Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2020:8320

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
28-09-2020
Datum publicatie
25-11-2020
Zaaknummer
8700420
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Kort geding
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Kort geding. Huurder heeft zonder recht of titel intrek genomen in een huurwoning van eiseres. Het verweer dat er sprake was van een wisselwoning is na de gemotiveerde betwisting hiervan door eiseres niet nader onderbouwd door gedaagde. Ontruiming toegewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Handel, Kanton en Insolventie

locatie Haarlem

Zaaknr./rolnr.: 8700420 \ VV EXPL 20-127

Uitspraakdatum: 28 september 2020

Vonnis van de kantonrechter in kort geding in de zaak van:

de stichting
Stichting Ymere

gevestigd te Amsterdam

eiseres

verder te noemen: Ymere

gemachtigde: mr. J. van Dam

tegen

[gedaagde]

wonende te [woonplaats]

gedaagde

verder te noemen: [gedaagde]

gemachtigde: mr. B. Wernik

1 Het procesverloop

1.1.

Ymere heeft [gedaagde] op 13 augustus 2020 gedagvaard.

1.2.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 14 september 2020. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat partijen ter toelichting van hun standpunten naar voren hebben gebracht. Voorafgaand aan de zitting heeft Ymere bij brief van 10 september 2020 een akte wijziging eis toegezonden en heeft [gedaagde] , eveneens bij brief van 10 september 2020, nadere stukken toegezonden.

2 De feiten

2.1.

[gedaagde] huurt van Ymere de woning gelegen aan [adres 1] (hierna te noemen: de woning aan de [a-straat] ). De woning aan de [a-straat] maakt deel uit van [project] ’, een renovatieproject van Ymere welke renovatiewerkzaamheden medio 2022 van start zullen gaan.

2.2.

[gedaagde] heeft zijn intrek genomen in een andere woning van Ymere, gelegen aan de [adres 2] (hierna te noemen: de woning aan [adres 2] ).

3 De vordering

3.1.

Ymere vordert – na wijziging van eis – dat de kantonrechter bij wijze van voorlopige voorziening [gedaagde] veroordeelt:
I. om binnen drie dagen na betekening van dit vonnis de woning aan [adres 2] met al degenen die zich daar in bevinden en al datgene dat zich daarin bevindt te verlaten, te ontruimen en in oorspronkelijke, onbeschadigde en schone staat op te leveren, onder afgifte van alle sleutels, ten kantore van Ymere, met een verbod de woning na de ontruiming opnieuw te betrekken c.q. te gebruiken;

II. tot betaling van een dwangsom van € 10.000,00 voor elke dag of gedeelte daarvan dat hij niet aan de veroordeling onder sub 1 voldoet;

III. tot betaling van € 737,00 per maand ter zake van de verschuldigde gebruiksvergoeding, met ingang van 15 mei 2020 tot de datum van ontruiming zoals onder sub 1 beschreven, te vermeerderen met de wettelijke rente;

IV. tot betaling van de kosten van de procedure te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf acht dagen na dagtekening van dit vonnis en te vermeerderen met de nakosten.

3.2.

Ymere legt aan de vordering ten grondslag – samengevat – dat [gedaagde] via Woonservice heeft gereageerd op de woning aan [adres 2] . Om te controleren of hij deze woning toegewezen kon krijgen, heeft [gedaagde] enkele bescheiden op het kantoor van Ymere overgelegd. Een medewerker van Ymere heeft [gedaagde] een setje sleutels van de woning aan [adres 2] meegegeven voor een bezichtiging, omdat reguliere bezichtigingen, vanwege het Coronavirus, niet meer werden gedaan. [gedaagde] zou deze sleutels dezelfde dag om 17:00 uur terugbrengen maar heeft dit nagelaten. Ondanks herhaaldelijk verzoek en veel telefonisch contact heeft [gedaagde] tot op heden niet alle sleutels ingeleverd maar heeft juist zijn intrek genomen in de woning aan [adres 2] . [gedaagde] verblijft zonder enig(e) recht of titel in de woning aan [adres 2] zodat Ymere belang heeft bij de gevorderde ontruiming.

4 Het verweer

4.1.

[gedaagde] betwist de vordering. Hij voert aan – samengevat – dat hij in de veronderstelling verkeerde dat hij de woning aan [adres 2] toegewezen heeft gekregen als wisselwoning. Wanneer de renovatie klaar zou zijn, zou hij terug kunnen keren naar de woning aan de [a-straat] . Dit blijkt uit de overgelegde WhatsAppberichten tussen [gedaagde] en een medewerkster van Ymere, waar wordt gesproken over urgentie. Ook heeft Ymere de gemeente laten weten dat sprake was van woningruil, zoals blijkt uit de brief van de gemeente van 17 augustus 2020. [gedaagde] heeft tegen zijn zin gereageerd via Woonservice op de woning aan [adres 2] ; dit moest van Ymere, aldus [gedaagde] . Hij heeft veel kosten moeten maken en spullen weg moeten gooien voor deze verhuizing. Dat zou hij nooit hebben gedaan als geen sprake was van een tijdelijke wisselwoning, zo stelt [gedaagde] . Hij is nooit van plan geweest definitief te verhuizen en de woning aan [adres 2] als definitieve woning te accepteren. De woning is namelijk veel kleiner dan de woning aan de [a-straat] .

5 De beoordeling

5.1.

Ymere heeft de spoedeisendheid van de vordering voldoende onderbouwd en deze wordt ook niet betwist door [gedaagde] , zodat de vordering inhoudelijk kan worden beoordeeld.

5.2.

Voor toewijzing van de vordering is in dit kort geding vereist dat de aan die vordering ten grondslag gelegde feiten en omstandigheden voldoende aannemelijk zijn en dat het ook in voldoende mate waarschijnlijk is dat die vordering in een nog te voeren gewone procedure (bodemprocedure) zal worden toegewezen. Voor nader onderzoek naar bepaalde feiten en omstandigheden of voor bewijslevering door bijvoorbeeld getuigen is in dit kort geding in beginsel geen plaats. Dat moet gebeuren in een eventuele bodemprocedure. De beoordeling in dit kort geding is dan ook niet meer dan een voorlopig oordeel over het geschil tussen partijen.

5.3.

Vast staat dat [gedaagde] in de woning aan [adres 2] verblijft terwijl er geen sprake is van een tussen partijen gesloten huurovereenkomst voor deze woning. [gedaagde] heeft zich verweerd met de stelling dat de woning aan [adres 2] een wisselwoning betrof waar hij kon verblijven totdat de renovatie aan de [a-straat] voorbij was. Ter onderbouwing van zijn verweer heeft [gedaagde] verwezen naar een WhatsAppgesprek tussen [gedaagde] en een medewerkster van Ymere en een brief van de gemeente [gemeente] . In het WhatsAppgesprek wordt gesproken over ‘urgentie’ en de gemeente schrijft dat Ymere van mening is dat zij (Ymere) [gedaagde] de woning te ruil heeft aangeboden. Ymere betwist dit en stelt dat er geen sprake is van een wisselwoning. De renovatie aan de [a-straat] begint pas in 2022 en zo lang van tevoren worden er nooit tijdelijke wisselwoningen aangeboden. Wel kan er een stadsvernieuwingsurgentie aangevraagd worden, zodat huurders alvast kunnen kijken of zij wellicht een andere definitieve woning kunnen vinden. Via deze weg heeft [gedaagde] gereageerd op de woning aan [adres 2] . [gedaagde] heeft toen zelf besloten zijn inboedel te verhuizen en zijn intrek te nemen in de woning aan [adres 2] .

5.4.

De kantonrechter oordeelt als volgt. Tegenover de gemotiveerde betwisting door Ymere van de stelling dat [adres 2] een tijdelijke wisselwoning betrof, heeft [gedaagde] nagelaten dit verweer nader te onderbouwen. Ymere heeft ter zitting uitgelegd dat de urgentie waarover in het WhatsAppgesprek wordt gesproken ziet op een stadsvernieuwingsurgentie. Die wordt aan iedere bewoner van een renovatieproject gegeven, vanaf zo’n twee jaar voordat een renovatie van start gaat. Daarvoor kwam [gedaagde] dus ook in aanmerking, hetgeen uiteindelijk heeft geleid tot het aanbod van de woning aan [adres 2] . Naar de kantonrechter begrijpt, geldt die stadsvernieuwingsurgentie overigens nog steeds nu deze urgentie (nog) niet heeft geleid tot een tussen partijen gesloten huurovereenkomst. Daarnaast kan het enkele feit dat de gemeente [gemeente] aangeeft dat Ymere van mening is dat zij (Ymere) [gedaagde] de woning te ruil heeft aangeboden, niet leiden tot een geslaagd verweer van [gedaagde] . Immers, uit het feit dat de woning aan [adres 2] te ruil (dat wil zeggen in plaats van de [a-straat] ) zou zijn aangeboden, volgt niet direct de conclusie dat het hier gaat om een tijdelijke wisselwoning in het kader van het renovatieproject. Niet duidelijk is bovendien hoe de gemeente tot deze stelling is gekomen.

5.5.

De conclusie is dat [gedaagde] zonder recht of titel in de woning aan [adres 2] verblijft zodat de gevorderde ontruiming zal worden toegewezen. Hetzelfde geldt voor de betaling van een gebruiksvergoeding tot het moment van ontruiming. De gevorderde dwangsom zal op hierna te noemen wijze worden gematigd en gemaximeerd.

5.6.

De proceskosten komen voor rekening van [gedaagde] , omdat hij ongelijk krijgt. Daarbij wordt [gedaagde] ook veroordeeld tot betaling van het nasalaris, voor zover daadwerkelijk nakosten door Ymere worden gemaakt. De gevorderde rente over de proceskosten zal worden toegewezen vanaf de datum gelegen 14 dagen na betekening van dit vonnis.

6 De beslissing

De kantonrechter:

6.1.

veroordeelt [gedaagde] om binnen drie dagen na betekening van dit vonnis de woning staande en gelegen te [adres 2] met al degenen die zich daarin bevinden en al datgene dat zich daarin bevindt te verlaten, te ontruimen en in oorspronkelijke, onbeschadigde en schone staat op te leveren, onder afgifte van alle sleutels, ten kantore van Ymere, met het verbod de woning na de ontruiming opnieuw te betrekken c.q. te gebruiken;

6.2.

veroordeelt [gedaagde] tot betaling van een dwangsom van € 500,00 voor elke dag of gedeelte daarvan dat hij niet aan de veroordeling onder 6.1. voldoet, met een maximum van
€ 10.000,00;

6.3.

veroordeelt [gedaagde] tot betaling van € 737,00 per maand aan gebruiksvergoeding, vanaf 15 mei 2020 tot de datum van ontruiming, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van verzuim tot de dag van algehele betaling;

6.4.

veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de proceskosten, die de kantonrechter aan de kant van Ymere tot en met vandaag vaststelt op:

dagvaarding € 102,96

griffierecht € 124,00

salaris gemachtigde € 480,00;
vermeerderd met de wettelijke rente over de proceskosten vanaf de datum gelegen 14 dagen na betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling;

6.5.

veroordeelt [gedaagde] tot betaling van € 90,00 aan nasalaris voor zover Ymere daadwerkelijk nakosten heeft gemaakt;

6.6.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

6.7.

wijst de vordering voor het overige af.

Dit vonnis is gewezen door mr. I. de Greef en op bovengenoemde datum in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.

De griffier De kantonrechter