Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2020:7739

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
30-09-2020
Datum publicatie
08-10-2020
Zaaknummer
C/15/302727 / HA ZA 20-299
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Inhoudsindicatie

Bevoegdheidsincident - twee gedaagden in een verzekeringszaak. Rechtbank is t.a.v. gedaagde 1 bevoegd o.g.v. art. 14 lid 1 Brussel I-bis. T.a.v. gedaagde 2 is de rechtbank onbevoegd. Art. 8 lid 1 Brussel I-bis is in verzekeringszaken niet van toepassing.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Handel, Kanton en Bewind

Zittingsplaats Alkmaar

zaaknummer / rolnummer: C/15/302727 / HA ZA 20-299

Vonnis in incident van 30 september 2020

in de zaak van

1. de naamloze vennootschap

NATIONALE-NEDERLANDEN SCHADEVERZEKERING MAATSCHAPPIJ N.V.,

gevestigd te Den Haag,

2. de rechtspersoon naar buitenlands recht

AMICA N.V.,

gevestigd te Antwerpen (België),

3. de rechtspersoon naar buitenlands recht

TSM INSURANCE COMPANY,

gevestigd te La Chaux-de-Fonds (Zwitserland),

4. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

DUPI UNDERWRITING AGENCIES B.V.,

gevestigd te Rotterdam,

als gevolmachtigde van de rechtspersoon naar buitenlands recht

BALOISE BELGIUM N.V., gevestigd te Antwerpen (België),

5. de rechtspersoon naar buitenlands recht

STARSTONE INSURANCE SERVICES LIMITED,

gevestigd te Londen, (Verenigd Koninkrijk),

eiseressen in de hoofdzaak,

verweersters in het incident,

advocaat mr. D.D. van Hove te Amsterdam,

tegen

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

CARGILL B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

2. de rechtspersoon naar buitenlands recht

CARGILL PLC,

gevestigd te Surrey (Verenigd Koninkrijk),

gedaagden in de hoofdzaak,

eiseressen in het incident,

advocaat mr. H.J. van der Baan te Amsterdam.

Partijen zullen hierna de verzekeraars en Cargill c.s. worden genoemd.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 5 februari 2020 met producties,

  • -

    de incidentele conclusie houdende exceptie van onbevoegdheid van Cargill c.s. met producties,

  • -

    de conclusie van antwoord in het bevoegdheidsincident van de verzekeraars met producties,

  • -

    de brief van mr. H. Schreur, advocaat van Cargill c.s., van 11 augustus 2020, waarna Cargill c.s. in de gelegenheid zijn gesteld om bij akte te reageren op de door de verzekeraars bij conclusie van antwoord in het bevoegdheidsincident overgelegde producties,

  • -

    de akte van 2 september 2020, houdende reactie op de aanvullende producties, overgelegd bij conclusie van antwoord in het incident van Cargill c.s. met producties.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald in het incident.

2 De hoofdzaak

2.1.

In de hoofdzaak gaat het in deze procedure om de vraag of de schade aan een per schip vervoerde partij sojabonen valt onder de dekking van de in een CIF-certificaat (Cost, Insurance and Freight) genoemde goederentransportverzekering. De verzekeraars vorderen een verklaring voor recht dat de schade niet onder de dekking valt, althans dat zij niet zijn gehouden de schade aan Cargill B.V. en/of Cargill PLC te vergoeden.

2.2.

Cargill c.s. hebben in de hoofdzaak nog niet voor antwoord geconcludeerd.

3 Het geschil in het incident

3.1.

Cargill c.s. vorderen dat de rechtbank zich onbevoegd verklaart, althans dat de verzekeraars in hun vordering niet-ontvankelijk worden verklaard dan wel dat hun vordering wordt afgewezen, met in de hoofdzaak veroordeling van de verzekeraars tot betaling van de (door Cargill c.s. daadwerkelijk gemaakte) proceskosten.

3.2.

Cargill c.s. stellen daartoe het volgende.

3.2.1.

Cargill B.V. is geen verzekerde onder het CIF-certificaat. Dat is Cargill PLC. De verzekeraars weten of hadden in ieder geval moeten weten dat alleen Cargill PLC gerechtigd is om onder de verzekering een claim bij hen in te dienen. Cargill B.V. heeft zich ook nooit op het standpunt gesteld een dergelijke claim te hebben. Zij staat volledig buiten het geschil. Omdat Cargill B.V. aldus geen partij is bij de rechtsverhouding tussen de verzekerde en de verzekeraar, kan de gevorderde verklaring voor recht - voor zover deze zich richt tegen Cargill B.V. - op grond van artikel 3:302 van het Burgerlijk Wetboek (BW) niet worden gegeven. Daarmee ontbreekt ook het voor de verzekeraars vereiste belang bij de tegen Cargill B.V. ingestelde vordering (artikel 3:303 BW). Dit leidt ertoe dat de rechtbank zich ten aanzien van Cargill B.V. niet-ontvankelijk dient te verklaren.

3.2.2.

De hoofdzaak betreft een verzekeringsclaim van Cargill PLC op de verzekeraars. Cargill PLC is in Engeland gevestigd. Op grond van artikel 14 lid 1 van de Verordening (EU) nr. 1215/2012 van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (Brussel I-bis) is de Engelse rechter exclusief bevoegd om van de tegen Cargill PLC ingestelde vordering kennis te nemen.

3.2.3.

Artikel 8 lid 1 Brussel I-bis is in verzekeringszaken niet van toepassing, zodat de eventuele bevoegdheid van de Nederlandse rechter ten aanzien van Cargill B.V. niet meebrengt dat de Nederlandse rechter ook bevoegd is te oordelen over de vordering tegen Cargill PLC.

Subsidiair heeft te gelden dat artikel 8 lid 1 Brussel I-bis buiten toepassing dient te blijven omdat de verzekeraars van deze bepaling misbruik maken. De verzekeraars hebben de voorwaarden voor toepassing van artikel 8 lid 1 Brussel I-bis namelijk kunstmatig gecreëerd met het specifieke doel om Cargill PLC aan de bevoegdheid van de Engelse rechter te onttrekken.

Meer subsidiair wordt het standpunt ingenomen dat er geen grond is voor toepassing van artikel 8 lid 1 Brussel I-bis, omdat geen sprake is van een vordering jegens meerdere gedaagden. Omdat de vordering van Cargill B.V. niet-ontvankelijk is, zal aan een inhoudelijke beoordeling van de vordering jegens Cargill B.V. immers niet worden toegekomen. Dat Cargill PLC op grond van artikel 8 lid 1 Brussel I-bis in de onderhavige procedure zou kunnen worden “meegetrokken” is, gelet op de feiten en omstandigheden van het geval, onaanvaardbaar, aldus nog steeds Cargill c.s.

3.3.

De verzekeraars voeren verweer. Zij voeren het volgende aan.

De Nederlandse rechter komt op grond van artikel 14 lid 1 Brussel I-bis rechtsmacht toe als het gaat om de vordering tegen Cargill B.V. Naast artikel 14 lid 1 Brussel I-bis blijft artikel 8 lid 1 Brussel I-bis van toepassing. Voor de verzekeraars was en is nog steeds niet zeker of het Cargill B.V. of Cargill PLC is die tot uitkering van de schade gerechtigd is of gerechtigd kan zijn. Volgens de bij de verzekeraars bekende gegevens is Cargill B.V. de vorderingsgerechtigde. De vordering is zekerheidshalve - voor het geval alsnog mocht blijken dat Cargill PLC actief gelegitimeerd is - ook tegen Cargill PLC ingesteld. Van misbruik van artikel 8 lid 1 Brussel I-bis is geen sprake. De rechtbank is dan ook op grond van artikel 8 lid 1 Brussel bevoegd kennis te nemen van de vordering die is ingesteld tegen Cargill PLC.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling in het incident

4.1.

De rechtbank stelt voorop dat, gelet op artikel 126 en 127 van het Akkoord inzake de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland uit de Europese Unie en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie, tot 31 december 2020 een overgangsperiode geldt op grond waarvan het hele EU-recht op en in het Verenigd Koninkrijk van toepassing is. De vraag naar de rechtsmacht van de rechtbank dient in deze zaak daarom te worden beoordeeld aan de hand van Brussel I-bis.

Ten aanzien van Cargill PLC

4.2.

Afdeling 3 van hoofdstuk II van Brussel I-bis omvat de artikelen 10 tot en met 16. Deze afdeling bevat een autonoom stelsel voor de rechterlijke bevoegdheidsverdeling in verzekeringszaken met specifieke en uitputtende bevoegdheidsregels (vgl. HvJ EG 12 mei 2005, NJ 2006, 513). De in deze afdeling opgenomen bevoegdheidsregels beogen bescherming te bieden aan de verzekeringnemer, verzekerde of begunstigde van een verzekeringsovereenkomst als economisch zwakkere en juridisch minder ervaren partij in verhouding tot de, in meerdere opzichten als sterkere partij te beschouwen verzekeraar (zie nummer 18 van de considerans van Brussel I-bis en HvJ EU 20 juli 2017, ECLI:EU:C:2017:576). Dit betekent dat elk geschil over een verzekeringszaak - waartoe ook het in de hoofdzaak voorliggende dekkingsgeschil moet worden gerekend - dient te worden aangebracht bij de rechter die op grond van de bevoegdheidsregels van afdeling 3 als bevoegde rechter wordt aangewezen.

4.3.

Artikel 14 lid 1 Brussel I-bis regelt de bevoegdheid ten aanzien van vorderingen die door de verzekeraar worden ingesteld tegen de verzekeringnemer, verzekerde of begunstigde. De verzekeraar kan zijn vordering op grond van deze bepaling slechts instellen bij de gerechten van de lidstaat op het grondgebied waarvan de verzekeringnemer, verzekerde of begunstigde van een verzekeringsovereenkomst woonplaats heeft.

4.4.

De in afdeling 3 opgenomen bevoegdheidsregels, waaronder dus ook artikel 14 lid 1 Brussel I-bis valt, kunnen slechts door andere bevoegdheidsregels van Brussel I-bis worden gewijzigd of aangevuld als dat in afdeling 3 uitdrukkelijk is bepaald. Dat is niet het geval met betrekking tot de bevoegdheid op grond van artikel 8 lid 1 Brussel I-bis, zodat de toepassing van deze bepaling in verzekeringszaken is uitgesloten. Het beroep dat de verzekeraars op toepassing van dit artikel doen, moet daarom worden verworpen. Voor zover de rechtbank bevoegd is om van de tegen Cargill B.V. ingestelde vordering kennis te nemen, kan de rechtbank haar rechtsmacht ten aanzien van Cargill PLC dus niet ontlenen aan artikel 8 lid 1 Brussel I-bis. De rechtbank zal zich dan ook ten aanzien van Cargill PLC onbevoegd verklaren.

Ten aanzien van Cargill B.V.

4.5.

Daarmee resteert de vraag of de rechtbank op grond van artikel 14 lid 1 Brussel I-bis bevoegd is kennis te nemen van de vordering tegen Cargill B.V. De rechtbank komt tot een bevestigend antwoord, waartoe het volgende wordt overwogen.

4.6.

Cargill B.V. is in Nederland gevestigd. Er zijn bovendien voldoende aanknopingspunten om Cargill B.V. in het kader van dit incident als (mogelijke) verzekeringnemer, verzekerde of begunstigde aan te merken. Niet in geschil is immers dat Cargill B.V. de sojabonen van Glencore op CIF-basis heeft gekocht. Daar komt bij dat, anders dan Cargill c.s. hebben betoogd, Cargill PLC aan de verzekeraars onvoldoende duidelijk heeft gemaakt dat zij ‘CIF-insured’ is dan wel dat zij als ‘CIF-buyer’ van Cargill B.V. dekking onder de verzekering vraagt. Toen het Engelse advocatenkantoor Hill Dickinson zich namens “messrs Cargill” bij brief van 5 april 2019 bij de verzekeraars meldde in verband met de verzekeringsclaim, heeft de advocaat van de verzekeraars Hill Dickinson in reactie daarop bij brief van 12 april 2019 laten weten dat de verzekeraars ervan uitgaan dat Hill Dickinson namens Cargill B.V. optreedt. Dat de verzekeraars dit niet goed zien en Cargill PLC degene is die dekking onder de verzekering vraagt (en/of een gerechtelijke procedure zal starten) is daarop echter niet aangegeven. Uit de in dit geding overgelegde correspondentie van na 12 april 2019 is dit in ieder geval niet af te leiden. Wie de verzekeringsclaim binnen Cargill voorafgaande aan deze procedure bij de verzekeraars heeft ingediend, is op basis van de in het geding gebrachte stukken dus onduidelijk.

4.7.

De vraag of de verzekeraars ontvankelijk zijn in hun vordering tegen Cargill B.V. hoort in dit bevoegdheidsincident niet thuis. De beoordeling van het ontvankelijkheids-verweer zal, nu de rechtbank zich ten aanzien van Cargill B.V. op grond van artikel 14 lid 1 Brussel I-bis bevoegd acht en mits gevoerd in de hoofdzaak, in de hoofdzaak aan de orde moeten komen. Zonder daarop vooruit te willen lopen, lijkt dat verweer overigens kansrijk. Cargill B.V. heeft zich immers zelf op het standpunt gesteld geen aanspraak te hebben op dekking onder de betreffende verzekering. Welk rechtens te respecteren belang de verzekeraars bij hun vordering hebben, valt dan ook vooralsnog niet goed in te zien.

4.8.

Aangezien partijen over en weer in het ongelijk zijn gesteld, zullen de proceskosten worden gecompenseerd in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

4.9.

De rechtbank zal de hoofdzaak naar de rol verwijzen voor conclusie van antwoord van de kant van Cargill B.V. Gelet op wat in 4.7 is overwogen, geeft de rechtbank partijen in overweging met elkaar in gesprek te gaan over een minnelijke regeling.

5 De beslissing

De rechtbank

in het incident

5.1.

verklaart zich bevoegd van de vorderingen in de hoofdzaak tegen Cargill B.V. kennis te nemen,

5.2.

verklaart zich onbevoegd van de vorderingen in de hoofdzaak tegen Cargill PLC kennis te nemen,

5.3.

compenseert de proceskosten tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,

in de hoofdzaak

5.4.

bepaalt dat de zaak tussen de verzekeraars en Cargill B.V. weer op de rol zal komen van 11 november 2020 voor conclusie van antwoord.

Dit vonnis is gewezen door mr. L.J. Saarloos en in het openbaar uitgesproken op 30 september 2020.1

1 type: NMB coll: