Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2020:7995

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
20-10-2020
Datum publicatie
26-10-2020
Zaaknummer
AWB - 20 _ 96
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

loonbelasting: toegekende schadevergoeding is causaal toe te rekenen aan de dienstbetrekking

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 27-10-2020
V-N Vandaag 2020/2592
FutD 2020-3196
NTFR 2020/3176
V-N 2021/2.38.5
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank noord-holland

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummer: HAA 20/96

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 20 oktober 2020 in de zaak tussen

[X] , wonende te [Z] , eiser

(gemachtigde: mr. C. Lamuadni),

en

de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Rotterdam, verweerder.

Procesverloop

Eiser genoot in de maand mei 2019 een uitkering van de [A] . Op deze uitkering is een bedrag van € 9.394,89 aan loonheffing ingehouden. Eiser heeft tegen deze inhouding bezwaar gemaakt.

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar (hierna: het bestreden besluit) deze inhouding gehandhaafd.

Eiser heeft daartegen beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Verweerder heeft een nader processtuk ingediend, welk processtuk in afschrift aan eiser is toegezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 oktober 2020 te Haarlem.

Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden [B] en mr. [C] .

Overwegingen

Feiten

1. In 2016 heeft eiser, werkzaam bij de [A] (hierna: de werkgever) de korpschef van politie (hierna: de korpschef) verzocht gebruik te mogen maken van de zogenoemde remplaçantenregeling. De korpschef heeft dit verzoek afgewezen en het door eiser hiertegen ingediende bezwaarschrift bij besluit van 18 december 2017 ongegrond verklaard. Eiser heeft hiertegen beroep ingesteld bij de rechtbank.

2. De rechtbank Noord-Holland heeft in zijn uitspraak van 11 oktober 2018 (AWB 18/359) geoordeeld dat eiser met ingang van 19 januari 2018 recht heeft op toepassing van de remplaçantenregeling, en heeft bepaald dat de werkgever aan eiser diende te vergoeden een bedrag gelijk aan het bruto salaris voor iedere dag dat eiser vanaf 19 januari 2019 heeft gewerkt tot het moment waarop hij door de werkgever zou zijn ontheven van zijn werkzaamheden.

3. De werkgever heeft bij het loon voor de maand mei 2019 aan eiser op grond van de hiervoor onder 2 vermelde uitspraak van de rechtbank een bedrag vergoed van € 19.075,91 waarbij een bedrag van € 9.394,89 aan loonheffing is ingehouden.

Geschil en standpunten van partijen

4. In geschil is of op de vergoeding van € 19.075,91 terecht een bedrag van € 9.394,89 aan loonheffing is ingehouden.

5. Eiser beantwoordt deze vraag ontkennend en stelt daartoe het volgende. Aan eiser is een schadevergoeding toegekend waarbij aansluiting is gezocht bij het salaris van eiser. Dit doet er niet aan af dat het een schadevergoeding betreft wegens immateriële schade. Gelet op de bedoeling om compensatie te geven voor het leed dat eiser heeft ondervonden door het feit dat hij gewerkt heeft terwijl hij eigenlijk vrijgesteld had moeten worden van arbeid, en de omstandigheden die tot de toekenning van de vergoeding hebben geleid, is er sprake van een vergoeding die niet als belastbare beloning kan worden aangemerkt. De schadevergoeding is ten onrechte in de loonheffing betrokken.

6. Verweerder beantwoordt deze vraag bevestigend en voert daartoe het volgende aan. Volgens artikel 10, eerste lid, van de Wet op de loonbelasting 1964 (hierna: de Wet Lb) is loon al hetgeen uit dienstbetrekking of een vroegere dienstbetrekking wordt genoten. De inhoud van het loonbegrip laat zich samenvatten in drie voorwaarden, te weten, de voordeelseis, de verstrekkingseis en de causaliteitseis. Aan deze voorwaarden is voldaan zodat op de toegekende schadevergoeding terecht loonheffing is ingehouden.

7. Voor het overige verwijst de rechtbank naar de gedingstukken.

Beoordeling van het geschil

8. De rechtbank overweegt in de eerste plaats dat eiser ter zitting heeft verklaard dat hij zijn beroep op het vertrouwensbeginsel niet langer handhaaft. Deze beroepsgrond behoeft derhalve geen bespreking meer.

9. Op grond van artikel 10, eerste lid, van de Wet Lb is loon al hetgeen uit een dienstbetrekking of een vroegere dienstbetrekking wordt genoten, daaronder mede begrepen hetgeen wordt vergoed of verstrekt in het kader van de dienstbetrekking.

10. In zijn conclusie van 1 december 2016 (ECLI:NL:PHR:2016:1239) heeft de Advocaat-Generaal van de Hoge Raad mr. R.C.E.M. Niessen met betrekking tot het loonbegrip, het volgende overwogen:

4.7 Om van toereikende causaliteit te kunnen spreken, wordt algemeen aangenomen dat als beslissend criterium de leer van de redelijke toerekening geldt. Deze leer vat loon op als alle voordelen die, rekening houdende met de maatschappelijke opvattingen, geacht kunnen worden zakelijk aan de dienstbetrekking te worden toegerekend, met uitschakeling derhalve van wat tot de persoonlijke sfeer van de werknemer behoort.Wanneer het ‘voordeel’ een nadeel is, is sprake van negatief loon.

4.8

Voor de vraag of een voordeel (nadeel) kan worden toegerekend aan de dienstbetrekking, is dus van belang hoe nauw de relatie tussen het voordeel (nadeel) en de dienstbetrekking is. Daarbij speelt ook de hoedanigheid waarin het voordeel (nadeel) wordt genoten een rol.

11. In zijn conclusie van 28 juli 2015 voor het arrest van de Hoge Raad van 20 november 2015 (ECLI:NL:HR:2015:3310) heeft de Advocaat-Generaal van de Hoge Raad mr. R.C.E.M. Niessen het volgende overwogen:

“6.9 […] Of sprake is van loon uit dienstbetrekking wordt bepaald op basis van het causale verband met de dienstbetrekking, en niet naar gelang van de vraag of de bate een beloning vormt voor de door de werknemer verrichte arbeid. Van loon is dus – in beginsel – reeds sprake wanneer de betaling uit dienstbetrekking wordt genoten.”

12. In het arrest van de Hoge Raad van 20 november 2015 heeft de Hoge Raad vervolgens overwogen dat voor zover de cassatiemiddelen inhouden dat het Hof heeft blijk gegeven van onjuiste rechtsopvattingen, zij afstuiten op hetgeen vermeld is in de onderdelen 6.9 en 6.17 van de conclusie van de Advocaat-Generaal.13. De rechtbank dient derhalve thans te beoordelen of de onderhavige schadevergoeding causaal voortvloeit uit en dient te worden toegerekend aan de dienstbetrekking. In zijn uitspraak van 11 oktober 2018 (AWB 18/359) heeft de rechtbank onder meer het volgende overwogen:

8.1 Ter zitting, aangevuld bij brief van 4 september 2018, heeft eiser verzocht om schadevergoeding voor de maanden waarin hij ten onrechte geen gebruik heeft kunnen maken van de remplaçantenregeling. Volgens eiser is sprake van schade als gevolg van gemiste vrije tijd. Eiser heeft (…) verzocht om compensatie ter grootte van een bruto maandsalaris per gemiste maand aan vrije tijd.

(…).

8.3

De rechtbank ziet aanleiding het verzoek van eiser om schadevergoeding toe te kennen en overweegt daartoe het volgende. (…) De rechtbank volgt eiser (…) in zijn standpunt dat hij schade heeft geleden als gevolg van het missen van vrije
tijd.

13. Uit deze uitspraak van de rechtbank volgt dat de onderhavige schadevergoeding is toegekend vanwege gemiste vrije tijd omdat eiser heeft moeten werken terwijl hij recht had om vrijgesteld te zijn van werk. Dit betekent naar het oordeel van de rechtbank dat de vergoeding causaal aan de dienstbetrekking dient te worden toegerekend. Hetgeen eiser heeft aangevoerd, waaronder dat het moeten werken hem veel leed heeft berokkend vanwege de ernstige ziektes van zijn echtgenote en hem zelf, doet hieraan niet af.

14. Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de toegekende schadevergoeding tot het loon behoort zodat hierover terecht loonheffing is ingehouden.

15. De rechtbank zal op grond van het vorenoverwogene het beroep ongegrond verklaren.

Proceskosten

16. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. G.H. de Soeten, rechter, in aanwezigheid van
R. van der Vecht, griffier, op 20 oktober 2020. Als gevolg van de maatregelen rondom het coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak, voor zover nodig, alsnog in het openbaar uitgesproken.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na verzending hoger beroep instellen bij het gerechtshof Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312,

1000 BH Amsterdam.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.