hoofde van zijn aanstelling onpartijdig is, tenzij zich een uitzonderlijke omstandigheid voordoet die een zwaarwegende aanwijzing oplevert voor het oordeel dat een rechter jegens een partij een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij een partij dienaangaande bestaande vrees gerechtvaardigd is. De vrees voor subjectieve partijdigheid van de rechter moet wel objectief gerechtvaardigd zijn. Van een gebrek aan onpartijdigheid kan ook sprake zijn indien bepaalde feiten of omstandigheden grond geven te vrezen dat het een rechter in die omstandigheden aan onpartijdigheid ontbreekt. Alsdan dient de rechter zich van een beslissing in de hoofdzaak te onthouden, want rechtzoekenden moeten in het rechterlijk apparaat vertrouwen kunnen stellen. Daarom moet onder omstandigheden ook rekening gehouden worden met de uiterlijke schijn.

3.2.

De wrakingskamer is van oordeel dat van een zwaarwegende aanwijzing als hiervoor bedoeld niet is gebleken. Als uitgangspunt heeft te gelden dat de rechter de regie ter terechtzitting bepaalt. De rechter dient er op toe te zien dat iedere partij voldoende gelegenheid krijgt om zijn of haar standpunt naar voren te brengen en om te kunnen reageren op een standpunt van de wederpartij. In dat verband brengt de regierol van de rechter mee dat deze kan bepalen welke vragen en/of uiteenzettingen wel en welke niet relevant zijn voor de beoordeling van de zaak, waarbij de rechter efficiënt omgaat met de tijd en ervoor waakt dat partijen niet vervallen in het herhalen van hun standpunten.

3.3.

In het midden kan blijven of de rechter de beschuldiging van seksueel misbruik in vragende vorm heeft genoemd dan wel als conclusie uit het betoog van de advocaat van verzoekster. Immers, de door de advocaat beschreven feitelijkheden wezen zozeer in de richting van een beschuldiging van seksueel misbruik dat het voor de hand lag dat de rechter die gevolgtrekking zou trekken. Het kan dan ook bezwaarlijk als uiting van vooringenomenheid worden beschouwd dat die conclusie, al dan niet in vragende vorm, geuit werd. De bij verzoekster kennelijk levende opvatting dat een rechter emotieloos naar een dergelijk betoog dient te luisteren en slechts, voorzichtig en aftastend, mag informeren of wellicht bedoeld is dat sprake zou kunnen zijn van een beschuldiging van seksueel misbruik, past niet bij de actieve rol die een rechter heden ten dage in het burgerlijk proces vervult. Het mogelijk subjectieve gevoelen van verzoekster dat de rechter jegens haar vooringenomen is geweest, is in objectieve zin dus niet gerechtvaardigd.

3.4.

De wrakingskamer komt tot de slotsom dat het wrakingsverzoek moet worden afgewezen.

4 Beslissing

De rechtbank:

4.1.

wijst het verzoek tot wraking van de rechter af,

4.2.

beveelt de griffier onverwijld aan verzoekster, de rechter, en de advocaat van de vader in de zaak een voor eensluidende gewaarmerkt afschrift van deze beslissing toe te zenden;

4.3.

beveelt dat het proces in de zaak wordt voortgezet in de stand waarin het zich bevond ten tijde van het indienen van het verzoek.

Deze beslissing is gegeven door mr. W.J. van Andel, voorzitter, mr. Th.S. Röell en mr. C.A.M. van der Heijden, leden van de wrakingskamer, in tegenwoordigheid van mr. J. Kroon, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 4 september 2020.

Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.