Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2020:7581

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
05-10-2020
Datum publicatie
16-10-2020
Zaaknummer
AWB - 20_1232
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Proceskostenveroordeling
Inhoudsindicatie

Geen recht op proceskostenvergoeding na intrekking omdat verweerder niet is tegemoetgekomen doordat niet de beslissing op bezwaar maar de aanslag is herzien.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 16-10-2020
FutD 2020-3037
NTFR 2020/2979
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

zittingsplaats Haarlem

Sector bestuursrecht

zaaknummer: HAA 20/1232

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 5 oktober 2020 in de zaak tussen

[X] , te [Z] , eiser

(gemachtigde: K.R.J. van der Hoek),

en

de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Heerlen, verweerder.

Procesverloop

Eiser heeft bij brief van 16 januari 2020 bij de rechtbank Zeeland-West Brabant beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 10 december 2019 (het bestreden besluit) waarbij het bezwaar van eiser tegen de aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen over het jaar 2017, niet-ontvankelijk is verklaard.

Bij brief van 20 januari 2020 heeft de rechtbank Zeeland-West Brabant op grond van artikel 6:15 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) het beroep van eiser naar deze rechtbank doorgezonden ter verdere behandeling.

Op 30 april 2020 heeft verweerder ambtshalve de aanslag 2017 verminderd.


Eiser heeft het beroep bij brief van 28 mei 2020 ingetrokken. Tegelijk met de intrekking van het beroep heeft eiser verzocht om verweerder ingevolge artikel 8:75a, eerste lid, van de Awb bij afzonderlijke uitspraak te veroordelen in de kosten van de procedure bij de rechtbank. Uit de brief van eiser van 15 mei 2020 begrijpt de rechtbank dat eiser verzoekt om toekenning van een integrale proceskostenvergoeding.

De rechtbank heeft bij brief van 3 juni 2020 verweerder in de gelegenheid gesteld een verweerschrift in te dienen. Verweerder heeft bij brief van 9 juni 2020 gereageerd.

Nu partijen niet hebben verzocht om op een zitting te worden gehoord heeft de rechtbank het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. De veroordeling van een partij in de kosten is geregeld in de artikelen 8:75 en 8:75a van de Awb en nader uitgewerkt in het Besluit proceskosten bestuursrecht (het Besluit). In het Besluit zijn nadere regels gesteld over de kosten waarop een veroordeling uitsluitend betrekking kan hebben en over de wijze waarop het bedrag van de kosten wordt vastgesteld.

2. In geval van intrekking van het beroep omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan eiser is tegemoetgekomen, kan ingevolge artikel 8:75a Awb het bestuursorgaan op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak met toepassing van artikel 8:75 van de Awb in de kosten worden veroordeeld. Het verzoek wordt gedaan tegelijk met de intrekking van het beroep.

3. De rechtbank stelt vast dat het beroep is ingetrokken.

4. Het beroep van eiser was gericht tegen de niet-ontvankelijkverklaring door verweerder van het bezwaar van eiser. Nu eiser dit beroep heeft ingetrokken, staat het niet meer ter beoordeling van de rechtbank of verweerder het beroep terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. De ambtshalve vermindering van de aanslag door verweerder is niet aan te merken als tegemoetkoming aan het bezwaar in de zin van artikel 8:75a van de Awb. Van een tegemoetkoming is namelijk geen sprake als het beroep is gericht tegen een besluit waarbij een bezwaar niet-ontvankelijk is verklaard en verweerder niet dat besluit maar de aanslag herziet.

5. In dit geval is geen sprake van tegemoetkomen als bedoeld in 8:75a, van de Awb. Het verzoek tot vergoeding van de proceskosten wordt daarom afgewezen.

Beslissing
De rechtbank wijst het verzoek om verweerder te veroordelen in de proceskosten af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.C. van As, rechter, in aanwezigheid van M. van der Elst, griffier. Deze uitspraak is gedaan op 5 oktober 2020.

Als gevolg van maatregelen rondom het coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak, voor zover nodig, alsnog in het openbaar uitgesproken.

griffier rechter

Afschrift verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te Amsterdam.