Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2020:8351

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
16-10-2020
Datum publicatie
24-11-2020
Zaaknummer
AWB - 19 _ 2514
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Eiser heeft verzocht om toepassing van wegingsfactor 1,5. De rechtbank heeft geen aanknopingspunten aangetroffen in het dossier die aanleiding geven tot het oordeel dat er geen sprake is van een zaak met gemiddeld gewicht en acht de zaak, gelet op de aard en omvang daarvan, niet dermate gecompliceerd dat moet worden afgeweken van de standaard gehanteerde wegingsfactor 1

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2020/2880
V-N 2020/63.25.10
NTFR 2020/3681
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank noord-holland

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummer: HAA 19/2514

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 oktober 2020 in de zaak tussen

[X] , wonende te [Z] , eiser

(gemachtigde: J.A. Klaver),

en

de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Amsterdam, verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft aan eiser voor het jaar 2015 een navorderingsaanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (hierna: ib/pvv) opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 19.492.

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar de navorderingsaanslag gehandhaafd.

Eiser heeft tegen deze uitspraak beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Verweerder heeft ten aanzien van bijlagen 14 en 17 een beroep gedaan op beperkte kennisneming op grond van artikel 8:29 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb). De rechtbank verwijst voor wat betreft de geanonimiseerde stukken naar de ter zitting van 2 juni 2020 gemaakte afspraken in de zaken met nummers HAA 19/2892 en HAA 19/2893 en HAA 19/4944 en HAA 19/4946.

Eiser heeft een conclusie van repliek ingediend.

Verweerder heeft een conclusie van dupliek ingediend. Verweerder heeft ten aanzien van bijlage 19 een beroep gedaan op beperkte kennisneming op grond van artikel 8:29 van de Awb. De geheimhoudingskamer van de rechtbank Nood-Holland heeft bij beslissing van 22 juni 2020 bepaald dat de beperking van de kennisneming gerechtvaardigd is. Eiser heeft bij brief van 3 juli 2020 bericht dat hij de rechtbank geen toestemming verleent kennis te nemen van de ongeschoonde versie van bijlage 19.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 oktober 2020 te Haarlem. Namens eiser is verschenen zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. [A] en [B] .

Overwegingen

Feiten

1. Eiser heeft op 6 maart 2016 op digitale wijze aangifte ib/pvv 2015 gedaan naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 18.649. In deze aangifte heeft eiser onder meer een aftrek specifieke zorgkosten van € 843 in aanmerking genomen.

2. Verweerder heeft met dagtekening 28 mei 2016 de definitieve aanslag ib/pvv 2015 opgelegd conform de aangifte.

3. Op 14 maart 2017 heeft verweerder aan eiser een vragenbrief toegezonden met betrekking tot de door eiser in zijn aangifte opgenomen specifieke zorgkosten. Verweerder heeft hierop geen reactie van eiser ontvangen.

4. Op 13 juli 2017 heeft verweerder aan eiser bericht dat hij voornemens was een navorderingsaanslag op te leggen die afwijkt van de aangifte. Eiser reageert op deze aankondiging tot navorderen op 22 september 2017.

5. Verweerder heeft met dagtekening 21 oktober 2017 een navorderingsaanslag ib/pvv 2015 opgelegd naar een verzamelinkomen van € 19.492, waarbij de aftrek specifieke zorgkosten geheel is gecorrigeerd. Deze navorderingsaanslag resulteerde in een te betalen bedrag van € 288 (exclusief belastingrente).

6. Eiser heeft op 15 november 2017 bezwaar gemaakt.

7. Op 18 juni 2018 heeft een hoorgesprek plaatsgevonden. Het hoorverslag behoort tot de gedingstukken.

8. Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 19 april 2019 de navorderingsaanslag gehandhaafd.

9. Verweerder heeft eiser voorafgaand aan de zitting geïnformeerd dat de navorderingsaanslag zal worden vernietigd. Hierbij heeft verweerder tevens een voorstel gedaan voor een immateriële schadevergoeding, vergoeding van het griffierecht en een proceskostenvergoeding. Eiser heeft dit voorstel niet geaccepteerd.

Geschil

10. Nu verweerder de navorderingsaanslag heeft vernietigd of zal vernietigen zijn de navorderingsaanslagen zelf niet langer in geschil. In geschil is slechts nog de hoogte van de proceskostenvergoeding.

11. Eiser neemt het standpunt in dat hij recht heeft op een proceskostenvergoeding waarbij ook een procespunt moet worden toegekend voor de conclusie van repliek. Voorts stelt eiser dat de proceskostenvergoeding moet worden berekend met de wegingsfactor 1,5. Eiser doet tevens een verzoek om een immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.

12. Verweerder stelt dat eiser gelijk heeft voor wat betreft het toekennen van een proceskostenvergoeding voor de conclusie van repliek en voor wat betreft de immateriële schadevergoeding. Echter verweerder weerspreekt dat de proceskostenvergoeding moet worden berekend met de wegingsfactor 1,5.

13. Voor het overige verwijst de rechtbank naar de gedingstukken.

Beoordeling van het geschil

Immateriële schadevergoeding

14. Eiser heeft verzocht om toekenning van een immateriële schadevergoeding voor de schade die hij heeft geleden en lijdt in de vorm van de spanning en frustratie als gevolg van de overschrijding van de redelijke termijn van twee jaar.

15. Het bezwaarschrift is ingediend op 15 november 2017, uitspraak op bezwaar is gedaan op 19 april 2019, en de rechtbank doet uitspraak op 16 oktober 2020, zodat in deze zaak de redelijke termijn is overschreden met (afgerond) 11 maanden. Daarmee correspondeert een vergoeding van immateriële schade van € 1.000. Bijzondere omstandigheden op grond waarvan de redelijke termijn verlengd zou moeten worden zijn door verweerder niet gesteld.

16. Op grond van vaste jurisprudentie van de Hoge Raad (ECLI:NL:HR:2016:252) is een termijn van zes maanden voor de behandeling van een bezwaar redelijk en voor de beroepsfase een termijn van anderhalf jaar. Dit betekent dat de overschrijding volledig aan verweerder dient te worden toegerekend.

Proceskosten

17. De rechtbank ziet aanleiding verweerder te veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten. Eiser heeft verzocht om toepassing van wegingsfactor 1,5. De rechtbank heeft geen aanknopingspunten aangetroffen in het dossier die aanleiding geven tot het oordeel dat er geen sprake is van een zaak met gemiddeld gewicht en acht de zaak, gelet op de aard en omvang daarvan, niet dermate gecompliceerd dat moet worden afgeweken van de standaard gehanteerde wegingsfactor 1.

18. De rechtbank stelt de kosten op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.834,50 (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, 1 punt voor het verschijnen ter hoorzitting met een waarde per punt van € 261, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 0,5 punt voor het indienen van een conclusie van repliek en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 525 en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    veroordeelt verweerder tot vergoeding van immateriële schade van eiser tot een bedrag van € 1.000;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.834,50; en

  • -

    draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 47 aan eiser te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. B. van Walderveen, rechter, in aanwezigheid van

mr. B. Bruijnzeel, griffier op 16 oktober 2020. Als gevolg van de maatregelen rondom het coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak alsnog in het openbaar uitgesproken.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na verzending hoger beroep instellen bij het gerechtshof Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312,

1000 BH Amsterdam.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.