Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2020:7633

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
29-09-2020
Datum publicatie
29-09-2020
Zaaknummer
15/116967-19
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vrijspraak art. 6 WVW en OVAR art. 5 WVW door verontschuldigbare onmacht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Team Straf, locatie Alkmaar

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 15/116967-19 (P)

Uitspraakdatum: 29 september 2020

Tegenspraak

Vonnis

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 15 september 2020 in de zaak tegen:

[verdachte]

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres [adres 1]

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie

mr. A.S. Heij en van wat verdachte en zijn raadsvrouw, mr. S. Meijer, advocaat te Beverwijk, naar voren hebben gebracht.

1 Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

primair

hij op of omstreeks 23 december 2018 te Alkmaar als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (Hyundai Atos, met kenteken [kenteken 1] , daarmede rijdende over de weg, Verkeersplein Kooimeer/kruising Vondelweg, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend, met een niet toegestane en/of (zeer onverantwoord) hoge snelheid voor de situatie daar ter plaatse en daarbij een gezien de rijrichting van verdachte rood licht uitstralend verkeerslicht negerend en/of zijn voertuig niet tijdig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover de weg vrij was en te overzien, waardoor hij met dat door hem bestuurde motorrijtuig is opgebotst tegen een voor hem rijdende personenauto (te weten Peugeot 508 met kenteken [kenteken 2] ), waardoor aan een ander, te weten [slachtoffer 1] , zwaar lichamelijk letsel, te weten nek- en rugklachten, en/of waardoor of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan en/of aan een ander, te weten [slachtoffer 2] , zwaar lichamelijk letsel, te weten, nek- en rugklachten
en/of waardoor of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan;

subsidiair
hij op of omstreeks 23 december 2018 te Alkmaar als bestuurder van een motorrijtuig (Hyundai Atos, met kenteken [kenteken 1] , daarmee rijdende over de weg, Verkeersplein Kooimeer/kruising Vondelweg, met een niet toegestane en/of (zeer onverantwoord) hoge snelheid voor de situatie daar ter plaatse en daarbij een gezien de rijrichting van verdachte rood licht uitstralend verkeerslicht heeft genegeerd en/of zijn voertuig niet tijdig tot stilstand heeft gebracht binnen de afstand waarover de weg vrij was en te overzien, door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd;

2 Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het Openbaar Ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3 Beoordeling van het bewijs

3.1.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde feit. Zij heeft daartoe het volgende aangevoerd.

Uit de bewijsmiddelen blijkt dat verdachte met hoge snelheid het verkeersplein is opgereden terwijl het verkeerslicht op rood stond. De auto slingerde en kon nauwelijks de rotonde nemen. Verdachte heeft vervolgens de auto van de slachtoffers van achteren geraakt. Hiermee is volgens de officier van justitie wettig en overtuigend bewezen dat verdachte minst genomen aanmerkelijk onvoorzichtig heeft gereden. Volgens de officier van justitie komt verdachte geen beroep op verontschuldigbare onmacht toe. Hiertoe heeft de officier van justitie aangevoerd dat het niet aannemelijk is geworden dat verdachte een black-out heeft gehad. Door de neuroloog zijn er, in somatische zin, geen aanwijzing gevonden dat er sprake was van een ‘klassieke black-out’. Uit het dossier blijkt slechts dat verdachte na het ongeluk verward was en ook tijdens het onderzoek door de GGZ een paar dagen later een verwarde indruk maakte. Verdachte had geruime tijd niet gegeten en gedronken en medicijnen gebruikt. Dit kan van invloed zijn geweest op zijn welbevinden. Verdachte is in deze toestand echter toch de auto in gestapt en heeft daarmee niet de verantwoordelijkheid genomen die als verkeersdeelnemer van hem kon worden gevergd. Dat maakt volgens de officier van justitie dat het aanmerkelijk onvoorzichtig rijgedrag aan verdachtes schuld te wijten is.

3.2.

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte ten tijde van het ongeval in een toestand van verontschuldigbare onmacht verkeerde. Het handelen van verdachte is een gevolg geweest van een ‘black-out’, althans van tijdelijk verminderd bewustzijn. Dit blijkt onder meer uit de omstandigheden voorafgaand aan het ongeval, het rijgedrag van verdachte, de verklaring van psychiater [psychiater] en het verslag van GGZ- Noord-Holland Noord. Niet bewezen kan worden dat verdachte schuld heeft gehad aan het verkeersongeval op de wijze zoals in het primair ten laste gelegde is bedoeld, zodat verdachte daarvan moet worden vrijgesproken. Ten aanzien van het subsidiair tenlastegelegde moet verdachte worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

3.3

Oordeel van de rechtbank

3.3.1

Vrijspraak met betrekking tot het primair tenlastegelegde
Naar het oordeel van de rechtbank is niet wettig en overtuigend bewezen wat verdachte primair ten laste is gelegd, zodat hij daarvan moet worden vrijgesproken. De rechtbank overweegt daartoe het volgende.

Om tot een bewezenverklaring van overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 (WVW 1994) te kunnen komen, moet worden bewezen dat een verdachte zich in het verkeer zodanig heeft gedragen dat het aan zijn schuld is te wijten dat een verkeersongeval heeft plaatsgevonden. Het juridische begrip ‘schuld’ houdt daarbij in dat minimaal sprake moet zijn van een aanmerkelijke mate van verwijtbare onvoorzichtigheid, onoplettendheid en/of onachtzaamheid. Naar vaste rechtspraak van de Hoge Raad komt het bij de beantwoording van de vraag of sprake is van schuld aan op het geheel van gedragingen van verdachte, de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval.

Op basis van het dossier staat vast dat verdachte met hoge snelheid vanaf de A9 het verkeersplein Kooimeer te Alkmaar is opgereden. Verdachte negeerde hierbij het rode verkeerslicht om het verkeersplein op te rijden. Op het verkeersplein ontstond vervolgens een kop-staart aanrijding waarbij de auto van de slachtoffers van achteren werd geraakt. Door de klap is de auto van de slachtoffers twee keer om zijn as gedraaid. Bij hen is later letsel vastgesteld, waaronder een verschoven nekwervel en overige nek- en rugklachten. Ook hebben zij psychische klachten ervaren. Verdachte is met zijn voertuig dwars de Vondelstraat en het naastliggende fietspad overgestoken en vervolgens de sloot ingereden.

Naar het oordeel van de rechtbank leidt zulk rijgedrag in beginsel tot de conclusie dat verdachte zich aanmerkelijk onoplettend en/of onachtzaam heeft gedragen en dat het verkeersongeluk aan zijn schuld te wijten is. Dit kan echter anders zijn indien feiten en omstandigheden aannemelijk zijn geworden waaruit volgt dat van zodanige schuld niet kan worden gesproken. Hiervan kan bijvoorbeeld sprake zijn als verdachte ten tijde van het ongeval in verontschuldigbare onmacht verkeerde. Voor het honoreren van een beroep op verontschuldigbare onmacht is vereist dat aannemelijk wordt dat verdachte buiten zijn eigen schuld in een toestand is geraakt waarin hij lichamelijk of geestelijk niet in staat was naar behoren te functioneren.

Naar het oordeel van de rechtbank is in dit geval van een dergelijke toestand sprake geweest. Hiertoe wordt het volgende overwogen.

Uit de stukken van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting is gebleken dat verdachte

een kwetsbare man is met een laag niveau van intellectueel functioneren, die vanwege aangekondigde veranderingen op zijn werk al geruime tijd forse stress ervaarde. Over de gebeurtenissen voorafgaand aan het ongeval heeft verdachte in zijn verhoor bij de politie, tegenover specialisten die hem nadien hebben onderzocht en ook ter terechtzitting verklaringen afgelegd. Deze houden in dat hij op de woensdag voorafgaand aan het ongeval met zware migraine naar huis is gegaan en dat hij vervolgens tot zaterdag in bed is gebleven en niet of nauwelijks heeft gegeten of gedronken. Wel heeft hij in die dagen veel Saridon tabletten tegen de migraine ingenomen. Op zaterdag, de dag voor het ongeval, is hij duizelig wakker geworden en is hij thuis gebleven. Van deze dag kan hij zich nauwelijks nog iets herinneren. De dag van het ongeval heeft verdachte naar eigen zeggen beleefd als een droom. Verdachte meende dat hij slachtoffer was van pinpasfraude, al kan hij niet precies aangeven wanneer en hoe. Hij is die zondagavond, hoewel hij nooit in het donker rijdt, in zijn auto naar zijn moeder gereden om haar over de pinpasfraude te vertellen. Zijn moeder woont op vijf minuten rijden van hem vandaan. Volgens verdachte vertelde zijn moeder hem dat hij het waarschijnlijk gedroomd had en maande zij hem voorzichtig te doen, waarna verdachte weer in de auto is gestapt om naar huis te rijden. Hij meent dat dit rond 21.30 uur is geweest. Verdachte is vervolgens verdwaald en kan zich niet herinneren wat er hierna is gebeurd. Hij weet niet meer hoe hij op de snelweg terecht is gekomen - terwijl de rit naar huis niet over de snelweg voert - of dat hij bij verkeersplein Kooimeer is aangekomen en door het rode licht is gereden. Hij weet alleen nog dat hij naar rechts en links stuurde en toen ineens met zijn auto in het water lag. Dit was omstreeks 22.35 uur, zodat op dat moment reeds meer dan één uur was verstreken sinds verdachte bij zijn moeder was vertrokken. Verdachte weet niet waar hij in de tussentijd is geweest. Toen de politie ter plaatse kwam bij het ongeval maakte verdachte volgens de verbalisant een apathische indruk. Hij maakte geen aanstalten om uit de te water geraakte auto te komen of de aandacht te trekken.

Verdachte heeft vervolgens een aantal dagen in het ziekenhuis gelegen en is daar door verschillende specialisten onderzocht. Uit het rapport van GGZ-Noord-Holland Noord volgt dat verdachte op dinsdag 25 december 2018 een verward toestandsbeeld liet zien. Die middag was bij verdachte sprake van bewustheidsdaling en was er geen contact met hem mogelijk. Hij wordt oordeels- en kritiekgestoord geacht en heeft mogelijk ook belevingen (gehad). De arts van de crisisdienst heeft verdachte herbeoordeeld op donderdag 27 december 2018. Zijn conclusie luidt dat het beeld van verdachte het meest doet denken aan een dissociatieve stoornis met in de differentiaaldiagnose een psychotische stoornis NAO. Het bewustzijn van verdachte was op dat moment weer helder en zijn realiteitszin ongestoord. In oktober 2019 is verdachte in het kader van een consult rechtspleging nog gezien door de psychiater [psychiater] , werkzaam bij het NIFP. Zijn conclusie luidt dat er aanwijzingen zijn dat verdachte ten tijde van het ongeval delirant is geweest ten gevolge van dehydratatie en/of lichamelijke vermoeidheid door migraine en/of bijwerkingen van de medicatie (Saridon). Van Saridon is voorts bekend dat het verwardheid en hallucinaties kan veroorzaken. Indien verdachte tijdens het ongeval delirant is geweest, valt volgens [psychiater] een volledige doorwerking te veronderstellen.

Op basis van het voorgaande, in onderling verband en samenhang beschouwd, is de rechtbank van oordeel dat hier sprake is van een zeer specifiek geval, waarin aannemelijk moet worden geacht dat verdachte op de dag van het ongeluk in een dissociatieve dan wel psychotische toestand heeft verkeerd. Het is onder invloed van dit toestandsbeeld dat verdachte die avond in de auto is gestapt en dat hij het ongeval heeft veroorzaakt. Daarom kan hem hiervan geen verwijt worden gemaakt. Nu niet is komen vast te staan dat verdachte schuld heeft gehad aan het ongeval in de zin van artikel 6 van de WVW 1994, zal de rechtbank verdachte vrijspreken van het primair tenlastegelegde.

3.3.2

Redengevende feiten en omstandigheden met betrekking tot het subsidiair tenlastegelegde

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van het subsidiair ten laste gelegde feit op grond van de bewijsmiddelen die in de bijlage bij dit vonnis zijn vervat.

3.4.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het subsidiair ten laste gelegde feit heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 23 december 2018 te Alkmaar als bestuurder van een motorrijtuig (Hyundai Atos, met kenteken [kenteken 1] , daarmee rijdende over de weg, Verkeersplein Kooimeer/kruising Vondelweg, met een onverantwoord hoge snelheid voor de situatie daar ter plaatse een gezien de rijrichting van verdachte rood licht uitstralend verkeerslicht heeft genegeerd en zijn voertuig niet tijdig tot stilstand heeft gebracht binnen de afstand waarover de weg vrij was en te overzien, door welke gedragingen van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt en het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd;

Wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

4 Kwalificatie en strafbaarheid van het feit

Het bewezenverklaarde levert op:

overtreding van het bepaalde in artikel 5 Wegenverkeerswet 1994.

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is derhalve strafbaar.

5 Strafbaarheid van verdachte

Onder verwijzing naar wat de rechtbank onder 3.3.1 heeft overwogen ten aanzien van de vrijspraak van het primair tenlastegelegde is de rechtbank van oordeel dat voor wat betreft de gekwalificeerdere overtreding van artikel 5 van de WVW 1994 sprake is van afwezigheid van alle schuld (in de vorm van verontschuldigbare onmacht) zodat verdachte daarvan in strafrechtelijk opzicht geen verwijt kan worden gemaakt. De rechtbank zal verdachte daarom ten aanzien van het subsidiair tenlastegelegde ontslaan van alle rechtsvervolging.

6 Beslissing

De rechtbank:

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte primair is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat verdachte het subsidiair ten laste gelegde feit heeft begaan zoals hiervoor onder 3.4 weergegeven.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.

Bepaalt dat het bewezen verklaarde feit het hierboven onder 4. vermelde strafbare feit oplevert.

Verklaart de verdachte voor het bewezen verklaarde niet strafbaar en ontslaat de verdachte daarvoor van alle rechtsvervolging.

Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door

mr. M.E. Allegro, voorzitter,

mr. M.S. Lamboo en mr. E.G. van Roest, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffier mr. M.M. van Fraeijenhove,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 29 september 2020.

Mr. M.S. Lamboo is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.