Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2020:7743

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
30-09-2020
Datum publicatie
06-10-2020
Zaaknummer
8432272 CV EXPL 20-1393
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Inhoudsindicatie

Aan vordering ten grondslag gelegde overeenkomst van geldlening niet komen vast te staan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Handel, Kanton en Bewind

locatie Alkmaar

Zaaknr./rolnr.: 8432272 \ CV EXPL 20-1393 BL

Uitspraakdatum: 30 september 2020

Vonnis van de kantonrechter in de zaak van:

[eiseres]

wonende te [woonplaats]

eiseres

verder te noemen: [eiseres]

gemachtigde: De Ruijter & Willemsen gerechtsdeurwaarders en incasso B.V.

tegen

[gedaagde]

wonende te [woonplaats]

gedaagde

verder te noemen: [gedaagde]

gemachtigde: mr. M.B. Chylinska

1 Het procesverloop

1.1.

[eiseres] heeft bij dagvaarding van 13 maart 2020 een vordering tegen [gedaagde] ingesteld. [gedaagde] heeft schriftelijk geantwoord.

1.2.

[eiseres] heeft hierop schriftelijk gereageerd, waarna [gedaagde] een schriftelijke reactie heeft gegeven.

2 De feiten

2.1.

Obronca Advies en Administratiebureau (verder: Obronca) ondersteunt Pools sprekende mensen in Nederland bij – onder meer – hun contacten met artsen, UWV en advocaten. [XX] (verder te noemen: [XX] ) is eigenaar van Obronca.

2.2.

In februari 2018 is Obronca benaderd door mevrouw [YY] (echtgenote van [gedaagde] , verder te noemen: [YY] ) voor begeleiding in het kader van haar gezondheidsproblemen. In mei 2018 is [YY] , in verband met een besluit van UWV, door Obronca verwezen naar Visser Quispel Heidema Advocaten.

2.3.

[YY] heeft in 2018 gedurende een aantal maanden (lichte) administratieve taken uitgevoerd en de telefoon beantwoord voor Obronca.

2.4.

[eiseres] is per 1 september 2018 in dienst getreden bij Obronca. Voorafgaand daaraan heeft [eiseres] in augustus 2018 [XX] vergezeld op huisbezoeken aan cliënten, waaronder een bezoek aan de familie [gedaagde] op 17 augustus 2018.

2.5.

Op 17 augustus 2018 is van een zakelijke bankrekening ten name van Obronca een bedrag van € 2.557,96 betaald aan Kerckhoffs & Lasonder gerechtsdeurwaarders, onder vermelding van ‘INTERMARIS [gedaagde] ’.

2.6.

Op 29 oktober 2018 is van een privébankrekening ten name van [eiseres] een bedrag van € 814,49 betaald aan Visser Quispel Heidema Advocaten, met omschrijving ‘Betaling inzake mevrouw [YY] ’.

2.7.

Op 14 mei 2019 is van een bankrekening ten name van [gedaagde] en/of [YY] een bedrag van € 1.000,00 overgeschreven naar de privébankrekening van [eiseres] . Op het overschrijvingsbewijs is als kenmerk vermeld ‘NOTPROVIDED’.

2.8.

Op 15 juli 2019 heeft [eiseres] , onder vermelding van haar functie (administratief adviseur), een e-mail aan [gedaagde] gezonden vanaf het mailadres van [XX] . Deze e-mail is opgesteld in de Poolse taal, en door [eiseres] in het Nederlands vertaald als volgt:

“Goedemorgen

Zoals besproken, bevestig ik onze afspraak voor het afbetalen van de schuld in maandelijkse termijnen.

Stuur aub de eerste termijn van EUR 250 in augustus naar het rekeningnummer (…), [eiseres] met de omschrijving van de termijn en de maand.

Ik hoop dat ik U genoeg heb geïnformeerd.”

3 De vordering

3.1.

[eiseres] vordert dat de kantonrechter [gedaagde] veroordeelt tot betaling van € 3.710,63. Zij legt aan de vordering – kort weergegeven – het volgende ten grondslag. [eiseres] heeft een bedrag van in totaal € 3.372,45 aan [gedaagde] uitgeleend. Daarop is slechts € 1.000,00 afgelost. Op
15 juli 2019 heeft [eiseres] aan [gedaagde] te kennen gegeven het resterende bedrag terug te willen, waarna partijen een betalingsregeling zijn overeengekomen, zoals [eiseres] diezelfde dag per
e-mail heeft bevestigd. [gedaagde] is deze regeling niet nagekomen. Het van de geldlening resterende bedrag van € 2.372,45 heeft [gedaagde] niet terugbetaald, ondanks herhaalde aanmaning. Daarom is [gedaagde] ook verschuldigd buitengerechtelijke incassokosten (€ 430,68 inclusief btw), kosten voor juridische bijstand (€ 907,50) en wettelijke rente vanaf 31 december 2018.

4 Het verweer

4.1.

[gedaagde] betwist de vordering en voert daartoe aan – samengevat – dat geen sprake is van een overeenkomst van geldlening tussen partijen.

5 De beoordeling

5.1.

[eiseres] vordert van [gedaagde] terugbetaling van een bedrag van € 2.372,45. [eiseres] baseert deze vordering op door haar gestelde overeenkomsten van geldlening. De totstandkoming daarvan wordt door [gedaagde] uitdrukkelijk en gemotiveerd betwist. Volgens de hoofdregel van het bewijsrecht draagt de partij die zich beroept op de rechtsgevolgen van door hem of haar gestelde feiten of rechten daarvan de bewijslast (artikel 150 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering). Daarmee ligt het op de weg van [eiseres] om voldoende feiten en omstandigheden te stellen waaruit – als deze komen vast te staan – volgt dat tussen partijen een overeenkomst tot stand is gekomen, op grond waarvan [gedaagde] het gevorderde bedrag moet terugbetalen. [eiseres] is hierin niet geslaagd, en de kantonrechter overweegt daarover het volgende.

De betaling van € 814,49 aan het advocatenkantoor

5.2.

Vast staat dat [eiseres] op 28 oktober 2018 een bedrag van € 814,49 heeft betaald aan Visser Quispel Heidema Advocaten. Aangenomen moet worden dat deze betaling ziet op juridische bijstand van [YY] , gelet op de omschrijving die [eiseres] bij haar overschrijving heeft gegeven, de door haar overgelegde machtiging (waarmee [XX] door [YY] is gemachtigd om als haar ‘zaak behartiger’ op te treden, en daartoe zo nodig overleg te voeren met Visser Quispel Heidema Advocaten) en de schriftelijke verklaring die [XX] op
8 juni 2020 ten behoeve van deze procedure voor [eiseres] heeft opgesteld (waaruit blijkt dat de begeleiding door Obronca en de juridische bijstand van het advocatenkantoor niet [gedaagde] maar [YY] betrof).

5.3.

[gedaagde] erkent dat aan deze betaling van [eiseres] een geldlening aan [YY] ten grondslag ligt. [eiseres] heeft haar vordering echter niet tegen [YY] ingesteld, maar tegen [gedaagde] . Ook wanneer wordt aangenomen dat [gedaagde] naast [YY] hoofdelijk aansprakelijk is, zoals [eiseres] stelt, is de vordering tot betaling van genoemde € 814,49 niet toewijsbaar. Het verweer van [gedaagde] dat het door [YY] geleende geldbedrag op 14 mei 2019 volledig aan [eiseres] heeft terugbetaald slaagt. [eiseres] erkent de ontvangst van € 1.000,00 van de en/of betaalrekening van [gedaagde] en [YY] , en deze betaling wordt ook door [eiseres] gekwalificeerd als aflossing van de geldlening(en). Tegenover de concrete stelling van [gedaagde] dat daarmee deze geldlening is afgelost, heeft [eiseres] onvoldoende aangevoerd. Het enkele feit dat méér is betaald dan de verschuldigde € 814,49 is daarvoor onvoldoende. De conclusie is dat [eiseres] ter zake de geldlening van € 814,49 niets meer te vorderen heeft.

De betaling van € 2.557,96 aan het deurwaarderskantoor

5.4.

In feite gaat het in deze zaak dus om de vraag of [gedaagde] tegenover [eiseres] verplicht is tot terugbetaling van het op 17 augustus 2018 door Obronca aan de deurwaarder overgemaakte bedrag. [gedaagde] weerspreekt niet dat Obronca € 2.557,96 heeft betaald, ter voldoening van een huurachterstand om ontruiming van de door het gezin [gedaagde] - [YY] bewoonde woning te voorkomen. Obronca is echter niet de eisende partij in deze zaak. [eiseres] stelt dat aan de betaling door Obronca een overeenkomst van geldlening tussen [gedaagde] en [eiseres] in privé ten grondslag ligt. Dit betwist [gedaagde] gemotiveerd. [gedaagde] voert aan dat Obronca de betaling aan de deurwaarder heeft gedaan als vergoeding voor c.q. ter verrekening van loon waarop [YY] aanspraak heeft wegens werkzaamheden die zij in 2018 gedurende 10 maanden voor Obronca heeft verricht, en betwist dat het door Obronca (door)betaalde bedrag door [eiseres] is verstrekt.

5.5.

Tegenover deze gemotiveerde betwisting heeft [eiseres] onvoldoende gesteld om te kunnen aannemen dat zij met [gedaagde] een overeenkomst van geldlening heeft gesloten, op grond waarvan [gedaagde] het gevorderde bedrag aan haar moet terugbetalen.

5.6.

[eiseres] betwist niet dat [YY] voor Obronca heeft gewerkt, en [XX] erkent in zijn eerdergenoemde verklaring dat [YY] lichte administratieve taken heeft uitgevoerd en de telefoon heeft beantwoord voor Obronca. Partijen zijn het erover eens dat [YY] hiervoor niet op reguliere wijze salaris heeft ontvangen. [gedaagde] stelt dat Obronca de deurwaarder heeft betaald bij wijze van vergoeding voor het door [YY] verrichte werk. Hoewel [YY] volgens [XX] de werkzaamheden heeft verricht bij wijze van vergoeding voor de begeleiding die zij van Obronca ontving, kan op basis van de stukken niet worden uitgesloten dat de lezing van [gedaagde] de juiste is. Daarbij komt dat [eiseres] niet consistent is in haar stellingen voor wat betreft de feitelijke gang van zaken. In de dagvaarding (punt 3) stelt [eiseres] dat zij op 17 augustus 2018 een bedrag van € 2.557,96 heeft overgemaakt aan Obronca. Daarbij verwijst [eiseres] ten onrechte naar haar productie 1, zijnde het bewijs van betaling door Obronca aan de deurwaarder. Bij repliek (punt 3) wijzigt [eiseres] haar stelling aldus dat zij op
17 augustus 2018 een bedrag van € 2.600,00 heeft opgenomen bij een geldautomaat in Soest en dit bedrag heeft overhandigd aan ( [XX] van) Obronca, die vervolgens het bedrag aan de deurwaarder heeft overgemaakt. Daarbij heeft [eiseres] geen bankafschrift of transactie bon overgelegd waaruit de gestelde geldopname blijkt. Wel heeft [eiseres] overgelegd de verklaring van [XX] , die verklaart dat [eiseres] in zijn bijzijn € 2.600,00 uit de geldautomaat heeft gehaald en dit aan hem heeft overhandigd, waarna hij het bedrag direct op zijn zakelijke rekening heeft gestort en de betaling aan de deurwaarder heeft gedaan. [gedaagde] plaatst vraagtekens bij de betrouwbaarheid van deze verklaring, omdat [XX] de werkgever is van [eiseres] en mogelijk loonaanspraken van [YY] vreest. [XX] heeft zijn verklaring niet onderbouwd met objectief verifieerbare stukken, zoals een bewijs van storting van het contant opgenomen geldbedrag op de rekening van Obronca.

5.7.

Verder neemt de kantonrechter in aanmerking dat [eiseres] slechts in algemene bewoordingen stelt dat partijen hebben afgesproken dat het bedrag als lening wordt gekwalificeerd en dat [gedaagde] dit aan [eiseres] moet terugbetalen. De gestelde afspraak is niet schriftelijk vastgelegd, en [eiseres] heeft niet nader toegelicht en onderbouwd hoe de overeenkomst tot stand is gekomen of wat de achtergrond daarvan is. Dit lag gelet op de gemotiveerde betwisting van [gedaagde] wel op de weg van [eiseres] . Dat eerdergenoemde betaling van € 1.000,00 (mede) betrekking heeft op aflossing van een op 17 augustus 2018 door [eiseres] beschikbaar gesteld geldbedrag wordt door [gedaagde] uitdrukkelijk betwist, en blijkt uit niets. Ook uit de onder de feiten geciteerde, aan [gedaagde] gerichte e-mail van 15 juli 2019 waarop [eiseres] zich beroept, kan niet worden afgeleid dat aan de betaling door Obronca een overeenkomst van geldlening tussen [gedaagde] en [eiseres] (in privé) ten grondslag ligt. Weliswaar wordt in die e-mail het rekeningnummer van [eiseres] genoemd in het kader van een betalingsregeling, maar [eiseres] eindigt haar e-mail uitdrukkelijk met de vermelding van haar functie (administratief adviseur) en heeft de e-mail verzonden vanaf het mailadres van [XX] . Bovendien wordt in de e-mail slechts een afspraak bevestigd voor het afbetalen van ‘de schuld’, waarvan de omvang en grondslag niet nader worden gespecificeerd. De verklaring die [eiseres] hiervoor geeft is dat zij daar geen noodzaak voor zag, omdat het voor partijen van het begin af aan duidelijk is geweest om welk bedrag het gaat en dat sprake is van een lening. De onduidelijkheid die daardoor is ontstaan komt voor rekening en risico van [eiseres] . [gedaagde] heeft naar aanleiding van genoemde e-mail niet betaald of anderszins instemmend gereageerd.

5.8.

Gelet op het voorgaande wordt de vordering van [eiseres] als ongegrond afgewezen.

5.9.

De proceskosten komen voor rekening van [eiseres] , omdat zij ongelijk krijgt.

6 De beslissing

De kantonrechter:

6.1.

wijst de vordering af;

6.2.

veroordeelt [eiseres] tot betaling van de proceskosten, die tot en met vandaag voor [gedaagde] worden vastgesteld op een bedrag van € 420,00 aan salaris van de gemachtigde van [gedaagde] ;

6.3.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. S. Slijkhuis en op bovengenoemde datum in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.

De griffier De kantonrechter