Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2020:7846

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
14-09-2020
Datum publicatie
06-10-2020
Zaaknummer
15/810037-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 maanden wegens het meermalen opzettelijk iemand van de vrijheid beroven. Verbeurdverklaring personenauto. Vordering BP toegewezen tot een bedrag van € 4.809,52 wegens materiële- en immateriële schade.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Team Straf, locatie Haarlem

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 15/810037-17

Uitspraakdatum: 14 september 2020

Tegenspraak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 31 augustus 2020 in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1981 te [geboorteplaats] ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:

[adres] .

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie

mr. J.J. van Bree en van hetgeen verdachte en zijn raadsvrouw, mr. L.M.F. Aarts, advocaat te Amsterdam, naar voren hebben gebracht.

1 Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

Feit 1:

hij op of omstreeks 02 februari 2017 te Aerdenhout, gemeente

Bloemendaal, opzettelijk [slachtoffer 1] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd
en/of beroofd gehouden, door (nadat die [slachtoffer 1] met openlaten van het portier en met één been buiten de door verdachte bestuurde (personen)auto op de passagiersstoel van
die door hem, verdachte, bestuurde (personen)auto had plaatsgenomen) – (plotseling) met die door hem, verdachte, bestuurde (personen)auto is opgetrokken en/of weggereden en/of met (een behoorlijke) snelheid is blijven rijden en/of – niet te voldaan aan één of meerdere verzoek(en) van die [slachtoffer 1] om hem, die [slachtoffer 1] , terug te brengen naar diens fiets en/of – die [slachtoffer 1] mede te delen dat hij, verdachte, een pistool had en hem, die [slachtoffer 1] , lek zou schieten en/of in elkaar zou slaan, althans (een) mededeling(en) van gelijke (dreigende) aard en/of strekking;

Feit 2:

hij op of omstreeks 02 februari 2017 te Aerdenhout, gemeente Bloemendaal, opzettelijk [slachtoffer 2] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en/of beroofd gehouden, door (op het moment dat die [slachtoffer 2] uit de door hem, verdachte, bestuurde (personen)auto wilde stappen en (daartoe) het portier aan de
passagierszijde van die door hem, verdachte, bestuurde (personen)auto geopend
had) – die [slachtoffer 2] mede te delen dat hij, verdachte, een pistool had en dat hij, die [slachtoffer 2] , het portier (weer) dicht moest doen en in de auto moest gaan zitten, althans (een) mededeling(en) van gelijke (dreigende) aard en/of strekking en/of; - voor die [slachtoffer 2] langs te reiken en/of het portier aan de passagierszijde van de door hem, verdachte, bestuurde (personen)auto (weer) dicht te trekken.

2 Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het Openbaar Ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3 Beoordeling van het bewijs

3.1.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van beide ten laste gelegde feiten.

3.2.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft primair vrijspraak voor beide ten laste gelegde feiten bepleit. Subsidiair heeft de raadsvrouw betoogd dat in elk geval moet worden vrijgesproken van de bestanddelen met betrekking tot de dreigementen die gaan over een pistool, omdat alleen aangevers hierover verklaren en er dus geen steunbewijs is.

3.3

Oordeel van de rechtbank

3.3.1

Redengevende feiten en omstandigheden

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten op grond van de bewijsmiddelen die in de bijlage bij dit vonnis zijn vervat.

3.3.2

Bewijsmotivering

[slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] hebben op 3 februari 2017 aangifte gedaan van wederrechtelijke vrijheidsberoving.

Aangever [slachtoffer 2] is op 2 februari 2017 om 21:48 uur – terwijl hij bij de bushalte op de bus aan het wachten was – aangesproken door een man in een auto, die aanbood hem met zijn auto naar de plaats van bestemming te brengen. Hij is in de auto gestapt. Toen bleek dat de man de verkeerde kant opreed, wilde aangever [slachtoffer 2] uitstappen. Maar de man bedreigde hem en zei dat hij een pistool had. Ook liet hij [slachtoffer 2] een pornofilmpje zien en deed hem seksuele voorstellen. [slachtoffer 2] heeft uiteindelijk het portier kunnen openen, is de auto uitgestapt en heeft het op een rennen gezet.

Aangever [slachtoffer 1] reed op 2 februari 2017 rond 22:15 uur op zijn fiets en dacht dat de bestuurder van een auto de weg wilde vragen. Hij is aan de passagierskant van de auto ingestapt met één been buiten de auto en het portier nog open. De man reed plotseling weg waardoor het portier dichtviel. Aangever heeft meerdere malen gevraagd hem terug te brengen naar zijn fiets maar dat deed de man niet. Aangever kreeg seksuele voorstellen en werd bedreigd. De man vertelde aangever een pistool te hebben en hem lek te kunnen schieten. Ook zei hij dat hij aangever in elkaar kon slaan. Aangever is uit angst bij een bocht uit de rijdende auto gesprongen en heeft hierdoor letsel opgelopen.

De politie komt na onderzoek aan de hand van een door getuige genoemd kenteken uit bij verdachte.

Herkenningen

Beide aangevers herkennen verdachte bij de fotobewijsconfrontatie.

De raadsvrouw van verdachte heeft aangevoerd dat die herkenningen niet bruikbaar zijn voor het bewijs, aangezien deze herkenningen – kort gezegd – niet betrouwbaar zijn. Subsidiair heeft zij een voorwaardelijk verzoek gedaan tot heropening van de zaak, zodat de voor de confrontatie gebruikte foto’s alsnog aan de verdediging en de rechtbank kunnen worden getoond. De confrontatie met aangever [slachtoffer 2] is niet volgens de regels uitgevoerd, omdat aan [slachtoffer 2] was uitgelegd hoeveel foto’s er getoond zouden gaan worden. Aangever

[slachtoffer 1] heeft bij de rechter-commissaris verklaard dat er ook blanke en scheelkijkende personen bij de selectie zaten, waardoor de selectie niet conform de regels is samengesteld dan wel de waarneming van aangever niet betrouwbaar is.

De rechtbank overweegt dat zich in het dossier een beschrijving van de werkwijze van de fotobewijsconfrontaties bevindt. Daaruit blijkt dat de procedure van de confrontaties volgens de daarvoor bestemde regels is verlopen. Ook blijkt hieruit dat aan aangevers kenbaar is gemaakt dat de kans bestaat dat de door aangever bedoelde persoon niet in de selectie is opgenomen. Er is geen regel die zich ertegen verzet dat op voorhand niet mag worden aangegeven hoeveel foto’s zullen worden getoond.

De rechtbank overweegt verder dat zij kennis heeft genomen van het aanvullende proces-verbaal van bevindingen van 23 mei 2019, op ambtsbelofte opgemaakt, waarin wordt geverbaliseerd dat geen van de mensen op de foto’s scheel kijkt of blank is.

De rechtbank twijfelt dan ook niet aan de betrouwbaarheid van de fotobewijsconfrontaties met aangevers [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] en gebruikt de herkenningen voor het bewijs.

De rechtbank acht het gelet op het bovenstaande niet noodzakelijk de foto’s zelf te zien en wijst het voorwaardelijke verzoek tot aanhouding van de raadsvrouw af.

Zendmastgegevens

De herkenningen vinden steun in de zendmastgegevens van de telefoon van verdachte, waaruit blijkt dat de telefoon van verdachte (die hij naar eigen zeggen die dag bij zich had) op 2 februari 2017 steeds zendmasten aanstraalt in de nabijheid van de locaties waar aangevers worden meegenomen en op de tijdstippen die zijn genoemd door aangevers. Deze bevindingen duiden erop dat verdachte ter plaatse was.

De raadsvrouw heeft ten aanzien van de zendmastgegevens verzocht deze onderzoeksgegevens niet te laten meewegen voor het bewijs. In het dossier bevinden zich niet de onderliggende zendmastgegevens in het dossier, zodat deze niet kunnen worden geverifieerd. De rechtbank verwerpt dit verweer. Verbalisant [verbalisant] heeft op ambtseed een ‘proces-verbaal van bevindingen: tijdlijn’ opgemaakt en hierin de zendmastgegevens van de telefoon van verdachte verwerkt. De locaties en de tijdstippen van de door de telefoon van verdachte aangestraalde zendmasten zijn een weergave van feitelijke informatie. De rechtbank heeft geen reden hieraan te twijfelen, zeker nu verdachte hier niets tegenover stelt en dus geen concrete aanknopingspunten biedt om daaraan te twijfelen. De enkele verklaring van verdachte dat hij zich niet meer kan herinneren hoe hij thuis is gekomen op 2 februari 2017, is daarvoor onvoldoende. De rechtbank ziet in het verweer van de verdediging dan ook geen aanleiding de zendmastgegevens uit te sluiten van het bewijs.

Gelet op de herkenningen uit de fotobewijsconfrontaties en de zendmastgegevens van de telefoon van verdachte, acht de rechtbank bewezen dat verdachte degene is geweest die de aangevers heeft aangesproken en tegen hun wil heeft meegenomen in zijn auto, ook al ontkent verdachte dat zelf ten stelligste.

Dreigen met pistool

De raadsvrouw heeft subsidiair verzocht verdachte vrij te spreken voor het gedeelte van de tenlastelegging dat ziet op het dreigen met een pistool. De rechtbank overweegt dat beide aangevers in hun eigen aangifte en onafhankelijk van elkaar verklaren dat verdachte heeft gedreigd een pistool te gebruiken. Bovendien geldt niet dat elk deel van de tenlastelegging wordt gedekt door telkens twee bewijsmiddelen. Dat maakt dat de rechtbank ook komt tot een bewezenverklaring voor dat gedeelte van de tenlastelegging.

3.4.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten heeft begaan, met dien verstande dat

Feit 1:

hij op 2 februari 2017 te Aerdenhout, gemeente Bloemendaal, opzettelijk [slachtoffer 1] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd, door (nadat die [slachtoffer 1] met openlaten van het portier en met één been buiten de door verdachte bestuurde personenauto op de passagiersstoel van die door hem, verdachte, bestuurde personenauto had plaatsgenomen)
– plotseling met die door hem, verdachte, bestuurde personenauto is opgetrokken en weggereden en met een behoorlijke snelheid is blijven rijden en
– niet te voldoen aan meerdere verzoeken van die [slachtoffer 1] om hem, die [slachtoffer 1] , terug te brengen naar diens fiets en
– die [slachtoffer 1] mede te delen dat hij, verdachte, een pistool had en hem, die [slachtoffer 1] , lek zou schieten en in elkaar zou slaan, althans mededelingen van gelijke dreigende aard en/of strekking;

Feit 2:

hij op 2 februari 2017 te Aerdenhout, gemeente Bloemendaal, opzettelijk [slachtoffer 2] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd, door (op het moment dat die [slachtoffer 2] uit de door hem, verdachte, bestuurde personenauto wilde stappen en daartoe het portier aan de passagierszijde van die door hem, verdachte, bestuurde personenauto geopend had)
– die [slachtoffer 2] mede te delen dat hij, verdachte, een pistool had en dat hij, die [slachtoffer 2] , het portier weer dicht moest doen en in de auto moest gaan zitten, althans een mededeling van gelijke dreigende aard en/of strekking.

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten zijn verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is verdachte daardoor niet geschaad in zijn verdediging.

Hetgeen aan verdachte onder 1 en 2 meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

4 Kwalificatie en strafbaarheid van de feiten

Het bewezenverklaarde levert op:

opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven, meermalen gepleegd

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is derhalve strafbaar.

5 Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is derhalve strafbaar.

6 Motivering van de sanctie

6.1.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor beide feiten zal worden veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van de duur van twee jaren.

6.2.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft betoogd dat – indien de rechtbank komt tot een bewezenverklaring – kan worden volstaan met het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf ter hoogte van de tijd die verdachte in voorarrest heeft gezeten en daarnaast (eventueel) een al dan niet maximale werkstraf en/of voorwaardelijke gevangenisstraf.

6.3.

Oordeel van de rechtbank

Bij de beslissing over de sanctie die aan verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich tweemaal binnen een kort tijdsbestek schuldig gemaakt aan het in zijn auto meenemen van een minderjarige jongen tegen diens wil.

Verdachte heeft misbruik gemaakt van het goede vertrouwen en de behulpzaamheid van aangevers door hen zijn auto in te lokken. Zijn intentie hierbij was seksueel. Eenmaal in zijn auto liet verdachte een pornofilmpje zien en wilde hij seksuele handelingen met aangevers verrichten. Aangevers waren erg bang en wilden de auto van verdachte uit. Om dit te voorkomen is verdachte –nadat aangevers waren ingestapt – gaan rijden met de auto en heeft hij de aangevers bedreigd door te zeggen dat hij een pistool bij zich had en (bij aangever [slachtoffer 1] ) dat hij hem in elkaar zou slaan. Aangever [slachtoffer 2] is het uiteindelijk gelukt om uit de auto te stappen en zich schuil te houden achter een heg. Aangever [slachtoffer 1] heeft de auto moeten ontvluchten door in een bocht uit de rijdende auto te springen. Hij heeft hieraan een gebroken pols en is gewond geraakt aan zijn gezicht.

Dit betreft zeer ernstige feiten. Dergelijke feiten vormen een zeer grove inbreuk op de persoonlijke vrijheid en integriteit van beide aangevers en zorgen daarnaast voor gevoelens van onveiligheid in bredere kring (familie van aangevers maar ook buurtbewoners). Daarbij komt dat aangevers minderjarig waren. Ter terechtzitting heeft aangever [slachtoffer 1] verteld hoe ingrijpend het voor hem is geweest, hoe het zijn gevoel van veiligheid heeft aangetast en dat dit hem tot op heden raakt. Hij is nog steeds beperkt in de bewegingen van zijn pols en dit zal nooit helemaal herstellen. Verdachte heeft met zijn handelen getoond geen enkel respect te hebben voor het welzijn van aangevers.

Met betrekking tot de persoon van verdachte heeft de rechtbank in het bijzonder gelet op het op naam van verdachte staand Uittreksel Justitiële Documentatie, gedateerd 30 juli 2020, waaruit blijkt dat verdachte niet eerder voor een soortgelijk feit is veroordeeld.

Gelet op de aard en de ernst van de feiten acht de rechtbank slechts een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf passend. Van omstandigheden in de persoon van verdachte die tot een ander oordeel zouden moeten leiden is de rechtbank niet gebleken.

De rechtbank neemt bij de strafoplegging het tijdsverloop, sinds het bewezen verklaarde feit is gepleegd, in ogenschouw. De rechtbank overweegt daaromtrent dat elke verdachte recht heeft op een behandeling van zijn zaak binnen een redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM. De Hoge Raad heeft als uitgangspunt geformuleerd dat de behandeling van de zaak ter terechtzitting in eerste aanleg dient te zijn afgerond met een eindvonnis binnen twee jaar nadat de op zijn redelijkheid te beoordelen termijn is begonnen en zich geen bijzondere omstandigheden hebben voorgedaan die afwijking van dit uitgangspunt rechtvaardigen. De Hoge Raad heeft daarbij als uitgangspunt genomen dat overschrijding van de redelijke termijn niet tot de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie dient te leiden, maar dat de overschrijding in beginsel gecompenseerd dient te worden door vermindering van de straf.

De rechtbank overweegt dat de redelijke termijn een aanvang heeft genomen op 14 februari 2017, de datum waarop verdachte in verzekering is gesteld. De rechtbank doet uitspraak op 14 september 2020. Dat betreft in totaal een periode van 43 maanden, waardoor de redelijke termijn met negentien maanden is overschreden. De rechtbank is echter van oordeel dat sprake is van bijzondere omstandigheden, gelegen in de door de verdediging ingediende onderzoekswensen, die de vertraging mede hebben veroorzaakt. De rechtbank rekent de periode na het eerste verzoek (10 oktober 2018) en de laatste beslissing van de rechter-commissaris op het nadere verzoek (11 juni 2019) – in totaal acht maanden – dan ook niet mee voor de hoogte van de overschrijding van de redelijke termijn.


Dat betekent dat de rechtbank van oordeel is dat sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn met elf maanden. Dit moet leiden tot compensatie in de hoogte van de straf. Bij een tijdige afdoening zou de rechtbank aan verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van twaalf maanden hebben opgelegd. Nu de rechtbank heeft vastgesteld dat sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn, zal zij deze gevangenisstraf matigen. De rechtbank merkt hierbij op dat zij beseft dat deze strafzaak al geruime tijd boven het hoofd van verdachte hangt en voor hem de nodige impact heeft (gehad), maar dat maakt – gelet op hetgeen de rechtbank hierboven heeft overwogen omtrent de aard en de ernst van het bewezenverklaarde – niet dat de rechtbank afziet van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een vrijheidsbenemende straf van acht maanden moet worden opgelegd.

8 Bijkomende straf

De rechtbank is van oordeel dat het onder verdachte in beslag genomen en niet teruggegeven voorwerp, te weten de personenauto, Volkswagen Golf, met kenteken [kenteken] , dient te worden verbeurd verklaard. Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de onder 1 en 2 bewezen verklaarde feiten met behulp van dat voorwerp, dat aan verdachte toebehoort, zijn begaan.

9 Vordering benadeelde partij en schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij [slachtoffer 1] heeft een vordering tot schadevergoeding van € 4.809,52 ingediend tegen verdachte wegens materiële (€ 1.309,52) en immateriële (€ 3.500,-) schade die hij als gevolg van het onder 1 ten laste gelegde feit zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag.

De officier van justitie heeft verzocht de vordering in zijn geheel toe te wijzen, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De raadsvrouw heeft primair verzocht de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in zijn vordering aangezien zij vrijspraak heeft bepleit. Subsidiair stelt zij zich op het standpunt dat ten aanzien van de materiële schade de verzochte kosten voor een nieuwe telefoon onvoldoende rechtstreeks verband houden met het ten laste gelegde feit. Verder heeft de raadsvrouw verzocht om het bedrag aan immateriële schade te matigen tot een bedrag van € 1.000,-.

De rechtbank is van oordeel dat de materiële schade rechtstreeks voortvloeit uit het onder 1 bewezen verklaarde feit en voldoende is onderbouwd.

Vergoeding van de immateriële schade komt de rechtbank billijk voor gelet op de onderbouwing van de vordering en het verhandelde ter terechtzitting.

De vordering zal dan ook in zijn geheel worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 2 februari 2017 tot aan de dag der algehele voldoening.

Daarnaast dient verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken. De tot op heden door de benadeelde partij gemaakte kosten worden vastgesteld op nihil.

schadevergoedingsmaatregel

De rechtbank ziet als gevolg van verdachtes onder feit 1 bewezen verklaarde handelen [kort gezegd: wederrechtelijke vrijheidsberoving] aanleiding ter zake van de vordering van de benadeelde partij de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht op te leggen.

10 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

artikel 36f, 57, 282 van het Wetboek van Strafrecht.

11 Beslissing

De rechtbank:

Verklaart bewezen dat verdachte onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten heeft begaan zoals hiervoor onder 3.4. weergegeven.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte onder feiten 1 en 2 meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.

Bepaalt dat de onder 1 en 2 bewezen verklaarde feiten de hierboven onder 4. vermelde strafbare feiten opleveren.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 (acht) maanden.

Bepaalt dat de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Verklaart verbeurd het in beslag genomen voorwerp, te weten:
- een personenauto, Volkswagen Golf, kenteken [kenteken]

Wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij [slachtoffer 1] geleden schade tot een bedrag van € 4.809,52, bestaande uit € 1.309,52 als vergoeding voor de materiële en € 3.500,- als vergoeding voor de immateriële schade, en veroordeelt verdachte tot betaling van dit bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 2 februari 2017 tot aan de dag der algehele voldoening, aan [slachtoffer 1] , voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting.

Veroordeelt verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.

Legt verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van slachtoffer [slachtoffer 1] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 4.809,52 en bepaalt dat het te betalen bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 2 februari 2017 tot aan de dag der algehele voldoening. Bepaalt de duur van de gijzeling op maximaal 58 dagen indien volledig verhaal overeenkomstig de artikelen 6:4:4, 6:4:5 en 6:4:6 Sv niet mogelijk blijkt.

Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door

mr. H.D. Overbeek, voorzitter,
mr. H. Brouwer en J. Lintjer, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffier mr. S.S. Clements,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 14 september 2020.

De oudste rechter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.