Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2020:7644

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
29-09-2020
Datum publicatie
02-10-2020
Zaaknummer
AWB - 19 _ 2273
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

AW, ongeschiktheidsontslag,

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummer: HAA 19/2273

uitspraak van de meervoudige kamer van 29 september 2020 in de zaak tussen

[eiseres] , te [woonplaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. L. Koot),

en

De korpschef van politie, verweerder

(gemachtigde: mr. E. Noordermeer).

Procesverloop

Bij besluit van 3 december 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder eiseres met ingang van 1 januari 2019 eervol ontslag verleend wegens ongeschiktheid/onbekwaamheid voor haar functie, anders dan op grond van ziels- of lichaamsgebreken.

Bij besluit van 11 april 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 augustus 2020. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde en door [naam 1] (teamchef) en [naam 2] (HR adviseur).

Overwegingen

1.1.

De rechtbank ziet zich ambtshalve eerst voor de vraag geplaatst of het beroep van eiseres tegen het bestreden besluit ontvankelijkheid is.

1.2.

Het bestreden besluit is gedateerd op 11 april 2019 en volgens verweerder op
12 april 2019 aangetekend naar (het kantoor van) de gemachtigde van eiseres verzonden. Verweerder heeft een kopie overgelegd uit zijn postboek met daarop een deel van een sticker met daarop de naam en kantooradresgegevens van de toenmalige gemachtigde van eiseres. Volgens verweerder heeft een medewerker van zijn eigen postkamer daarop de datumstempel van 12 april 2019 gezet, wat zou betekenen dat de brief met daarop de andere helft van de sticker op die datum aangetekend is verzonden naar de toenmalige gemachtigde van eiseres. Verweerder heeft naar eigen zeggen een deugdelijke verzendadministratie en een medewerker van PostNL haalt de post bij de postkamer van verweerder op. Met de barcode op de sticker en de postcode van de ontvanger kunnen de verzend- en ontvangstgegevens van een aangetekend verzonden poststuk tot een jaar na de datum van verzending via track&trace gevolgd worden. Daar is in die periode geen afdruk van gemaakt. Langer dan een jaar na verzending zijn deze gegevens niet meer via track&trace te achterhalen. Met een beroep op de Archiefwet zou de gemachtigde van verweerder alsnog willen proberen bij PostNL de verzend- en ontvangstgegevens van de op 12 april 2019 aangetekend verzonden brief te achterhalen.

1.3.

De gemachtigde van eiseres heeft de aangetekende verzending van het bestreden besluit betwist en gesteld dat haar voormalige kantoorgenoot het bestreden besluit via de e-mail op 15 april 2019 van verweerder heeft ontvangen. Zij verwijst daarbij naar de overgelegde printscreen met het overzicht van alle documenten en e-mails die haar kantoor in de periode van 9 tot en met 15 april 2019 in het dossier van eiseres heeft ontvangen. Uit dit overzicht blijkt dat in die periode alleen de e-mail van 15 april 2019 van verweerder is ontvangen en geen aangetekend verzonden brief.

1.4.

De rechtbank ziet geen aanleiding om de zaak aan te houden om de gemachtigde van verweerder in de gelegenheid te stellen bij PostNL verdere navraag te doen, nu het onzeker is of daarmee alsnog de verzend- en ontvangstgegevens van het bestreden besluit verkregen kunnen worden.

1.5.

De rechtbank oordeelt dat verweerder met de overgelegde kopie van de sticker met daarop de door een medewerker van de postkamer aangebrachte datumstempel van 12 april 2019 niet heeft aangetoond dat de brief met het bestreden besluit ook op die dag zijn postkamer heeft verlaten en door PostNL aan de toenmalige gemachtigde van eiseres is verzonden. Daar komt bij dat de gemachtigde van eiseres met de overgelegde printscreen heeft onderbouwd dat haar voorganger de aangetekende brief niet heeft ontvangen. Nu niet met zekerheid valt vast te stellen dat het bestreden besluit op 12 april 2019 is verzonden, moet uitgegaan worden van 15 april 2019 als zijnde de datum waarop het bestreden besluit bekend gemaakt is. Dat betekent dat het beroep van eiseres ontvankelijk is.

2.1.

Eiseres is per 1 mei 1989 aangesteld als administratief medewerker bij verweerder. Tot aan haar ontslag heeft eiseres grotendeels in administratieve/secretariële functies bij verweerder gewerkt. Eiseres is tijdens haar loopbaan bij verweerder meerdere keren langdurig ziek geweest.

2.2.

In het kader van de reorganisatie van de politie is eiseres per 1 juli 2016 aangewezen als herplaatsingskandidaat en per dezelfde datum herplaatst in de functie van Administratief Secretarieel medewerker, schaal 6 in de formatie van de eenheid Noord-Holland, Dienst [dienst] . Op 1 juli 2016 was eiseres na een lange ziekteperiode nog aan het re-integreren in aangepast werk op een andere afdeling. Per 22 augustus 2016 is zij hersteld gemeld.

2.3.

Op verzoek van eiseres is zij op basis van een tijdelijke tewerkstelling van
5 november 2016 tot 27 maart 2017 belast geweest met administratief-secretariële werkzaamheden ten behoeve van de [afdeling] en twee teamchefs, met name
[naam 1] .

2.4.

Per 27 maart 2017 is eiseres gestart met werkzaamheden in haar eigen functie bij het team [dienst] . Vanaf de start is een groot aantal voortgangsgesprekken met eiseres gevoerd. In het begin gingen deze gesprekken over de geleidelijke opbouw van de werkzaamheden om te voorkomen dat eiseres opnieuw uit zou vallen. Vanaf juli 2017 gingen de gesprekken daarnaast over het juist invullen van de urenregistratie, het zich houden aan de werktijden, het nemen van de eigen verantwoordelijkheid ten aanzien van het oppakken van de werkzaamheden die bij de functie horen en over de begeleiding. Het evaluatiegesprek werd van juli 2017 naar december 2017 verschoven, omdat eiseres in juli nog niet alle bij haar functie behorende werkzaamheden verrichtte.

Het gespreksverslag van de evaluatie van 20 december 2017 geeft een opsomming van de concrete werkzaamheden die eiseres tegen de verwachting in nog steeds niet zelfstandig kan uitvoeren. Uit dit gespreksverslag blijkt dat eiseres opnieuw een takenmatrix gaat maken opdat ze aan de hand van die matrix haar werkzaamheden geleidelijk kan opbouwen en per
1 april 2018 haar functie volledig zelfstandig kan uitvoeren. Eiseres is tevreden over de coördinatie van [naam 3] en [naam 3] zal eiseres als coach begeleiden. De inwerkperiode wordt verlengd tot 1 april 2018.

2.5.1.

Op 8 mei 2018 heeft een beoordelingsgesprek met eiseres plaatsgevonden. De beoordeling ziet op de periode van 1 juli 2016 tot 25 april 2018. Uit het beoordelingsformulier blijkt dat eiseres op alle onderdelen onvoldoende dan wel matig scoort. Zij beheerst de eenvoudige routinematige werkzaamheden, maar de werkzaamheden van de functie administratief secretarieel medewerker binnen het [dienst] beheerst zij onvoldoende. Eiseres heeft moeite met structuur en balans aanbrengen in haar werk en heeft meer begeleiding en instructie gekregen dan gebruikelijk is. Het eindoordeel is dat eiseres onvoldoende functioneert.

2.5.2.

Ook vermeldt het beoordelingsformulier dat eiseres tot 1 januari 2019 een laatste kans wordt geboden om voldoende te functioneren voor de werkzaamheden van haar functie administratief secretarieel medewerker binnen het [dienst] . Als dit niet lukt, zal functie-ongeschiktheidsontslag volgen. Eiseres zal worden begeleid en krijgt voor de vierde keer de cursus Basisvoorziening Handhaving aangeboden. Zij moet haar eigen verantwoordelijkheid nemen en moet tevens aangeven wat zij nodig heeft om haar werkzaamheden voldoende te kunnen uitvoeren op 1 januari 2019. Tot slot blijkt uit het beoordelingsformulier dat afspraken met eiseres zijn gemaakt over haar aan- en afwezigheid, over (de verantwoording van) haar werkuren en over rookpauzes.

2.6.

Op 7 augustus 2018 is de beoordeling aan eiseres uitgereikt en met haar besproken. Uit het daarvan opgemaakte gespreksverslag per mails van 7 en 9 augustus 2018 en de bevestiging daarvan bij mail van 12 augustus 2018 door (de toenmalige gemachtigde van) eiseres, blijkt dat eiseres akkoord is gegaan met een outplacementtraject middels begeleiding vanuit het Landelijk Mobiliteitscentrum in combinatie met een ongeschiktheidsontslag per
1 januari 2019. Eiseres is per 7 augustus 2018 vrijgesteld van het verrichten van werkzaamheden. Eiseres heeft tegen de beoordeling geen bezwaar gemaakt, waardoor de beoordeling onherroepelijk is geworden.

2.7.

Na daartoe zijn voornemen bekend gemaakt te hebben, heeft verweerder bij het primaire besluit, gehandhaafd bij het bestreden besluit, eiseres met toepassing van artikel 94, eerste lid, onder g, in samenhang gelezen met het tweede lid van het Besluit algemene rechtspositie politie (Barp) per 1 januari 2019 eervol ontslag verleend wegens ongeschiktheid voor de functie van Administratief Secretarieel medewerker, anders dan op grond van ziels- of lichaamsgebreken.

2.8.

Eiseres heeft zich op de hierna te bespreken gronden tegen het bestreden besluit gekeerd.

3. De rechtbank komt tot de volgende beoordeling

3.1.

Volgens vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) (uitspraak van 1 september 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:3254) moet het bestuursorgaan ongeschiktheid voor het vervullen van een functie - zich uitend in het ontbreken van eigenschappen, mentaliteit en/of instelling die voor het op goede wijze vervullen van die functie vereist zijn - aannemelijk maken aan de hand van concrete gedragingen van de ambtenaar.

Een ontslag wegens ongeschiktheid voor het vervullen van de functie anders dan wegens ziekte of gebreken is in het algemeen niet toelaatbaar, als de ambtenaar niet op zijn functioneren of gedrag is aangesproken en in de gelegenheid is gesteld dit te verbeteren (uitspraak van 3 april 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:1098).

3.2.

Eiseres heeft aangevoerd dat het ontslag niet rechtsgeldig is omdat zij pas tijdens het beoordelingsgesprek op 8 mei 2018 voldoende concreet op haar tekortkomingen is aangesproken. Eiseres heeft verder betoogd dat haar geen daadwerkelijke verbeterkans is geboden. Zij had een conflict met [naam 3] en er was sprake van een onveilige situatie. Daarnaast ontbrak het aan deugdelijke begeleiding en had verweerder haar niet mogen vragen een verbeterplan op te stellen. Ook was eiseres arbeidsongeschikt tijdens het verbetertraject en had het traject langer moeten duren.

3.3.

De rechtbank overweegt allereerst dat, anders dan verweerder in het verweerschrift suggereert, de verlenging van het inwerktraject van januari 2018 tot april 2018, zoals besloten tijdens het evaluatiegesprek op 20 december 2017, niet als een verbetertraject kan worden aangemerkt. Uit het verslag van het evaluatiegesprek op 20 december 2017 blijkt namelijk niet dat de verlenging van de inwerkperiode als verbeterkans ter voorkoming van een ongeschiktheidsontslag is bedoeld. Een dergelijke verbeterkans is eiseres wel geboden tijdens het beoordelingsgesprek op 8 mei 2018. Tijdens dat gesprek is haar meegedeeld dat zij tot 1 januari 2019 de gelegenheid kreeg om haar werkzaamheden op voldoende niveau te brengen en dat anders een ongeschiktheidsontslag zou volgen. Eiseres is tijdens het beoordelingsgesprek als ook op 4 juni 2018 uitdrukkelijk gevraagd door middel van een plan van aanpak haar ondersteuningsbehoefte kenbaar te maken, maar van deze gelegenheid heeft eiseres geen gebruik gemaakt. Naar het oordeel van de rechtbank mag een dergelijke inzet van eiseres wel worden verwacht. Het had haar uit de beoordeling (en de daaraan voorafgaande voortgangsgesprekken en opgestelde takenmatrices) duidelijk moeten/kunnen zijn welke werkzaamheden van haar functie zij nog niet op voldoende niveau beheerste. Daarbij had eiseres verweerder ook om hulp kunnen vragen bij het opstellen van een dergelijk plan en in het plan kunnen aangeven dat zij geen verdere begeleiding van [naam 3] meer wenste na een incident met [naam 3] op 31 mei 2018. Dat eerder sprake was van een ‘onveilige situatie’, zoals eiseres heeft gesteld, blijkt niet uit de gespreksverslagen.

Op 11 juni 2018 en op 27 september 2018 heeft eiseres zich ziek gemeld. Beide keren achtte de bedrijfsarts eiseres niet arbeidsongeschikt voor haar eigen werk. De klachten die eiseres ervaarde, kwamen volgens de bedrijfsarts voort uit de gespannen arbeidsverhouding en het functionerings- en beoordelingstraject. Nu eiseres zelf heeft gekozen om na 11 juni 2018 geen werkzaamheden meer te verrichten, kan niet geoordeeld worden dat haar geen zorgvuldig dan wel een te kort verbetertraject is geboden. Bovendien heeft eiseres op
7 augustus 2018 ingestemd met vrijstelling van werkzaamheden gedurende een outplacementtraject middels begeleiding vanuit het Landelijk Mobiliteitscentrum in combinatie met een arbeidsongeschiktheidsontslag per 1 januari 2019. De rechtbank is van oordeel dat de ongeschiktheid van eiseres voldoende aannemelijk is geworden gezien de inhoud van haar beoordeling en de hiervoor geschetste gang van zaken tijdens het verbetertraject. Geconcludeerd moet dan ook worden dat verweerder eiseres in voldoende mate in de gelegenheid heeft gesteld haar functioneren te verbeteren, maar dat dit niet tot het gewenste resultaat heeft geleid. De gronden van eiseres kunnen dan ook niet slagen.

3.4.

Verder heeft eiseres nog aangevoerd dat zij ervan uitging dat zij twee jaar de gelegenheid had om zich de werkzaamheden van de functie eigen te maken. Eiseres heeft daarbij verwezen naar de brochure die bij het herplaatsingsbesluit gevoegd was. De rechtbank volgt eiseres ook in deze stelling niet. Wat eiseres heeft aangehaald ziet op de situatie waarbij de Plaatsingsadviescommissie (PAC) in haar herplaatsingsadvies stelt dat voor de betreffende herplaatsing in de genoemde functie, om-, her- of bijscholing verplicht is. Niet gesteld of gebleken is dat van een zodanige verplichting bij de herplaatsing van eiseres sprake is geweest. De rechtbank is van oordeel dat als eiseres van mening was dat de functie waarin zij herplaatst is niet passend is, zij rechtsmiddelen had moeten aanwenden tegen het besluit waarbij zij in die functie herplaatst is.

3.5.

Als laatste dient de rechtbank de vraag te beantwoorden of verweerder in redelijkheid van zijn ontslagbevoegdheid gebruik heeft kunnen maken.

3.6.

Volgens eiseres is dat niet het geval. Zij wil graag een andere functie bij verweerder vervullen die past bij haar belastbaarheid, zoals een functie bij het WPG-loket (Wet politiegegevens). Zij is al 30 jaar bij verweerder in dienst.

3.7.

Uit het verslag van 27 juni 2018 van het gesprek op 20 juni 2018 blijkt dat eiseres heeft aangegeven niet te willen terugkeren in aangepast werk op haar eigen afdeling. Voorts is uit de stukken en het verhandelde ter zitting gebleken dat de functies op het niveau van eiseres, schaal 6, operationele functies zijn dan wel administratief secretariële functies met een vergelijkbaar samenstel van werkzaamheden als die in haar voormalige functie. Administratief secretariële functies in een lagere schaal kent verweerder niet. Aangezien eiseres geen BOA-bevoegdheid heeft en ook geen operationele functie ambieert, zijn operationele functies ook geen optie. Het WPG-loket kent geen structurele functies maar alleen tijdelijke functies in het kader van een re-integratie. Nu verweerder geen andere functies heeft die geschikt zouden zijn voor eiseres, bestaat er geen grond voor het oordeel dat verweerder niet in redelijkheid van zijn bevoegdheid tot ontslagverlening gebruik heeft kunnen maken.

4. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan op 29 september 2020 door mr. S.A. Steinhauser, voorzitter, en

mr. W.B. Klaus en mr. A.M.C. de Haan, leden, in aanwezigheid van D.M.M. Luijckx, griffier. Als gevolg van de maatregelen rondom het coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak, voor zover nodig, alsnog in het openbaar uitgesproken.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.