Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2020:7964

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
18-09-2020
Datum publicatie
23-10-2020
Zaaknummer
AWB - 19 _ 2039
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

WIA. Onderzoek zorgvuldig geen aanleiding voor twijfel aan de juistheid conclusies. Beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Alkmaar

Bestuursrecht

zaaknummer: HAA 19/2039

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 18 september 2020 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: M.W. van de Loo),

en

de Raad van Bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder

(gemachtigde: mr. M. van der Feer).

Procesverloop

Bij besluit van 19 december 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder eiser met ingang van 31 januari 2019 een WGA-vervolguitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA) toegekend berekend naar de arbeidsongeschiktheidsklasse 45 tot 55%.

Bij besluit van 29 maart 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting was gepland voor 20 maart 2020, maar heeft vanwege de maatregelen ter beperking van de verdere verspreiding van het coronavirus geen doorgang gevonden.

De rechtbank heeft de zaak geschikt geacht om schriftelijk af te doen. Onder toepassing van artikel 8:57, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is een onderzoek ter zitting achterwege gebleven. Eiser heeft nadien bij brief van zijn gemachtigde van 27 mei 2020 nog enige persoonlijke overwegingen kenbaar gemaakt. Verweerder heeft daarna niet laten weten alsnog een zitting te wensen.

Daarna is het onderzoek met toepassing van artikel 8:57, derde lid, van de Awb gesloten.

Overwegingen

1.1.

Eiser was werkzaam als timmerman voor 40 uur per week. Eiser heeft in verband met beëindiging van zijn dienstverband vanaf 25 januari 2013 een uitkering op grond van de Werkloosheidswet ontvangen. Hij heeft zich op 25 februari 2013 ziek gemeld en is op 19 december 2013 door een arts onderzocht in het kader van de Eerstejaars Ziektewetbeoordeling (EZWb). Er zijn beperkingen aangenomen en er is een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) opgesteld. De arbeidsdeskundige achtte eiser in staat om meer dan 65% van het maatmanloon te verdienen als gevolg waarvan eisers ZW-uitkering per 25 maart 2014 is beëindigd.

1.2.

Per 20 oktober 2015 heeft eiser zich opnieuw ziek gemeld. Per 19 januari 2016 is aan hem een ZW-uitkering toegekend. Na onderzoek door een verzekeringsarts is eiser in staat geacht om de eerder geduide functies te verrichten en is eiser per 3 mei 2016 hersteld gemeld.

Op 22 augustus 2016 heeft eiser zich opnieuw ziek gemeld. Eiser is per 3 november 2016 geschikt geacht voor het verrichten van een van de geduide functies als gevolg waarvan hij per die datum hersteld gemeld is. Op 2 februari 2017 heeft eiser zich wederom ziek gemeld. Vanaf 4 mei 2017 is aan hem een ZW-uitkering toegekend. Op 28 december 2017 is eiser door een verzekeringsarts onderzocht, die een FML heeft opgesteld. De arbeidsdeskundige kon gelet op deze FML geen functies duiden waarmee eiser meer dan 65% van het maatmaninkomen kan verdienen. De ZW-uitkering van eiser is bij besluit van 30 januari 2018 voortgezet.

1.3.

Op 19 november 2018 is eiser in het kader van zijn aanvraag voor een WIA-uitkering door een verzekeringsarts onderzocht. Deze heeft onder meer als volgt gerapporteerd. Eiser is uitgevallen met kortademigheid en klachten van pijn op de borst. Longfunctie was normaal en de cardioloog kon geen afwijkingen vinden. Daarnaast is eiser ook onderzocht door de KNO-arts in verband met het gevoel van een brok in de keel. Hier werd niks gevonden en eiser heeft hier ook geen klachten meer van. Hiernaast is eiser bekend met artrose van de knieën, de lage rug en in mindere mate de nek. Het is aannemelijk dat eiser klachten ervaart bij knie-belastende activiteiten. Vanwege de artrose in de rug is eiser aangewezen op rugsparende arbeid. De nekklachten door artrose zijn toegenomen. Bij lichamelijk onderzoek blijkt er een beperkte rotatie te zijn naar links. Als gevolg hiervan dienen ook beperkingen te worden aangenomen. Verder is eiser bekend met diabetes, wat onder controle is. Er zijn geen klachten van de ogen, handen of voeten. Op 26 november 2018 is een FML opgesteld. De verwachting is dat de medische situatie niet essentieel zal verbeteren.

De arbeidsdeskundige acht eiser gelet op deze FML in staat om de functies van productiemedewerker, wikkelaar en kassamedewerker te verrichten. Hiermee kan hij 48,10% minder verdienen dan dat hij deed voordat hij ziek werd.

1.4.

Als gevolg hiervan heeft verweerder aan eiser bij het primaire besluit per 31 januari 2019 een WGA-vervolguitkering toegekend. Hiertegen heeft eiser bezwaar gemaakt.

2. Omdat het bezwaar van eiser gericht was tegen de arbeidskundige beoordeling is het dossier ter heroverweging voorgelegd aan de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft na overleg met de verzekeringsarts, dossieronderzoek en raadpleging van het Claimbeoordelings- en Borginssysteem CBBS, geen aanleiding gezien voor een ander oordeel dan de primaire arbeidsdeskundige. Een van de primair geduide functies kan niet als geschikt worden aangemerkt. Op basis van de overige, wel geschikte functies, blijft het arbeidsongeschiktheidspercentage van eiser 48,10%.

Verweerder heeft vervolgens het primaire besluit bij het bestreden besluit gehandhaafd.

3. Eiser heeft zich in beroep op het standpunt gesteld dat zijn beperkingen zoals vastgelegd door de verzekeringsarts bezwaar en beroep in de FML en met name in de rubrieken 4, 5 en 6 zijn onderschat. Als gevolg hiervan kunnen ook de door de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep geduide functies geen stand houden.

Bij brief van 16 maart 2020 heeft de gemachtigde van eiser nadere medische stukken ingediend. Het betreft een brief van de fysiotherapeut waarin staat dat eiser in verband met wervelkolom gerelateerde klachten voortkomend uit artrose al vanaf ongeveer 2012 één keer per 4 weken voor behandeling bij de fysiotherapie komt. Verder betreft het verslagen van verschillende medische onderzoeken, zoals van radiologische onderzoeken van 2017 terug tot 2006, een brief van de neuroloog van 25 november 2010, met een verslag van 16 november 2010, en brieven van de neuroloog uit 2001 en informatie van het [ziekenhuis] en informatie van de cardioloog.

4. Verweerder heeft voor het verweer verwezen naar de beslissing op bezwaar omdat het beroep geen nieuwe feiten of omstandigheden bevat. Naar aanleiding van de aanvullende medische informatie heeft verweerder het verweer gehandhaafd onder verwijzing naar de rapportage van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 25 maart 2020. Daarin concludeert de verzekeringsarts bezwaar en beroep dat de medische informatie geen aanleiding geeft om een ander standpunt in te nemen over de belastbaarheid. Verder merkt de verzekeringsarts op dat de eerdere klachten van eiser nog aan de orde zijn en dat vergelijking met de FML van 2017 leert dat op enkele aspecten meer beperkingen zijn aangegeven. De verzekeringsarts bezwaar en beroep vermeldt dat de overgelegde informatie bevestigt dat sprake is van nek-en rugklachten waarmee in de FML rekening is gehouden en dat bij onderzoek geen duidelijke afwijkingen worden gevonden, en dat ook de fysiotherapeut geen toename meldt van al jaren bestaande klachten. Verder is vermeld dat de cardioloog over aspecifieke klachten schrijft bij een heel redelijke belastbaarheid (fietsergonomie 200 Watt). Die informatie geeft geen argumenten voor meer beperkingen, met name niet voor een urenbeperking, aldus de verzekeringsarts bezwaar en beroep.

5. De rechtbank ziet zich geplaatst voor de vraag of verweerder de mate van arbeidsongeschiktheid van eiser juist heeft vastgesteld als gevolg waarvan hem een WGA-uitkering is toegekend in het kader van de WIA. De besluitvorming van verweerder berust op rapportages van verzekeringsartsen en arbeidsdeskundigen. Eiser betwist de juistheid van de vastgestelde beperkingen in de FML. In dat geval dient de rechtbank te beoordelen of er aanleiding is voor twijfel aan de juistheid of volledigheid van de rapportages.

6. De rechtbank is van oordeel dat de medische belastbaarheid van eiser op de datum in geding, 31 januari 2019, in de rapportages op inhoudelijk overtuigende wijze is gemotiveerd. De rechtbank volgt de verzekeringsarts bezwaar en beroep in de conclusie dat in de FML rekening is gehouden met de nek- en rugklachten door diverse beperkingen voor fysiek zware aspecten aan te nemen. De verzekeringsarts bewaar en beroep heeft daarbij betrokken de aanvullende medische informatie zoals overgelegd in beroep. De rechtbank is van oordeel dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep vervolgens ook voldoende gemotiveerd concludeert dat geen sprake is van argumenten voor een urenbeperking, ook niet vanuit preventieve overwegingen.

Het beroep van eiser geeft geen aanleiding om aan de juistheid van de FML te twijfelen. Dat eiser, zoals hij aanvoert, eerst voor de ZW geheel is afgekeurd, vervolgens goedgekeurd voor 51,90% en daarna voor de WIA voor 48,10% weer is afgekeurd, is, daarvoor onvoldoende. De verschillende beoordelingen vinden vanuit de verschillende toetsingskaders van de toepasselijke wetten plaats en betreffen bovendien telkens een andere beoordelingsdatum.

7. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft vervolgens inzichtelijk gemotiveerd waarom eiser de geduide functies kan verrichten. Nu deze bij de beoordeling gelet op het voorgaande is uitgegaan van een juiste FML leidt wat eiser heeft aangevoerd niet tot twijfel aan de juistheid van de conclusies van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep.

Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat bij een WIA-beoordeling factoren als leeftijd en arbeidsmarkt geen rol spelen en buiten beschouwing blijven. Dat eiser ten tijde van de datum in geding nog maar 14 maanden verwijderd was van zijn pensioengerechtigde leeftijd, kan bij deze beoordeling dan ook geen rol spelen.

8. Al het hiervoor genoemde leidt tot de conclusie dat het beroep ongegrond is. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan op 18 september 2020 door mr. A.R. ten Berge, rechter, in aanwezigheid van F. Voskamp, griffier. Als gevolg van de maatregelen rondom het coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak, voor zover nodig, alsnog in het openbaar uitgesproken.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.