Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2020:7825

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
25-09-2020
Datum publicatie
12-10-2020
Zaaknummer
AWB - 20 _ 4411
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Verzoek om herinschrijving in de brp met een briefadres. Vovo toegewezen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummer: HAA 20/4411

uitspraak van de voorzieningenrechter van 25 september 2020 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

[verzoeker] , te [woonplaats] , verzoeker

(gemachtigde: mr. J. Sprakel),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Haarlem, verweerder

(gemachtigde: [naam 1] .

Procesverloop

Bij besluit van 18 augustus 2020 (het primaire besluit) heeft verweerder het verzoek van verzoeker om herinschrijving in de basisregistratie personen (brp) met een briefadres afgewezen.

Verzoeker heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt. Verzoeker heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 september 2020. Verzoeker is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventuele) bodemprocedure niet.

2. Ten aanzien van het spoedeisend belang heeft verzoeker gesteld dat hij omdat hij niet staat ingeschreven in de basisregistratie zijn uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA) niet krijgt uitgekeerd, hij daarom al vanaf eind juni 2020 geen inkomen heeft, zijn spaargeld op is en zijn netwerk van mensen waar hij kleine bedragen kan lenen uitgeput raakt. Bij zijn bezwaarschrift heeft verzoeker een brief van de Brede Centrale Toegang (BCT) overgelegd, waarin staat dat hij een betalingsachterstand heeft ten aanzien van de opvang, en een aantal bankafschriften. De voorzieningenrechter is van oordeel dat in het aangevoerde een voldoende spoedeisend belang is gelegen voor verzoeker bij de gevraagde voorziening.

3. Verzoeker heeft een WIA-uitkering. Hij heeft tot maart 2014 in [plaats 1] gewoond en vervolgens tijdelijk in [plaats 2] . Vanaf eind 2014 heeft hij in de maatschappelijke opvang in [woonplaats] verbleven. Hij is in het traject [# 1] opgenomen, maar dat is mislukt. In november 2015 heeft verzoeker in een tent in het [# 2] in [woonplaats] geslapen en vanaf december 2015 heeft hij weer in de opvang in [woonplaats] verbleven. In 2016 is verzoeker naar [plaats 3] gegaan, waar hij ruim twee jaar met een vriendin heeft gewoond. In augustus 2018 is zijn WIA-uitkering geblokkeerd vanwege het ontbreken van een adres in Nederland. Op 12 september 2018 heeft verzoeker zich bij de BCT in [woonplaats] gemeld en verzocht om een briefadres in Nederland om zijn WIA-uitkering weer te ontvangen. Hij heeft toegang gekregen tot de (nacht)opvang voor volwassenen met Openbare Geestelijke gezondheidszorg(OGGZ)-problematiek en een briefadres gekregen, waarna de WIA-uitkering weer tot uitbetaling is gekomen. Daarna heeft verzoeker geen gebruik meer gemaakt van de opvang. Verzoeker heeft in oktober 2018 aangegeven weer naar zijn vriendin in [plaats 3] te zullen gaan. Op 7 november 2018 is een schorsing gevolgd, waardoor verzoeker geen toegang meer tot maatschappelijke opvang heeft gekregen vanwege de betalingsachterstand, tot hij de afspraken nakomt. Vervolgens is verzoeker eind 2019 uitgeschreven uit de brp.

4. Op 27 juli 2020 heeft verzoeker zich weer gemeld bij de BCT in [woonplaats] , naar aanleiding waarvan een zorgcoördinator van de BCT gesprekken met verzoeker heeft gevoerd en een onderzoeksverslag is opgesteld. Verweerder heeft het onderzoeksverslag opgevat als een aanvraag voor een maatwerkvoorziening (opvang) in het kader van de Wmo en bij een besluit van 27 juli 2020 bepaald dat verzoeker hier niet voor in aanmerking komt. Hangende het door verzoeker hiertegen ingediende bezwaarschrift heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank bij uitspraak van 11 augustus 2020 (HAA 20/3742) een verzoek om een voorlopige voorziening toegewezen en verweerder gelast om verzoeker tot de bekendmaking van de beslissing op bezwaar tot de opvang toe te laten.

5. Op 10 augustus 2020 heeft verzoeker bij verweerder aangifte gedaan voor herinschrijving in de brp. Op het aangifteformulier heeft verzoeker vermeld dat hij voor altijd in Nederland blijft. Naar aanleiding van deze aangifte is er op 18 augustus 2020 een gesprek geweest tussen een medewerker van verweerder en verzoeker. Op 18 augustus 2020 is ook het primaire besluit genomen.

6. In het primaire besluit is, voor zover van belang, vermeld:
Wij besluiten u niet te hervestigen met een briefadres.(…) Omdat u op dit moment niet ingeschreven staat en er genoeg twijfel is of u wel in Nederland zal blijven nadat uw uitkering weer is opgestart, hebben wij u gevraagd aan te tonen dat u de komende 4 maanden in Nederland zal verblijven. Dit wordt aangegeven in de Wet BRP, artikel 2.19.
U kunt opnieuw aangifte van hervestiging komen doen wanneer u ons hiervan kan overtuigen. U heeft namelijk eerder aangegeven dat zodra uw uitkering weer was opgestart u weer zou vertrekken naar [plaats 3] .”

7. Verzoeker voert aan dat de weigeringsgrond niet blijkt uit wat verzoeker heeft aangegeven bij de inschrijving zelf. Op het aanvraagformulier heeft verzoeker aangegeven dat hij voor altijd in Nederland wil blijven en ook het intakeformulier van de BCT, zoals bijgevoegd bij zijn bezwaarschrift, rept met geen woord over vertrek naar het buitenland. Verzoeker verblijft sinds de uitspraak van de voorzieningenrechter in de opvang van de gemeente [woonplaats] . Aantonen hoe het in de toekomst gaat lopen is onmogelijk en speculeren. Een baan of huurcontract zou verweerder mogelijk kunnen overtuigen, alleen verzoeker is voor werk afgekeurd en hij verblijft in de daklozenopvang. Het enige dat hij kan doen is verklaren, maar juist die verklaring lijkt niet te worden geloofd. Mogelijk baseert de ambtenaar zich op de geschiedenis van verzoeker, maar dit zou niet mogen meewegen. Omdat verweerder afwijst is sprake van een belastend besluit en verweerder mag in dat geval de bewijslast niet omkeren, en al helemaal niet omdat verweerder degene is die stelt dat verzoeker niet in Nederland zal blijven, terwijl dit uit niets blijkt. In de uitspraak van de voorzieningenrechter over opvang heeft de rechter al geconstateerd dat niet vaststaat dat verzoeker bij een vertrek naar [plaats 3] daar ook een verblijfplaats heeft. Verzoeker stelt er belang bij te hebben om ingeschreven te worden, omdat hij dit nodig heeft voor zijn WIA-uitkering en om DigiD te kunnen activeren. Zonder briefadres is hij niet in staat zaken met de overheid te kunnen regelen.

8. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld verzoeker niet te kunnen volgen in zijn relaas. Verzoeker heeft meerdere malen aan de medewerkers van de BCT verklaard dat de enige reden voor de aanvraag van het briefadres het opstarten van de uitkering is. Verweerder verwijst ter onderbouwing naar de stukken die door hem zijn ingediend in de voorlopige voorziening met procedurenummer HAA 20/3742, welke gaat over de opvang, meer concreet naar een verklaring van [naam 2] van 31 juli 2020 en een verslag van het intakegesprek bij de BCT van 27 juli 2020. Verweerder stelt zich primair te hebben gebaseerd op de eigen verklaringen van verzoeker.

9. Door gemachtigde van verweerder is ter zitting toegelicht dat aan het primaire besluit artikel 2.38 van de Wet basisregistratie personen (Wet Brp) ten grondslag ligt. Per abuis is artikel 2.19 van de Wet Brp genoemd in het besluit vermeld. Verder is bij de beoordeling van belang dat in artikel 2.45 van de Wet Brp is bepaald dat degene die aangifte heeft gedaan als bedoeld in de artikelen 2.38 tot en met 2.40 en artikel 2.43, op verzoek van het college van burgemeester en wethouders de inlichtingen geeft ter zake van zijn aangifte die van belang zijn voor de bijhouding met betrekking tot hem van de basisregistratie. Deze verplichting is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van het overleggen van geschriften. De betrokkene verschijnt hierbij desgevraagd in persoon.

10. Vaststaat dat op 18 augustus 2020 verzoeker op verzoek van verweerder inlichtingen heeft verstrekt aan een medewerker van verweerder in een gesprek, waarna aan hem direct het afwijzende besluit is uitgereikt. Het primaire besluit is op dit gesprek gebaseerd.

Verzoeker betwist dat hij heeft gezegd dat hij naar [plaats 3] zou vertrekken. Terwijl verweerder heeft verklaard dat het wél doorslaggevende informatie is. De voorzieningenrechter constateert dat van het gesprek geen gespreksverslag is opgesteld. Dat leidt ertoe dat de voorzieningenrechter niet kan beoordelen hoe het gesprek tussen verzoeker en de medewerker van verweerder is gelopen en wat verzoeker heeft verklaard. Het gevolg van het voorgaande is dat niet valt uit te sluiten dat, zoals door verzoeker is gesteld, hij [plaats 3] tijdens dit gesprek zelf helemaal niet heeft genoemd.

De voorzieningenrechter constateert verder dat verweerder in deze procedure uitsluitend stukken heeft overgelegd die zien op de aanvraag voor opvang in het kader van de Wmo, hetgeen een andere aanvraag betreft. De gemachtigde van verzoeker beschikt voorts over een intakeformulier van de BCT waarin wél iets staat over onderhavige aanvraag, maar waar verweerder niet over lijkt te beschikken.

11. Wat betreft de verwachting over het verblijf van verzoeker in Nederland voor de komende tijd geldt dat bij gebreke van een huur- of arbeidsovereenkomst, gelet op zijn situatie, er niet veel meer aanknopingspunten zijn dan de intentie van verzoeker. In de procedure over de opvang heeft de voorzieningenrechter inmiddels overwogen dat een nader onderzoek moet plaatsvinden omdat juist over het verblijf in [plaats 3] onvoldoende duidelijkheid bestaat. Verder valt, gelet op de omstandigheid dat de opvang gecontinueerd moet worden tot de bekendmaking van de beslissing op zijn bezwaar tegen het besluit over de opvang, te verwachten dat verzoeker ook de komende tijd in de gemeente Haarlem verblijft.

12. Gelet op al het voorgaande komt de voorzieningenrechter tot het voorlopige oordeel dat het bezwaar een redelijke kans van slagen niet kan worden ontzegd.

13. De voorzieningenrechter weegt de belangen van verzoeker die pleiten vóór het treffen van een voorlopige voorziening en de belangen van verweerder die pleiten tegen het treffen daarvan, als volgt. Met inachtneming van het voorgaande is de voorzieningenrechter van oordeel dat de belangenafweging thans in het voordeel van verzoeker dient uit te vallen. Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt toegewezen. Ter zitting is gebleken dat een tijdelijke inschrijving in de brp niet bestaat. De voorlopige voorziening houdt daarom in dat de voorzieningenrechter verweerder gelast verzoeker per 28 augustus 2020, de datum waarop de voorlopige voorziening is gevraagd, in te schrijven in de brp met een briefadres.

14. Omdat de voorzieningenrechter het verzoek toewijst, bepaalt de voorzieningenrechter dat verweerder aan verzoeker het door hem betaalde griffierecht vergoedt.

De voorzieningenrechter veroordeelt verweerder tevens in de door verzoeker gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.050,- (1 punt voor het indienen van een verzoekschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 525,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De voorzieningenrechter:

- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening toe;

- treft de voorlopige voorziening zoals omschreven in punt 13 van de uitspraak;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 178,- aan verzoeker te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoeker tot een bedrag van € 1.050,-.

Deze uitspraak is gedaan op 25 september 2020 door mr. A.R. ten Berge, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M.H. Boomsma, griffier. In verband met maatregelen rondom het coronavirus is deze uitspraak niet in het openbaar uitgesproken. Zodra dit weer mogelijk is zal deze uitspraak, voor zover nodig, alsnog in het openbaar worden uitgesproken.

griffier voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.