Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2020:7928

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
16-10-2020
Datum publicatie
23-10-2020
Zaaknummer
AWB - 19 _ 5468
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De hoorplicht is niet geschonden nu in bezwaar volledig aan het materiele geschilpunt is tegemoetgekomen. Eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat zij om uitstel van betaling heeft verzocht. Dus de aanmaning en het dwangbevel zijn terecht uitgevaardigd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank noord-holland

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummer: HAA 19/5468

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 oktober 2020 in de zaak tussen

[X] , wonende te [Z] , eiseres

(gemachtigde: J.A. Klaver),

en

de ontvanger van de Belastingdienst, kantoor Enschede, verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft aan eiseres met dagtekening 4 juni 2019 een aanmaning verzonden en daarbij € 7 kosten in rekening gebracht.

Verweerder heeft op 4 juni 2019 een bezwaarschrift tegen de aanmaning en de kosten ontvangen. Eiseres verzoekt daarbij om een proceskostenvergoeding.

Verweerder heeft 13 juni 2019 een dwangbevel uitgevaardigd en daarbij € 50 vervolgingskosten in rekening gebracht.

Verweerder heeft op 28 juni 2019 een bezwaarschrift ontvangen gericht tegen het dwangbevel en de in rekening gebrachte vervolgingskosten. Eiseres verzoekt daarbij om een proceskostenvergoeding.

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 17 oktober 2019 de bezwaren kennelijk gegrond verklaard en de vervolgingskosten op nihil gesteld. Tevens heeft verweerder een kostenvergoeding toegekend van € 63,50 (€ 254 x 0,25).

De rechtbank heeft op 25 oktober 2019 een beroepschrift ontvangen tegen deze uitspraak.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

De rechtbank heeft op 22 september 2020 een nader stuk van eiseres ontvangen en in kopie doorgezonden naar verweerder.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 oktober 2020 te Haarlem.

Namens eiseres is haar gemachtigde verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door [A] en [B]

Overwegingen

Feiten

1. Verweerder heeft aan eiseres met dagtekening 31 januari 2019 een voorlopige aanslag inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet (hierna: Zvw) voor het jaar 2019 opgelegd ten bedrage van € 524. De eerste termijn diende uiterlijk 28 februari 2019 te zijn betaald. Omdat ook na het versturen van een betalingsherinnering betaling uitbleef, heeft verweerder een aanmaning verzonden en een dwangbevel uitgevaardigd.

Geschil
2. In geschil is de hoogte van de proceskostenvergoeding in de bezwaarfase alsmede de vraag of verweerder mocht afzien van een hoorgesprek.

3. Eiseres stelt dat de vervolgingskosten ten onrechte in rekening zijn gebracht aangezien op 15 februari 2019 een bezwaarschrift is ingediend tegen de voorlopige aanslag Zvw 2019 en daarbij is verzocht om uitstel van betaling.

Eiseres voert verder aan dat de hoorplicht is geschonden nu niet volledig aan het bezwaar tegemoet is gekomen.

Naar de mening van eiseres moet aan het bezwaar een wegingsfactor 1 worden toegekend, onder verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 20 september 2019, ECLI:NL:HR:1314.

4. Verweerder stelt dat de vervolgingskosten terecht in rekening zijn gebracht en derhalve geen sprake is van onrechtmatigheid aan de zijde van verweerder. Eiseres heeft dus in het geheel geen recht op kostenvergoeding. Gelet op het verbod van ‘reformatio in peius’ blijft de toegekende kostenvergoeding in stand.

Er is volgens verweerder geen schending van de hoorplicht aangezien aan het bezwaar tegemoet is gekomen. De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 25 oktober 2019, ECLI:NL:HR:1619 geoordeeld dat er alsdan geen hoorplicht is terzake van nevenvorderingen.

Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

5. Voor het overige verwijst de rechtbank naar de gedingstukken.

Beoordeling van het geschil

Hoorplicht

6. Eiseres stelt dat de hoorplicht is geschonden, nu zij in bezwaar heeft verzocht om te worden gehoord en niet volledig aan het bezwaar is tegemoetgekomen.

De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 25 oktober 2019, ECLI:NL:2019:1619 overwogen:

“De beslissing op bezwaar vormt de uitkomst van de heroverweging van het primaire besluit door het bestuursorgaan. Voordat op het bezwaar wordt beslist, moet het bestuursorgaan volgens artikel 7:2, lid 1, Awb belanghebbenden in de gelegenheid stellen te worden gehoord. Indien het bestuursorgaan volledig aan het bezwaar tegemoet komt, kan het echter op grond van artikel 7:3, aanhef en letter e, Awb afzien van het horen van de belanghebbende, mits andere belanghebbenden daardoor niet in hun belangen kunnen worden geschaad.
Omdat de behandeling van het bezwaar strekt tot heroverweging van het primaire besluit, moet worden aangenomen dat deze uitzondering ziet op gevallen waarin het bestuursorgaan volledig tegemoet komt aan het bezwaar dat tegen dat primaire besluit is gemaakt. In het kader van dat bezwaar gedane bijkomende verzoeken, zoals een verzoek om vergoeding van kosten die in verband met de behandeling van het bezwaar zijn gemaakt of een verzoek om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn, behoren niet tot de grondslag van het bezwaar tegen het primaire besluit. Als het bestuursorgaan het voornemen heeft om niet of niet volledig te voldoen aan dergelijke in het kader van het bezwaar gedane verzoeken, is het dan ook niet op grond van artikel 7:2 Awb verplicht de belanghebbende in de gelegenheid te stellen daarover te worden gehoord.”

7. De rechtbank oordeelt dat verweerder volledig aan het materiële geschilpunt in bezwaar tegemoet is gekomen en derhalve terecht heeft afgezien van het horen van eiseres.

8. Op grond van artikel 7:15, tweede lid, van de Awb worden kosten, die eiseres in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken, door het bestuursorgaan uitsluitend vergoed op verzoek van eiser voor zover het bestreden besluit wordt herroepen wegens een aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid.

Eiseres stelt dat de aanmaning en het dwangbevel ten onrechte zijn uitgevaardigd en heeft bij nader stuk van 2 september 2020 een bezwaarschrift en verzoek uitstel betaling overgelegd met betrekking tot de voorlopige aanslag Zvw 2019.

9. Het is eiseres die aannemelijk dient te maken dat zij (tijdig) bezwaar heeft gemaakt en uitstel van betaling heeft verzocht. Door de keuze de brief van 15 februari 2019 niet aangetekend te versturen heeft eiseres geen mogelijkheden te onderbouwen dat het bezwaarschrift daadwerkelijk is aangekomen op het juiste adres. Als gevolg van de bewijslastverdeling draagt eiseres daarvan het risico. Gelet op de gemotiveerde betwisting door verweerder dat hij het door eiseres overgelegde poststuk met dagtekening 15 februari 2019 heeft ontvangen, acht de rechtbank niet aannemelijk geworden dat eiseres bij brief van 15 februari 2019 bezwaar heeft gemaakt tegen de voorlopige aanslag Zvw 2019 en daarbij om uitstel van betaling heeft verzocht. Dat oordeel brengt mee dat

dat geen sprake was van een onrechtmatigheid van de kant van verweerder bij het nemen van het primaire besluit. Gelet daarop is het bestreden besluit ten onrechte gegrond verklaard. Eiseres had daarom in feite geen recht op een proceskostenvergoeding in bezwaar. De rechtbank komt daarom niet toe aan een inhoudelijke beoordeling van de forfaitaire proceskostenvergoeding, meer in het bijzonder de vraag welke wegingsfactor dient te worden toegepast. Verweerder heeft in het verweerschrift meegedeeld dat, gelet op het beginsel van behoorlijk bestuur ‘(het verbod op) reformatio in peius’ de vermindering van de vervolgingskosten en de toegekende proceskostenvergoeding in stand dienen te blijven. De rechtbank ziet geen aanleiding hierover anders te oordelen.

10. Gelet op het vorenoverwogene dient het beroep ongegrond te worden verklaard.

Proceskosten

11. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenvergoeding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is op 16 oktober 2020 gedaan door mr. F. Kleefmann, rechter, in aanwezigheid van mr. M.C. Anema, griffier. Als gevolg van de maatregelen rondom het coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak, voor zover nodig, alsnog in het openbaar uitgesproken.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na verzending hoger beroep instellen bij het gerechtshof Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312,

1000 BH Amsterdam.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.