Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2020:7662

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
29-09-2020
Datum publicatie
02-10-2020
Zaaknummer
19-5233
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Omgevingsvergunning, aanlegvergunning, uitwegvergunning, weigeringsgronden, limitatieve en imperatieve opsomming, discretionaire bevoegdheid, alternatieven, toepassing artikel 6:22 Awb.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummers: HAA 19 / 5233

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 29 september 2020
in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] ,

eiser,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Bergen,

verweerder,

(gemachtigden: mr. T. van Hooff en mr. I. van Hooff).

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: Zuidhof Projecten B.V., te Bergen

(gemachtigde: ing. F. Zomers).

Procesverloop

Bij besluit van 29 mei 2019 (het primaire besluit) heeft verweerder aan derde-partij voor het adres [adres] een omgevingsvergunning verleend voor het aanleggen van een riolering, het uitvoeren van grondwerkzaamheden, het aanleggen van een weg op het recreatieterrein en voor het wijzigen van een uitrit.

Bij besluit van 17 oktober 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit ongegrond verklaard, onder aanvulling van de motivering ervan.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 augustus 2020. Eiser is in persoon verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden. Derde-partij heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde.

Overwegingen

1.1 Het perceel van derde-partij is gelegen aan de [adres] (het perceel). Het bestemmingsplan ‘Bergen, schoorl-kernen en buurtschappen’ is van toepassing. Het perceel heeft voor het grootste gedeelte de bestemming ‘Recreatieterrein’ en voor het overige de bestemming ‘Groen’. Het perceel heeft de dubbelbestemming ‘Archeologisch waardevol gebied’ en de aanduiding ‘regime I’. Eiser woont aan de Heereweg 83 in Schoorl.

1.2 Verweerder heeft aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat het perceel de dubbelbestemming ‘Archeologisch waardevol gebied’ heeft. Op grond van artikel 2.1, eerste lid, onder b, in samenhang met artikel 2.11, eerste lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) en artikel 23 van het bestemmingsplan is daarom een omgevingsvergunning vereist voor het aanleggen van de riolering, de grondwerkzaamheden en het aanleggen van de weg op het recreatieterrein (aanlegvergunning). Er is voldaan aan de daarvoor in artikel 23, twaalfde en dertiende lid, van het bestemmingsplan gestelde voorwaarden.

1.3 Verweerder heeft aan het bestreden besluit verder ten grondslag gelegd dat op grond van artikel 2.2, eerste lid, aanhef en onder e, in samenhang met artikel 2.18 van de Wabo en artikel 2:12 van de Algemene plaatselijke verordening gemeente Bergen 2018 (APV) voor het wijzigen van de uitrit een omgevingsvergunning is vereist (uitwegvergunning). Er is geen reden om de uitwegvergunning te weigeren. Verweerder verwijst naar een verkeerskundig advies van 24 september 2019 (het verkeerskundig advies).

1.4 Het wettelijk kader is opgenomen in een bijlage bij deze uitspraak.

Aanlegvergunning

2.1 Eiser voert aan dat verweerder de aanlegvergunning had moeten weigeren. Verweerder heeft het bezwaar van eiser dat de aanpassing van het talud tot een reëel gevaar voor verzakkingen leidt met mogelijke schade aan personen en/of gemeentelijke eigendommen, ten onrechte niet meegewogen. Het standpunt van verweerder dat dit niet een in artikel 23 van het bestemmingsplan opgenomen weigeringsgrond is, is zuiver formalistisch. Een potentieel gevaar voor de omgeving dient te allen tijde bij de beoordeling betrokken te worden.

2.2 Verweerder stelt zich op het standpunt dat in artikel 2.11 van de Wabo, in samenhang met artikel 23 van het bestemmingsplan de weigeringsgronden voor een aanlegvergunning limitatief en imperatief staan opgenomen. Wanneer een weigeringsgrond zich voordoet moet de aanlegvergunning geweigerd worden. Wanneer zich geen weigeringsgrond voordoet, moet de aanlegvergunning verleend worden. Aan de regeling in artikel 23 van het bestemmingsplan is voldaan, zodat de aanlegvergunning verleend moest worden. Voor het meewegen van het bezwaar van eiser ten aanzien van de stabiliteit van het talud is geen ruimte.

2.3 Ingevolge artikel 2.11, eerste lid, van de Wabo wordt een aanlegvergunning (voor zover relevant) geweigerd indien sprake is van strijd met de regeling ten aanzien van de aanlegvergunning in het bestemmingsplan. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder terecht gesteld dat daaruit volgt dat wanneer zich geen weigeringsgrond in de zin van artikel 23 van het bestemmingsplan voordoet, de aanlegvergunning verleend moet worden, waarbij geen ruimte is voor een belangenafweging. Tussen partijen is niet in geschil dat aan de regels van artikel 23 van het bestemmingsplan is voldaan, en dat geen weigeringsgrond in de zin van dit artikel aan de orde is. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder de aanlegvergunning dan ook terecht verleend. De beroepsgrond slaagt niet.

Uitwegvergunning

3.1 Eiser voert aan dat de uitwegvergunning ten onrechte is verleend omdat door het veranderen van de uitweg de groenvoorziening wordt aangetast. De uitwegvergunning moet dan ook op grond van artikel 2:12, derde lid, onder d, van de APV (de bescherming van de groenvoorziening) geweigerd worden. In het bestreden besluit is niet afdoende gemotiveerd waarom dit belang niet aan verlening van de uitwegvergunning in de weg staat. Er is verwezen naar het verkeerskundig advies. In het verkeerskundig advies wordt alleen gesproken over een verplaatsing van de bestaande uitweg, terwijl deze ook wordt verbreed. Bovendien is in het verkeerskundig advies voor de beantwoording van de vraag of de inbreuk op de groenvoorziening acceptabel is, slechts de afstand tot de in de groenstrook aanwezige boom van belang geacht. Dit terwijl niet duidelijk is welke afstand het betreft en niet wordt ingegaan op de omvang van de op te offeren groenvoorziening. Hierbij komt dat de uitweg breder moet zijn dan de breedte van 3,25 meter waarvoor de uitwegvergunning is verleend, waardoor de groenvoorziening nog verder wordt aangetast. De uitweg dient op grond van artikel 6.37 van het Bouwbesluit 4,5 (in plaats van 3,25) meter breed te zijn. Daarbij komt dat door een wegconstructie van enige jaren geleden de rijweg is versmald. Voor een goede doorgang van het verkeer is ook daarom een uitweg van 3,25 meter breed niet voldoende.

3.2 Verweerder stelt zich op het standpunt dat in het bestreden besluit afdoende is gemotiveerd dat het belang van de groenvoorziening niet op onaanvaardbare wijze wordt aangetast. In het verkeerskundig advies staat dat de verplaatsing van de uitweg slechts ten koste gaat van een klein stukje van de groenvoorziening, hetgeen gezien de afstand tot de in de groenstrook aanwezige boom acceptabel is. Dit heeft betrekking op de aanvaardbaarheid van de verwijdering van de groenvoorziening ten behoeve van het wijzigen van de uitrit. Bij de beoordeling van de aanvraag voor de uitwegvergunning moet uitgegaan worden van de actuele situatie. Er is dan ook rekening gehouden met de huidige wegconstructie. Ook is uitgegaan van het feit dat de vergunde recreatiewoningen nog niet zijn gerealiseerd, waardoor geen sprake is van een bouwwerk met een gebruiksoppervlakte van meer dan 50 m2. Artikel 6.37 van het Bouwbesluit is daarom niet van toepassing.

3.3 Ingevolge artikel 2.18 van de Wabo kan een uitwegvergunning slechts worden verleend of geweigerd op de gronden die zijn aangegeven in de betrokken verordening.

3.4 Ingevolge artikel 2:12, derde lid, van de APV kan de uitwegvergunning geweigerd worden in het belang van a) de bruikbaarheid van de weg, b) het doelmatig en veilig gebruik van de weg, c) de bescherming van het uiterlijk aanzien van de omgeving, en d) de bescherming van de groenvoorziening in de gemeente.

3.5 De beslissing om al dan niet een uitwegvergunning te verlenen betreft een discretionaire bevoegdheid van verweerder, waarbij verweerder de vergunning alleen kan weigeren vanwege een van de gronden/belangen opgenomen in artikel 2:12, derde lid, van de APV. Bij de beoordeling van de vraag of die belangen door het veranderen van de uitweg in het geding zijn, komt verweerder beoordelingsvrijheid toe. Die beoordeling dient door de rechtbank terughoudend te worden getoetst. Bepalend is de situatie ten tijde van de besluitvorming. Indien verweerder een of meer van die belangen in het geding acht, dient hij onder afweging van alle betrokken belangen, te beoordelen of dat reden is de uitwegvergunning te weigeren (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 4 februari 2015, ECLI:NL:RVS:2015:289 of van 19 december 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BY6770).

3.6 Vaststaat dat ten behoeve van het wijzigen van de uitweg een stukje van de groenvoorziening wordt opgeofferd. Het belang van de bescherming van de groenvoorziening (artikel 2:12, derde lid, onder d, van de APV) is dan ook aan de orde. Dit betekent gezien het gestelde in overweging 3.5 dat verweerder onder afweging van alle betrokken belangen dient te beoordelen of dat reden is de uitwegvergunning te weigeren. Daartoe dient het belang van de bescherming van de groenvoorziening, alsmede het belang van eiser, voor zover dit niet met dit belang samenvalt, te worden afgewogen tegen het belang van derde-partij bij de uitwegvergunning.

3.7 De rechtbank is van oordeel dat uit het standpunt van verweerder opgenomen in overweging 3.2 blijkt dat verweerder een belangenafweging in voornoemde zin heeft gemaakt, en daarbij het belang van derde-partij bij het wijzigen van de uitweg zwaarder heeft laten wegen, dan het belang van de bescherming van de groenvoorziening (en daarmee het belang van eiser). Verweerder heeft ter zitting de belangenafweging nader toegelicht. Verweerder heeft daartoe gewezen op het feit dat de boom in de groenvoorziening met name van belang wordt geacht. Uit het verkeerskundig advies blijkt dat de wijziging van de uitweg geen negatieve gevolgen heeft voor het welzijn van die boom. Verweerder heeft verder gewezen op het feit dat de verbreding van de uitweg gering is (0,25 meter) en bij de afweging in het verkeerskundig advies is betrokken. De aantasting van de groenvoorziening betreft minder dan 1 m² gras. Verweerder heeft er tot slot op gewezen dat aan de vereisten van artikel 6:37 van het Bouwbesluit wordt voldoen. Dit los van de vraag of dit artikel daadwerkelijk in de toekomst van toepassing zal zijn. De vergunde uitweg is 3,25 meter breed en aan de zijkanten van de uitweg is tot 4,5 meter vrije ruimte. Eiser heeft dit alles onvoldoende weersproken. De rechtbank is gezien het voorgaande van oordeel dat verweerder in redelijkheid het belang van derde-partij bij het verkrijgen van de uitwegvergunning zwaarder heeft kunnen laten wegen dan het belang van de bescherming van de groenvoorziening (en daarmee het belang van eiser). De beroepsgrond slaagt niet.

4.1 Eiser voert aan dat de uitwegvergunning ten onrechte is verleend omdat de aanvraag niet aan de weigeringsgrond van artikel 2:12, derde lid, onder c, van de APV (de bescherming van het uiterlijk aanzien van de omgeving) is getoetst. Dit terwijl de wijziging van de uitweg leidt tot een verdere verstening van de omgeving. Door het gestelde ten aanzien van de breedte van de uitwegvergunning in overweging 3.1 wordt dit negatieve effect vergroot.

4.2 Verweerder stelt zich op het standpunt dat uit het verkeerskundig advies blijkt dat aan het belang van de bescherming van het uiterlijk aanzien van de omgeving is getoetst en dat dit niet in de weg staat aan het verlenen van de uitwegvergunning. Voor wat betreft de stelling van eiser ten aanzien van de breedte van de uitweg, stelt verweerder zich op het standpunt zoals omschreven in overweging 3.2 en de ter zitting gegeven nadere toelichting opgenomen in overweging 3.7.

4.3 De rechtbank volgt verweerder niet in zijn standpunt. Uit het verkeerskundig advies blijkt dat aan het belang van de bescherming van het uiterlijk aanzien van de omgeving moet worden getoetst. Uit dit advies blijkt niet dat ook daadwerkelijk aan dit belang is getoetst en waarom dit belang niet aan het verlenen van de uitwegvergunning in de weg staat. De rechtbank is dan ook van oordeel dat verweerder op dit punt niet heeft kunnen verwijzen naar het verkeerskundig advies. Het bestreden besluit is op dit punt in strijd met artikel 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) tot stand gekomen, want het is niet voorzien van een afdoende motivering. De beroepsgrond slaagt.

4.4 De rechtbank is van oordeel dat dit gebrek met toepassing van artikel 6:22 van de Awb gepasseerd kan worden. Verweerder heeft ter zitting toegelicht dat het belang van het uiterlijk aanzien van de omgeving is meegewogen, maar niet in de weg heeft gestaan aan het verlenen van de uitwegvergunning. Verweerder heeft daartoe verwezen naar de door hem gegeven toelichting ten aanzien van het belang van de groenvoorziening (overweging 3.2 en 3.7). Nu de argumenten van verweerder ten aanzien van het belang van het uiterlijk aanzien van de omgeving, gelijk zijn aan de argumenten ten aanzien van het belang van de groenvoorziening en eiser ter zitting op deze argumenten heeft kunnen reageren, is niet aannemelijk dat hij door het in overweging 4.3 geconstateerde motiveringsgebrek in zijn belangen is geschaad.

5.1 Eiser voert aan dat verweerder ten onrechte niet met derde-partij heeft gesproken over alternatieven voor het verplaatsen van de uitweg. Uit het verkeerskundig advies blijkt dat er twijfel bestaat ten aanzien van de vraag of de verplaatsing van de uitweg noodzakelijk is.

5.2 Verweerder stelt zich op het standpunt dat hij op de aanvraag moet beslissing, en dat hij niet hoeft te beoordelen of het beter zou zijn om de uitweg op een andere plek aan te leggen.

5.3 Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling dient het bestuursorgaan te beslissen op de aanvraag, zoals die is ingediend. Indien het bouwplan op zichzelf aanvaardbaar is, kan het bestaan van alternatieven alleen dan tot het onthouden van medewerking leiden, indien op voorhand duidelijk is dat door verwezenlijking van de alternatieven een gelijkwaardig resultaat kan worden bereikt met aanmerkelijk minder bezwaren. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 8 april 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1009. Eiser heeft geen concreet voorstel gedaan voor een dergelijk alternatief. Voor zover eiser bedoeld heeft dat het behouden van de oude uitweg een alternatief is, geldt dat dat niet als een alternatief in voornoemde zin te beschouwen is. Derde-partij heeft ter zitting toegelicht dat de oude uitweg niet alleen minder breed is, maar ook naast een woning is gelegen. Een intensief (zwaar verkeer) gebruik van de oude weg is schadelijk voor onder meer de fundering van de woning. Eiser heeft dit niet weersproken. De beroepsgrond slaagt niet.

6.1 Eiser voert aan dat ten onrechte geen rekening is gehouden met het feit dat derde-partij mogelijk ook een uitweg zal willen realiseren ten behoeve van de tweede weg op het recreatieterrein waarop de aanlegvergunning betrekking heeft.

6.2 Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat verweerder op de aanvraag voor de vergunning, zoals die is ingediend, moet beslissen. De aanvraag (en daarmee de uitwegvergunning) heeft betrekking één uitweg. De beroepsgrond slaagt niet.

7. Gezien het voorgaande is het beroep van eiser ongegrond.

8. Gezien het gestelde in overweging 4.3 en 4.4 ziet de rechtbank aanleiding te bepalen dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoed. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Dit betreft de door eiser gemaakte reiskosten van € 20,04. Er zijn geen verdere voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond;

  • -

    bepaalt dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht van € 174,- vergoedt;

  • -

    veroordeelt verweerder tot vergoeding van de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 20,04.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.H. Lange, rechter, in aanwezigheid van R.I. ten Cate, griffier. De uitspraak is gedaan op 29 september 2020. Als gevolg van maatregelen rondom het coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak, voor zover nodig, alsnog in het openbaar uitgesproken.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Bijlage

Wet algemene bepalingen omgevingsrecht

Artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder b

Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit:

b. het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden, in gevallen waarin dat bij een bestemmingsplan […] is bepaald.

Artikel 2.2, eerste lid, aanhef en onder e

Voor zover ingevolge een bepaling in een provinciale of gemeentelijke verordening een vergunning of ontheffing is vereist om:

e. een uitweg te maken, te hebben of te veranderen of het gebruik daarvan te veranderen,

geldt een zodanige bepaling als een verbod om een project voor zover dat geheel of gedeeltelijk uit die activiteiten bestaat, uit te voeren zonder omgevingsvergunning.

Artikel 2.11, eerste lid,

Voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder b, waaromtrent regels zijn gesteld in een bestemmingsplan […], wordt de omgevingsvergunning geweigerd indien het werk of de werkzaamheid daarmee in strijd is […].

Artikel 2.18

Voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.2 kan de omgevingsvergunning slechts worden verleend of geweigerd op de gronden die zijn aangegeven in de betrokken verordening.

Bestemmingsplan Bergen schoorl-kernen en buurtschappen

Artikel 23 - Archeologisch waardevol gebied

Artikel 23, zevende lid

Het is verboden op of in gronden ter plaatse van de aanduiding ‘regime I’ zonder of in afwijking van een schriftelijke vergunning van burgemeester en wethouders (aanlegvergunning) de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren:

  1. het uitvoeren van grondbewerkingen waartoe wordt gerekend het afgraven, woelen, mengen, diepploegen, egaliseren en ontginnen en aanleggen van drainage, tenzij deze werkzaamheden noodzakelijk zijn voor de uitvoering van een bouwplan waarvoor ontheffing is verleend als bedoeld in lid 4,

  2. het ophogen van gronden met meer dan 30 cm,

  3. het aanleggen, vergraven, verruimen, of dempen van sloten, vijvers, en andere wateren,

  4. het verlagen of verhogen van het waterpeil,

  5. het aanleggen of rooien van bos of boomgaard waarbij stobben worden verwijderd,

  6. het aanleggen van ondergrondse transport-, energie- of telecommunicatieleidingen en daarmee verbandhoudende constructies, installaties, of apparatuur,

  7. het scheuren van grasland.

Artikel 23, twaalfde lid

De aanlegvergunning wordt voorts verleend indien:

  1. de aanvrager van de aanlegvergunning een rapport heeft overgelegd waarin de archeologische waarde van het betrokken locatie naar het oordeel van burgemeester en wethouders in voldoende mate is vastgesteld;

  2. de betrokken archeologische waarden, gelet op het rapport zoals onder a bedoeld, door de activiteiten niet worden geschaad of mogelijke schade kan worden voorkomen door aan de aanlegvergunning regels te verbinden gericht op:

- het treffen van maatregelen, waardoor archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden;

- het doen van opgravingen;

- begeleiding van activiteiten door de archeologisch deskundige.

Artikel 23, dertiende lid

Alvorens de gevraagde aanlegvergunning te verlenen, vragen burgemeester en wethouders aan de archeologisch deskundige om advies. Bij een negatief advies verzoeken burgemeester en wethouders de archeologisch deskundige de verder te nemen stappen aan te geven.

Algemeen plaatselijke verordening gemeente Bergen 2018

Artikel 2.12 Omgevingsvergunning voor het maken, veranderen van een uitweg

Artikel 2.12, eerste lid

Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het bevoegd gezag:

a) een uitweg te maken naar de weg;

b) van de weg gebruik te maken voor het hebben van een uitweg;

c) veranderingen aan te brengen in een bestaande uitweg naar de weg of het gebruik daarvan te veranderen.

Artikel 2.12, derde lid

Onverminderd het bepaalde in artikel 1.8 kan de omgevingsvergunning worden geweigerd in het belang van:

  1. de bruikbaarheid van de weg;

  2. het doelmatig en veilig gebruik van de weg;

  3. de bescherming van het uiterlijk aanzien van de omgeving;

  4. e bescherming van de groenvoorziening in de gemeente.

Bouwbesluit

Artikel 6:37, eerste lid

1. Tussen de openbare weg en ten minste een toegang van een bouwwerk voor het verblijven van personen ligt een verbindingsweg die geschikt is voor voertuigen van de brandweer en andere hulpverleningsdiensten.

Artikel 6:37, tweede lid

2. Het eerste lid is niet van toepassing:

- op een gebruiksfunctie met een gebruiksoppervlakte van niet meer dan 1.000 m² en een vuurbelasting van ten hoogste 500 MJ/m², bepaald volgens NEN 6090;

- op een bouwwerk met een gebruiksoppervlakte van niet meer dan 50 m²;

- op een lichte industriefunctie uitsluitend voor het bedrijfsmatig telen, kweken of opslaan van gewassen of daarmee vergelijkbare producten, met een permanente vuurbelasting van ten hoogste 150 MJ/m², bepaald volgens NEN 6090;

- indien de toegang tot het bouwwerk op ten hoogste 10 meter van een openbare weg ligt, of

- indien de aard, de ligging of het gebruik van het bouwwerk naar het oordeel van het bevoegd gezag geen verbindingsweg als bedoeld in het eerste lid vereist.