Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2020:7625

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
30-09-2020
Datum publicatie
06-10-2020
Zaaknummer
8286981
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Inhoudsindicatie

geen wanprestatie bij verkoop vordering

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Handel, Kanton en Bewind

locatie Alkmaar

Zaaknr./rolnr.: 8286981 CV EXPL 20-329

Uitspraakdatum: 30 september 2020

Vonnis van de kantonrechter in de zaak van:

Creditline B.V.

gevestigd te Den Haag

eiseres

verder te noemen: Creditline

gemachtigde: mr. P.M. Jongeling

tegen

Stichting WerkErvaringBedrijf Alkmaar h.o.d.n. Ome Piet verhuur en party service

gevestigd te Alkmaar

gedaagde

verder te noemen: Ome Piet verhuur

gemachtigde: mr. R.P. Groot

1 Het procesverloop

1.1.

Creditline heeft bij dagvaarding van 13 januari 2020 een vordering tegen Ome Piet verhuur ingesteld. Ome Piet verhuur heeft schriftelijk geantwoord. Creditline heeft hierop schriftelijk gereageerd, waarna Ome Piet verhuur nog een schriftelijke reactie heeft gegeven.

2 De feiten

2.1.

Creditline is actief als incassobureau. Ome Piet verhuur houdt zich bezig met de verhuur van horeca- en partybenodigdheden.

2.2.

Ome Piet verhuur heeft op 20 januari 2015 aan Steinachstubl (mevrouw [XX] ) een factuur gezonden voor een bedrag van EUR 3.500,- wegens het kwijt raken van een mobiele bar (hierna: de factuur).

2.3.

Ome Piet verhuur heeft op 8 september 2016 een drietal facturen betreffende een totaalbedrag van EUR 4.886,41, waaronder de onder 2.2 genoemde factuur, gecedeerd aan Creditline voor een bedrag van EUR 500,-.

2.4.

Creditline heeft ter incassering van de factuur een procedure gevoerd tegen mevrouw [XX] bij de kantonrechter te Den Haag. Deze heeft de vordering van Creditline, na bewijslevering, afgewezen bij eindvonnis van 31 oktober 2018.

3 De vordering

3.1.

Creditline vordert dat de kantonrechter Ome Piet verhuur veroordeelt tot betaling van EUR 4.608,25, vermeerderd met rente en kosten.

3.2.

Creditline legt aan de vordering ten grondslag – kort weergegeven – dat Ome Piet verhuur bij de overdracht van zijn vordering op mevrouw [XX] wanprestatie heeft gepleegd, omdat hij geen vordering op haar had, wat volgt uit de afwijzing van deze vordering door de kantonrechter in Den Haag. Subsidiair beroept Creditline zich op dwaling.

4 Het verweer

4.1.

Ome Piet verhuur betwist de vordering. Hij voert aan – samengevat – dat na de overdracht van de vordering het incassorisico is overgegaan op Creditline, zodat de afwijzing van de vordering voor haar rekening dient te blijven.

5 De beoordeling

5.1.

Creditline heeft bij dagvaarding onder meer een beroep gedaan op haar algemene voorwaarden. Na verweer door Ome Piet verhuur dat deze voorwaarden niet van toepassing zijn, heeft zij haar stellingen ter zake niet nader onderbouwd, zodat moet worden aangenomen dat deze algemene voorwaarden toepassing missen.

5.2.

Bij conclusie van repliek heeft Creditline nader uitgelegd dat zij haar vordering baseert op de akte van cessie, waarin is vermeld dat Ome Piet verhuur zijn vordering op mevrouw [XX] overdraagt aan Creditline. Nadien is in de procedure bij de kantonrechter in Den Haag echter gebleken dat Ome Piet verhuur ter zake geen vordering had.

5.3.

Deze stellingen van Creditline houden geen stand. Uit het door de kantonrechter op 19 juli 2017 gewezen tussenvonnis blijkt dat de kantonrechter heeft vastgesteld dat de mobiele tap op het moment dat deze verdween al in het bezit was gesteld van Ome Piet verhuur. Het andersluidende betoog van Creditline achtte de kantonrechter niet geloofwaardig. Creditline is vervolgens nog toegelaten te bewijzen dat mevrouw [XX] de tap (desondanks) heeft meegenomen. Uit het eindvonnis blijkt dat Creditline heeft getracht de kantonrechter terug te laten komen op de eindbeslissing dat de tap voordat die verdween al in het bezit was gesteld van Ome Piet verhuur. Dat heeft de kantonrechter niet gedaan. Creditline is evenmin geslaagd in het leveren van het opgedragen bewijs. Uit deze feiten volgt niet dat Ome Piet verhuur ‘geen vordering had’ op het moment van de cessie aan Creditline. Er volgt alleen uit dat die vordering in die procedure niet kon worden vastgesteld. Dat sprake is van een door Ome Piet verhuur gefingeerde vordering, is niet anders onderbouwd dan met de gerechtelijke afwijzing van de vordering in de door Creditline aangespannen procedure. Dat is echter onvoldoende.

5.4.

Om dezelfde reden kan ook het beroep op dwaling niet slagen. Creditline heeft namelijk ook aan die vordering ten grondslag gelegd dat de vordering van Ome Piet verhuur die aan haar is gecedeerd niet bestond. Die stelling heeft zij onvoldoende onderbouwd.

5.5.

De conclusie is dat de kantonrechter de vordering van Creditline zal afwijzen.

5.6.

De proceskosten komen voor rekening van Creditline, omdat zij ongelijk krijgt. Daarbij wordt Creditline ook veroordeeld tot betaling van nasalaris, voor zover daadwerkelijk nakosten door Ome Piet verhuur worden gemaakt.

6 De beslissing

De kantonrechter:

6.1.

wijst de vordering af;

6.2.

veroordeelt Creditline tot betaling van de proceskosten, die tot en met vandaag voor Ome Piet verhuur worden vastgesteld op een bedrag van € 600,- aan salaris van de gemachtigde.

6.3.

veroordeelt Creditline tot betaling van EUR 120,- aan nasalaris, voor zover daadwerkelijk nakosten door Ome Piet verhuur worden gemaakt.

6.4.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad voor wat betreft de proceskostenveroordeling en het nasalaris.

Dit vonnis is gewezen door mr. M. Flipse en op bovengenoemde datum in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.

De griffier De kantonrechter