Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2020:8041

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
12-08-2020
Datum publicatie
24-11-2020
Zaaknummer
8043195 CV EXPL 19-13815
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Luchtvaartzaak. Passagier niet ontvankelijk. Vordering tot tussenkomst afgewezen. Derde partij ontbeert het voor tussenkomst vereiste belang in de vorm van een dreigende benadeling of verlies van een aan haar toekomend recht voor het behoud waarvan het nodig is dat zij in de onderhavige procedure optreedt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Handel, Kanton en Insolventie

locatie Haarlem

Zaaknr./rolnr.: 8043195 CV EXPL 19-13815

Uitspraakdatum: 12 augustus 2020

Vonnis van de kantonrechter in de zaak van:

[de passagier]

wonende te [woonplaats] (Oekraïne)

eiseres

verder te noemen: de passagier

gemachtigden: mr. D.E. Lof en mr. E.J. Hoekstra

tegen

de rechtspersoon naar buitenlandse recht Lot Polish Airlines Polskie Linie Lotnicze “Lot”

gevestigd te Warschau, Polen, en kantoorhoudende te Schiphol

gedaagde in de hoofdzaak

verweerster in het incident

verder te noemen: Lot

gemachtigde: mr. R.L.S.M. Pessers en mr. A. Daoudi

alsmede vonnis in het incident tot tussenkomst van:

de buitenlandse rechtspersoon AirHelp Limited

gevestigd en kantoorhoudende te Hongkong

eiseres in het incident

verder te noemen AirHelp

gemachtigde: mr. D.E. Lof

1 Het procesverloop

1.1.

De passagier heeft bij dagvaarding van 6 augustus 2019 een vordering tegen Lot ingesteld. Lot heeft op 4 december 2019 schriftelijk geantwoord.

1.2.

De passagier heeft hierop schriftelijk gereageerd, waarna Lot een schriftelijke reactie heeft gegeven.

1.3.

AirHelp heeft op 8 mei 2020 een (voorwaardelijk) incidentele conclusie tot tussenkomst in de hoofdzaak genomen. Lot heeft op 7 juli 2020 schriftelijk gereageerd in het incident tot tussenkomst.

1.4.

Vonnis in het incident en in de hoofdzaak zijn (nader) bepaald op heden.

2 De feiten

2.1.

De passagier heeft met Lot een vervoersovereenkomst gesloten op grond waarvan Lot de passagier op 25 mei 2019 diende te vervoeren van Danylo Halytskyi International Airport, Lviv via Frederic Chopin Airport, Warschau, Polen naar Amsterdam-Schiphol Airport, hierna te noemen: de vlucht.

2.2.

De buitenlandse rechtspersoon AirHelp Limited heeft compensatie van Lot gevorderd wegens vertraging van de vlucht. Lot heeft geweigerd tot betaling over te gaan.

2.3.

De gemachtigde van de passagier heeft namens AirHelp op 24 juni 2019 Lot schriftelijk aangemaand tot betaling over te gaan uiterlijk twee weken later, aan welke aanmaning Lot geen gevolg heeft gegeven.

3 De vordering in de hoofdzaak

3.1.

De passagier heeft bij dagvaarding gevorderd dat Lot bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad wordt veroordeeld tot betaling van € 250,00 vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf de datum van de vlucht tot aan de dag van betaling, en tot betaling van de buitengerechtelijke kosten ad € 37,50 en tot betaling van de proceskosten.

3.2.

Aan de vordering heeft de passagier –zakelijk weergegeven en voor zover thans van belang- het volgende ten grondslag gelegd. De vlucht heeft vertraging opgelopen waardoor de passagier meer dan drie uur later dan gepland op de eindbestemming is aangekomen. Op grond van artikel 7 van de Verordening (EG) nr. 261/2004 van 11 februari 2004 heeft de passagier recht op € 250,00 compensatie.

4 Het verweer in de hoofdzaak

4.1.

Lot heeft – zakelijk weergegeven en voor zover thans van belang- als meest verstrekkend verweer aangevoerd dat de passagier haar veronderstelde vorderingsrecht heeft gecedeerd aan AirHelp en dus geen vordering meer heeft en derhalve niet-ontvankelijk is.

5 De vordering in het incident

5.1.

AirHelp heeft in het incident gevorderd, voor het geval de passagier niet-ontvankelijk wordt verklaard in haar vordering, dat zij mag tussenkomen teneinde alsnog zelf haar vordering tot compensatie jegens Lot in te mogen stellen.

6 Het verweer in het incident

6.1.

Lot concludeert tot afwijzing van de vordering tot tussenkomst van AirHelp. De voorwaarde die AirHelp stelt is vooralsnog niet vervuld. Reeds daarom dient de vordering te worden afgewezen. AirHelp voldoet niet aan de formele eisen die gesteld zijn aan een vordering tot tussenkomst, aangezien zij niet vermeldt wat zij wenst te vorderen en van wie, en zij heeft ook niet aangetoond voldoende belang te hebben om zich te mengen in de hoofdzaak. AirHelp tracht met de tussenkomst slechts een gegrond verweer in de hoofdzaak te omzeilen en daarvoor is een tussenkomst niet bedoeld.

7 De beoordeling van de incidentele vordering

7.1.

Artikel 217 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) bepaalt dat ieder die een belang heeft bij een tussen andere partijen aanhangig geding, kan vorderen zich daarin te mogen voegen of tussenkomen. Bij de beoordeling of een derde partij kan worden toegelaten als tussenkomende partij neemt de Hoge Raad als maatstaf of die partij voldoende belang heeft om zich met een vordering te mengen in het aanhangige geding in verband met de nadelige gevolgen die die derde kan ondervinden van de uitspraak in dat aanhangige geding. Van zo’n belang is sprake in het geval dat benadeling of verlies van een recht dreigt dan wel de positie van de tussenkomende partij anderszins kan worden benadeeld.

7.2.

Het komt er bij de beoordeling van de onderhavige vordering dus op aan in hoeverre AirHelp mogelijk nadelige gevolgen kan ondervinden van de uitkomst van de procedure tussen de passagier en Lot. AirHelp heeft daartoe gesteld dat zij, voor het geval de passagier niet-ontvankelijk wordt verklaard in zijn vordering jegens Lot, mede gelet op de korte verjaringstermijn (de kantonrechter begrijpt vervaltermijn) van twee jaar in artikel 8:1835 van het Burgerlijk Wetboek (BW) en ter voorkoming van een tegenstrijdige uitspraak indien zij de vordering in een afzonderlijke procedure zou moeten instellen, een gerechtvaardigd belang bij tussenkomst in de onderhavige procedure heeft.

7.3.

Naar het oordeel van de kantonrechter ontbeert AirHelp het voor tussenkomst vereiste belang in de vorm van een dreigende benadeling of verlies van een aan haar toekomend recht voor het behoud waarvan het nodig is dat zij in de onderhavige procedure optreedt. Indien immers de passagier niet-ontvankelijk mocht worden verklaard - hetgeen de voorwaarde is die AirHelp aan haar verzoek tot tussenkomst stelt - gebeurt dat, gelet op het meest verstrekkende verweer van Lot in de hoofdzaak, omdat de passagier zijn vorderingsrecht heeft gecedeerd aan AirHelp en derhalve geen vorderingsrecht heeft jegens Lot. Als in rechte komt vast te staan dat de passagier zijn vorderingsrecht rechtsgeldig heeft gecedeerd aan AirHelp en daarom niet kan worden ontvangen in zijn vordering, wordt de vordering op de luchtvaartmaatschappij niet inhoudelijk beoordeeld, en wordt deze toe- noch afgewezen. AirHelp wordt door de niet-ontvankelijkverklaring dan ook op geen enkele manier benadeeld, noch verliest zij enig aan haar toekomend recht.

7.4.

Dat voor luchtvaartvertragingsclaims een korte vervaltermijn geldt, vormt op zichzelf geen argument om thans te mogen tussenkomen in een door de passagier aangespannen procedure. Het staat AirHelp immers volledig vrij om zelf een procedure aan te spannen om aan haar gecedeerde vorderingsrechten geldend te maken. Dat was ook al het geval vóórdat de passagier een vordering tegen Lot instelde. De figuur van tussenkomst is overigens ook niet bedoeld om verjarings- dan wel vervaltermijnen te omzeilen.

7.5.

Door AirHelp is nog aangevoerd dat zij een gerechtvaardigd belang heeft bij tussenkomst ter voorkoming van een tegenstrijdige uitspraak indien zij de vordering in een afzonderlijke procedure zou moeten instellen. Zoals hiervoor al is opgemerkt, vindt bij niet-ontvankelijkheid van de passagier geen inhoudelijke beoordeling van de vordering plaats. Risico op een tegenstrijdige uitspraak is er dan ook niet.

7.6.

De conclusie is dat de vordering tot tussenkomst wordt afgewezen. AirHelp wordt als de in het ongelijk gestelde partij veroordeeld in de proceskosten in het incident.

8 De beoordeling in de hoofdzaak

8.1.

De kantonrechter stelt ambtshalve vast dat de Nederlandse rechter in deze zaak bevoegd is om van de vordering kennis te nemen.

8.2.

Door de passagier is niet weersproken dat zij het assignmentformulier dat door AirHelp wordt gebruikt, heeft ondertekend, zodat dit vaststaat. In vergelijkbare zaken heeft de kantonrechter eerder, onder op 25 september 2019 (ECLI:NL:RBNHO:2019:8072) geoordeeld dat het assignmentformulier zoals door AirHelp wordt gebruikt, kwalificeert als een akte van cessie waarmee de vordering door de passagier in eigendom wordt overgedragen aan AirHelp. Door het ondertekenen van het assignmentformulier is de passagier niet langer bevoegd zelf over het gepretendeerde vorderingsrecht te beschikken. De door de passagier bij conclusie van repliek overgelegde “verklaring lastgeving” maakt dit niet anders nu dit een eenzijdige verklaring van AirHelp is en er geen door de passagier mede ondertekende lastgevingsovereenkomst is overgelegd. De conclusie is dat het primaire en meest verstrekkende verweer van Lot slaagt. De passagier zal niet-ontvankelijk worden verklaard in haar vordering. Nu het primaire verweer slaagt, behoeven de overige verweren van Lot geen bespreking meer.

8.3.

De proceskosten komen voor rekening van de passagier omdat zij ongelijk krijgt.

9 De beslissing

in het incident

9.1.

wijst af de vordering tot tussenkomst;

9.2.

veroordeelt AirHelp in de proceskosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van Lot vastgesteld op € 72,00 aan salaris voor de gemachtigde van Lot;

9.3.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

in de hoofdzaak

9.4.

verklaart de passagier niet-ontvankelijk in haar vordering;

9.5.

veroordeelt de passagier in de proceskosten, die tot en met vandaag voor Lot worden vastgesteld op € 144,00 aan salaris voor de gemachtigde van Lot;

9.6.

veroordeelt de passagier tot betaling van € 36,00 aan nakosten, voor zover daadwerkelijk nakosten door Lot worden gemaakt;

9.7.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. S.N. Schipper, kantonrechter, en op bovengenoemde datum in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.

De griffier De kantonrechter