Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2020:7929

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
16-10-2020
Datum publicatie
23-10-2020
Zaaknummer
AWB - 20 _ 116
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Eiser heeft recht op kostenvergoeding bezwaar met een wegingsfactor 1, ook al betreft het een bezwaar tegen de vervolgingskosten. Verweerder heeft ten onrechte wegingsfactor 0,25 toegepast.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 26-10-2020
V-N Vandaag 2020/2560
FutD 2020-3205
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank noord-holland

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummer: HAA 20/116

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 oktober 2020 in de zaak tussen

[X] , wonende te [Z] , eiser

(gemachtigde: J.A. Klaver),

en

de ontvanger van de Belastingdienst, kantoor Enschede, verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft aan eiser met dagtekening 19 juli 2019 een dwangbevel uitgevaardigd ten aanzien van de aanslag huurtoeslag 2013 alsmede een dwangbevel ten aanzien van de aanslag Zorgtoeslag 2013. Hierbij zijn € 116 vervolgingskosten in rekening gebracht.

Verweerder heeft op 24 juli 2019 een bezwaarschrift ontvangen gericht tegen de vervolgingskosten. Eiser verzoekt daarbij om een proceskostenvergoeding.

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 10 oktober 2019 het bezwaar kennelijk gegrond verklaard en de kosten op nihil gesteld.

De rechtbank heeft op 19 november 2019 een beroepschrift ontvangen tegen deze uitspraak.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 oktober 2020 te Haarlem.

Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde [A] en [B] .

Overwegingen

Feiten

1. Verweerder heeft aan eiser bij besluit van 28 januari 2019 een betalingsregeling toegekend voor de terugvorderingsbeschikkingen huur- en zorgtoeslag 2013 van € 40 per maand gedurende 14 maanden.

Geschil
2. In geschil is de hoogte van de proceskostenvergoeding in de bezwaarfase.

3. Eiser stelt dat de hoorplicht is geschonden nu niet volledig aan het bezwaar tegemoet is gekomen. Verder stelt eiser dat aan het bezwaar een wegingsfactor 1 moet worden toegekend, onder verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 20 september 2019, ECLI:NL:HR:1314.

4. Verweerder geeft aan dat in de uitspraak op bezwaar per abuis niet is ingegaan op het verzoek om een proceskostenvergoeding. Naar de mening van verweerder dient de wegingsfactor zeer licht (0,25) te worden gehanteerd, zowel voor bezwaar als voor beroep. Voor bezwaar betekent dit dat recht bestaat op een kostenvergoeding van € 62,25 (€ 261 x 0,25).

Er is volgens verweerder geen schending van de hoorplicht aangezien aan het bezwaar tegemoet is gekomen. De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 25 oktober 2019, ECLI:NL:HR:1619 geoordeeld dat er alsdan geen hoorplicht is terzake van nevenvorderingen.

Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

5. Voor het overige verwijst de rechtbank naar de gedingstukken.

Beoordeling van het geschil

Hoorplicht

6. Eiser stelt dat de hoorplicht is geschonden, nu hij in bezwaar heeft verzocht om te worden gehoord en niet volledig aan het bezwaar is tegemoetgekomen.

De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 25 oktober 2019, ECLI:NL:2019:1619 overwogen:

“De beslissing op bezwaar vormt de uitkomst van de heroverweging van het primaire besluit door het bestuursorgaan. Voordat op het bezwaar wordt beslist, moet het bestuursorgaan volgens artikel 7:2, lid 1, Awb belanghebbenden in de gelegenheid stellen te worden gehoord. Indien het bestuursorgaan volledig aan het bezwaar tegemoet komt, kan het echter op grond van artikel 7:3, aanhef en letter e, Awb afzien van het horen van de belanghebbende, mits andere belanghebbenden daardoor niet in hun belangen kunnen worden geschaad.
Omdat de behandeling van het bezwaar strekt tot heroverweging van het primaire besluit, moet worden aangenomen dat deze uitzondering ziet op gevallen waarin het bestuursorgaan volledig tegemoet komt aan het bezwaar dat tegen dat primaire besluit is gemaakt. In het kader van dat bezwaar gedane bijkomende verzoeken, zoals een verzoek om vergoeding van kosten die in verband met de behandeling van het bezwaar zijn gemaakt of een verzoek om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn, behoren niet tot de grondslag van het bezwaar tegen het primaire besluit. Als het bestuursorgaan het voornemen heeft om niet of niet volledig te voldoen aan dergelijke in het kader van het bezwaar gedane verzoeken, is het dan ook niet op grond van artikel 7:2 Awb verplicht de belanghebbende in de gelegenheid te stellen daarover te worden gehoord.”

7. De rechtbank oordeelt dat verweerder gehele aan het materiële geschilpunt in bezwaar tegemoet is gekomen en derhalve terecht heeft afgezien van het horen van eiser.

8. Op grond van artikel 7:15, tweede lid, van de Awb worden kosten, die eiser in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken, door het bestuursorgaan uitsluitend vergoed op verzoek van eiser voor zover het bestreden besluit wordt herroepen wegens een aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid.

Vast staat dat de dwangbevelkosten ten onrechte in rekening zijn gebracht en dat het bestreden besluit zodoende is herroepen wegens onrechtmatigheid aan de zijde van verweerder. Voorts staat vast dat verweerder in de uitspraak op bezwaar van 10 oktober 2019 heeft nagelaten een beslissing te nemen op het verzoek van eiser om een kostenvergoeding. Verweerder heeft, nadat eiser beroep heeft ingesteld, in het verweerschrift het standpunt ingenomen dat recht bestaat op een kostenvergoeding in verband met de behandeling van het bezwaar, waarbij moet worden uitgegaan van wegingsfactor 0,25.

9. Nu verweerder pas nadat eiser in beroep is gekomen alsnog op het verzoek om een kostenvergoeding heeft beslist, is het beroep reeds hierom gegrond. Voorts heeft in een zodanig geval te gelden dat het beroep wordt geacht mede te zijn gericht tegen de nadien genomen beslissing op het verzoek om vergoeding van kosten (vgl. HR 14 november 2014, ECLI:NL:HR:2014:3191).

10. De wegingsfactor wordt bepaald door de aard, het belang en de ingewikkeldheid van de zaak. In onderdeel C1 van de bijlage bij het Besluit proceskosten bestuursrecht worden de wegingsfactoren ingedeeld in vijf categorieën, van zeer licht (factor 0,25) tot zeer zwaar (factor 2). De rechtbank dient zelfstandig - op grond van een eigen waardering - te beoordelen in welke gewichtscategorie een zaak valt (HR 23 september 2011, ECLI:NL:HR:2011:BT2293). De rechtbank neemt als uitgangspunt dat de behandeling van een zaak in de bezwaarprocedure in beginsel behoort tot de categorie gemiddeld, tenzij er duidelijk redenen zijn om hiervan af te wijken (vgl. het arrest van de Hoge Raad van 20 september 2019, ECLI:NL:HR:2019:1314). De rechtbank ziet in dit geval geen aanleiding in de onderhavige zaak af te wijken van toepassing van de gemiddelde wegingsfactor.

Eiser heeft nog aangevoerd dat in vele andere zaken waarin bezwaar was gemaakt tegen de vervolgingskosten, verweerder zich inmiddels nader op het standpunt heeft gesteld dat wegingsfactor 1 moet worden toegepast en dat wordt verzocht het beroep in te trekken, onder toekenning van € 525 proceskostenvergoeding voor de beroepsfase. Desgevraagd heeft verweerder niet kunnen uitleggen waarin deze zaak zich onderscheidt van de andere door eiser genoemde, vergelijkbare zaken waarin de Ontvanger alsnog in de beroepsfase het standpunt heeft ingenomen dat recht bestaat op toepassing van wegingsfactor 1. Verweerder heeft volstaan met een algemene opmerking over de aard en complexiteit van de zaak. Dat is voor de rechtbank echter onvoldoende voor toepassing van factor 0,25. Het voorgaande betekent dat recht bestaat op een kostenvergoeding voor de bezwaarfase van € 261 (bedrag 2020).

11. Gelet op het vorenoverwogene dient het beroep gegrond te worden verklaard en de kostenvergoeding voor door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand in de bezwaarfase op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht in deze zaak te worden vastgesteld op € 261 (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift met een waarde per punt van € 261).

Proceskosten

12. De rechtbank ziet aanleiding verweerder te veroordelen in de door eiser voor de beroepsfase gemaakte proceskosten. De rechtbank stelt de proceskosten op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand in de beroepsfase vast op € 525 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 525 en een wegingsfactor 0,5 nu de procedure in beroep materieel enkel nog de hoogte van de vergoeding voor de kosten in de bezwaarfase betreft, immers het al dan niet schenden van de hoorplicht is geen onderwerp van debat ter zitting meer geweest).

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar voor zover deze betrekking heeft op de kostenvergoeding;

- stelt de kostenvergoeding in de bezwaarfase vast op € 261;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 525;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 47 aan eiser te vergoeden.

Deze uitspraak is op 16 oktober 2020 gedaan door mr. F. Kleefmann, rechter, in aanwezigheid van mr. M.C. Anema, griffier. Als gevolg van de maatregelen rondom het coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak, voor zover nodig, alsnog in het openbaar uitgesproken.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na verzending hoger beroep instellen bij het gerechtshof Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312,

1000 BH Amsterdam.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.