Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2020:7570

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
29-09-2020
Datum publicatie
02-10-2020
Zaaknummer
AWB - 20 _ 4633
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Artikel 13b Opiumwet, woningsluiting, handel in xtc, bevoegdheid, noodzaak en evenredigheid

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummer: HAA 20/4633

uitspraak van de voorzieningenrechter van 29 september 2020 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

[verzoeker] , te [woonplaats] , verzoeker

(gemachtigde: mr. M. Stam),

en

de burgemeester van de gemeente Zandvoort, verweerder

(gemachtigde: S. Eljarroudi en M. van der Kamp).

Procesverloop

Bij besluit van 10 augustus 2020 (het primaire besluit) heeft verweerder verzoeker bericht dat hij heeft besloten de woning aan [adres] onder toepassing van spoedeisende bestuursdwang met onmiddellijke ingang te sluiten voor de duur van twaalf maanden. Het bestreden besluit is bij aanvullend besluit van 25 augustus 2020 gemotiveerd.

Verzoeker heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt. Verzoeker heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 september 2020. Verzoeker is verschenen, bijgestaan door mr. S.J. Sattler, als waarnemer van zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.

Overwegingen

1. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

2. Ingevolge artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), kan, indien tegen een besluit, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de bestuursrechter, bezwaar is gemaakt, de voorzieningenrechter van de bestuursrechter die bevoegd kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

3. Op grond van artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet is de burgemeester bevoegd tot oplegging van een last onder bestuursdwang indien in woningen of lokalen dan wel in of op bij woningen of zodanige lokalen behorende erven een middel als bedoeld in lijst I of II wordt verkocht, afgeleverd of verstrekt dan wel daartoe aanwezig is. Onder een last onder bestuursdwang wordt onder meer verstaan het sluiten van een woning.

4. Verweerder heeft aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat uit de bestuurlijke rapportage van de politie Kennemer kust blijkt dat op 2 augustus 2020 een anonieme melding via Meld Misdaad Anoniem werd gedaan, met de strekking dat verzoeker zou handelen in harddrugs, dat er een grote hoeveelheid harddrugs in zijn woning zou liggen en dat er veel aanloop zou zijn rondom zijn woning. De politie heeft op 5 augustus 2020 de woning van verzoeker doorzocht. Daarbij zijn 125 pillen MDMA, brokjes hasj, korrels crystal meth, een potje Europowder inositol, cocaïne en 2 hennepplanten aangetroffen. Ook blijkt uit de rapportage dat in februari 2019 de woning van verzoeker ook is doorzocht en dat daarbij vijf wikkels cocaïne, 12 xtc-pillen en 1 pil ketamine zijn aangetroffen. Zes wikkels cocaïne zijn van het balkon gegooid. Verder is vermeld dat verzoeker bekend is bij de politie vanwege handel in harddrugs, openlijke geweldpleging, heling, bezit vuurwapens, bedreiging, belediging, mishandeling, rijden onder invloed en diefstal. In 2016 en 2017 zijn bij fouillering van verzoeker wikkels cocaïne aangetroffen waarvoor hij gedagvaard is en een gevangenisstraf van vier weken heeft opgelegd gekregen. In juni 2020 is verzoeker aangehouden wegens handel in harddrugs. Verder is vermeld dat uit politieonderzoek is gebleken dat verzoeker drugs voorhanden heeft en dealt vanuit zijn woning. Hij maakt misbruik van mensen die makkelijk beïnvloedbaar zijn, door hen bij hem thuis uit te nodigen, hun pinpas en pincode afhandig te maken of telefoonabonnementen op hun naam af te sluiten.

5. Bij brief van 28 augustus 2020 heeft de woningbouwvereniging de huurovereenkomst met onmiddellijke ingang buitengerechtelijk ontbonden.

Spoedeisend belang bij het verzoek

6. Verweerder betoogt dat verzoeker niet langer een spoedeisend belang heeft bij de beoordeling van het verzoek, omdat de huurovereenkomst buitengerechtelijk is ontbonden en verzoeker in voorlopige hechtenis zit. Verzoeker acht wel spoedeisend belang aanwezig omdat de vraag of de woningbouwcorporatie de ontbinding doorzet mede afhankelijk is van de uitkomst van deze procedure. De woning is nog niet ontruimd.

6.1

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft verzoeker een spoedeisend belang bij beoordeling van het verzoek om voorlopige voorziening. De voorlopige hechtenis is bepaald tot 28 september 2020 en onzeker is of deze daarna wordt verlengd en of verweerder een beslissing op het bezwaar heeft genomen voordat verzoeker in vrijheid wordt gesteld. Ten aanzien van de ontbinding van de huurovereenkomst wijst de voorzieningenrechter erop dat in artikel 231, tweede lid, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek is bepaald dat de verhuurder de overeenkomst op grond van artikel 267 van Boek 6 kan ontbinden wanneer in strijd met artikel 2 of 3 van de Opiumwet is gehandeld en het pand op grond van artikel 13b van de Opiumwet is gesloten. Dit betekent dat als het besluit tot sluiting van de woning op grond van artikel 13b van de Opiumwet geschorst wordt, de huurovereenkomst niet op die grond kan worden ontbonden. Dat is voldoende om spoedeisend belang als bedoeld in artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht aan te nemen. De voorzieningenrechter zal het verzoek daarom inhoudelijk beoordelen.

Voorbereiding van het besluit

7.1

Verzoeker betoogt dat hij niet in de gelegenheid is gesteld om een zienswijze in te dienen. Er is ten onrechte onmiddellijk tot sluiting van de woning overgegaan. De aangetroffen hoeveelheid MDMA pillen was alleen voor een feestje. Verder was verweerder er al langer bekend mee dat hij een harddrugsgebruiker is, maar in die omstandigheid heeft verweerder nooit eerder aanleiding gezien voor een waarschuwing of last onder bestuursdwang.

7.2

Verweerder stelt dat de hoeveelheid harddrugs die bij de doorzoeking zijn aangetroffen maakten dat sprake was van een ernstige dreiging van de openbare orde.

7.3

Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter was de aard en de omvang van de constatering bij de doorzoeking van de woning, 125 pillen harddrugs, in combinatie met de overige informatie over verzoeker neergelegd in de bestuurlijke rapportage, voldoende aanleiding om aan te nemen dat sprake was van vereiste spoed bij de sluiting van de woning. Op grond hiervan heeft verweerder ervan af kunnen zien, verzoeker in de gelegenheid te stellen zijn zienswijze naar voren te brengen, voordat tot woningsluiting zou worden overgegaan. Dat van de informatie in de bestuurlijke rapportage niet zou mogen worden uitgegaan, zoals door verzoeker ter zitting is betoogd, kan de voorzieningenrechter niet volgen, aangezien de bestuurlijke rapportage is opgemaakt op basis van op ambtseed opgemaakte processen-verbaal en politiemutaties. De enkele ontkenning van de juistheid van de informatie is onvoldoende voor het oordeel dat verweerder niet van de juistheid van de informatie uit kan gaan.1

Bevoegdheid tot sluiting

8.1

In geschil is vervolgens of verweerder bevoegd is om met toepassing van artikel 13b van de Opiumwet tot sluiting van de woning over te gaan. Verweerder acht zich bevoegd gelet op de feiten en omstandigheden die aannemelijk maken dat drugs worden verkocht, afgeleverd of verstrekt in de woning en verwijst naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 29 november 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:4024). Verzoeker is het daar niet mee eens, omdat het volgens hem geen handelshoeveelheid betrof. Het is bij de politie bekend dat hij harddrugsgebruiker is en veelal kleine hoeveelheden verdovende middelen voor eigen gebruik voorhanden heeft. Hij is ook nog nooit veroordeeld wegens de handel in harddrugs.

8.2

De voorzieningenrechter is van oordeel dat verweerder terecht op grond van de bestuurlijke rapportage aannemelijk heeft geacht dat in de woning van verzoeker drugs worden verkocht, afgeleverd of verstrekt. In de bestuurlijke rapportage is beschreven dat er op verschillende plaatsen in de woning van verzoeker harddrugs zijn aangetroffen, waaronder 125 pillen MDMA. Als uitgangspunt is aanvaard dat bij aanwezigheid van meer dan 0,5 g harddrugs (het door het openbaar ministerie gehanteerde criterium voor eigen gebruik) de aangetroffen hoeveelheid harddrugs in beginsel (mede) bestemd wordt geacht voor de verkoop, aflevering of verstrekking. Met de aanwezigheid van 125 pillen is de grens van 0,5 g harddrugs ruimschoots overschreden en kan er dus vanuit worden gegaan dat sprake was van een handelshoeveelheid (mede) bestemd voor de verkoop, aflevering of verstrekking, tenzij verzoeker aannemelijk maakt dat dit niet het geval was. Verzoeker is daar naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter niet in geslaagd. De verklaringen van verzoeker dat hij de pillen had gekocht om ze te gebruiken met zijn vrienden tijdens zijn verjaardagsfeest, wat daar ook van zij, leidt juist tot de conclusie dat geen sprake was van eigen gebruik, maar van verstrekken als bedoeld in artikel 13b van de Opiumwet. Dat verzoeker zelf harddrugsgebruiker is en daarom regelmatig kleine hoeveelheden harddrugs aanwezig heeft, leidt niet tot een ander oordeel, aangezien het hier niet gaat om een kleine hoeveelheid drugs voor eigen gebruik.

8.3

Het betoog van verzoeker dat hij nimmer door een strafrechter is veroordeeld voor drugshandel kan hem ook niet baten, omdat de bestuursrechtelijke bevoegdheid van verweerder tot sluiting losstaat van een eventuele strafrechtelijke procedure. Ook is persoonlijke verwijtbaarheid niet vereist voor de bevoegdheid van verweerder om tot sluiting van de woning over te gaan. De persoonlijke verwijtbaarheid is echter wel relevant voor de vraag of de sluiting evenredig is en zal in dat kader nog aan de orde komen.2

8.4

Gelet op het voorgaande was verweerder naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter bevoegd om over te gaan tot sluiting van de woning van verzoeker op grond van artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet.

Noodzakelijkheid en evenredigheid sluiting

9. Als de bevoegdheid tot woningsluiting in beginsel aanwezig is, is vervolgens de vraag aan de orde of verweerder gelet op de aangevoerde omstandigheden in redelijkheid van deze bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken. In dat kader dient in de eerste plaats aan de hand van de ernst en omvang van de overtreding te worden beoordeeld in hoeverre sluiting van een woning noodzakelijk is ter bescherming van het woon- en leefklimaat bij de woning en het herstel van de openbare orde.

9.1

Verzoeker voert aan dat die noodzakelijkheid ontbreekt. De hoeveelheid drugs was ten behoeve van zijn verjaardag gekocht om met vrienden binnenshuis te gebruiken. Er is niets vanuit de woning verkocht, er is geen aanloop en de woning ligt niet in een voor drugscriminaliteit kwetsbare woonwijk. Ook zijn er nooit meldingen van overlast geweest. Volgens verzoeker is ook onjuist dat hij ter zake van vuurwapenbezit en harddrugshandel bekend staat. Hij is vrijgesproken voor vuurwapenbezit, omdat het om een antiek wapen ging. Voorts is volgens verzoeker het soort drugs relevant. Volgens hem is geen sprake van een ernstig geval of recidive van een soortgelijke hoeveelheid harddrugs die de noodzaak tot woningsluiting groter zou maken.

9.2

De voorzieningenrechter is van oordeel dat verweerder de voorliggende situatie als een ernstig geval heeft mogen aanmerken, waardoor sluiting van de woning aangewezen was. Redengevend hiervoor is dat de aangetroffen hoeveelheid harddrugs de in het beleid genoemde grens van 0,5 gram ruimschoots overschrijdt. De aangetroffen hoeveelheid ligt zelfs ruim boven de in het door verweerder gevoerde beleid3 genoemde grens voor een grote handelshoeveelheid van 5 gram. Zoals hiervoor is overwogen, is bij aanwezigheid van 0,5 gram harddrugs in een woning, in beginsel aannemelijk dat deze drugs geheel of gedeeltelijk bestemd zijn voor verkoop, aflevering of verstrekking. Bij grote hoeveelheden harddrugs, moet ook overlast voor de omgeving als een gegeven worden beschouwd. Dat buren hebben verklaard geen overlast te hebben ondervonden, doet daar niet aan af. De voorzieningenrechter merkt daarbij op dat het nog maar de vraag is of de omgeving in dit geval inderdaad geen overlast heeft ervaren, aangezien er twee anonieme meldingen zijn gemaakt bij Meld Misdaad Anoniem. Daarbij komt verder dat uit de bestuurlijke rapportage blijkt dat verzoeker al verschillende keren met politie in aanraking is gekomen vanwege de aanwezigheid van drugs en dat bij een eerdere doorzoeking van de woning van verzoeker in 2019 ook drugs zijn aangetroffen. Gelet op dit laatste is sprake is van recidive. Dat bij de vorige doorzoeking minder drugs zijn aangetroffen maakt dit niet anders. De enkele omstandigheid dat de woning niet in een voor drugscriminaliteit gevoelige woonwijk zou liggen, is onvoldoende voor een ander oordeel.

10. Als sluiting van een woning in beginsel noodzakelijk wordt geacht, neemt dat niet weg dat de sluiting ook evenredig moet zijn. In dit kader worden de verwijtbaarheid en de omstandigheden van verzoeker betrokken.

10.1

Verzoeker heeft aangevoerd dat de gevolgen van de woningsluiting niet evenredig zijn. Van een deel van de pillen wist hij niet eens dat ze in zijn woning lagen. Hij is hier tijdens zijn vorige detentie een tijd niet geweest. Daarnaast is hij nu in een klap zijn woning, uitkering, schuldenregeling en dagbesteding kwijt. Zijn huur is opgezegd en hij heeft geen alternatieve woonruimte. In de daklozenopvang kon hij vanwege zijn enkelband niet terecht. De woningsluiting heeft er ook toe geleid dat hij nu weer in detentie zit. Dat terwijl bekend is dat hij zelf drugsgebruiker is, niet strafrechtelijk is veroordeeld, geen overlast veroorzaakt en de pillen alleen voor eigen gebruik waren. Verweerder had hem eerst moeten waarschuwen, daar waren voldoende momenten voor. Verweerder had met een minder verstrekkende maatregel kunnen volstaan. Onvoldoende is gebleken dat alleen het ultimum remedium kon worden benut.

10.2

Zoals hiervoor onder 8.3 is vermeld kan de vraag of de rechthebbende een verwijt van de overtreding kan worden gemaakt aan de orde komen in het kader van de beoordeling van de evenredigheid van de sluiting. Het ontbreken van iedere betrokkenheid bij de overtreding kan afzonderlijk of tezamen met andere omstandigheden maken dat verweerder niet in redelijkheid van zijn bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken. De voorzieningenrechter volgt verzoeker echter niet in zijn betoog dat sprake is van verminderde verwijtbaarheid, omdat hij niet op de hoogte zou zijn van een deel van de pillen. Nog los van de omstandigheid dat de verklaringen die verzoeker hierover heeft afgelegd niet stroken met de informatie uit de bestuurlijke rapportage, is verzoeker verantwoordelijk voor wat zich in zijn eigen huis afspeelt en kan hij zich in dit kader niet op onwetendheid beroepen.4

10.3

Ten aanzien van de gevolgen die de sluiting van de woning voor verzoeker heeft, overweegt de voorzieningenrechter als volgt. Inherent aan de sluiting van een woning is dat een bewoner de woning moet verlaten. Dit is op zichzelf dan ook geen bijzondere omstandigheid. Uit de door verzoeker aangevoerde omstandigheden blijkt ook niet dat hij een bijzondere binding met de woning had. Dat verzoeker vanwege zijn enkelband van de reclassering in zijn woning moest blijven en niet naar de daklozenopvang zou kunnen, levert niet een dergelijke omstandigheid op, aangezien verzoeker niet aannemelijk heeft gemaakt dat hierover geen afspraken waren te maken met de reclassering. Bovendien is het moeten dragen van een enkelband een omstandigheid die voor rekening en risico van verzoeker komt en waar hij zelf rekening mee had kunnen en moeten houden. Gelet op de ernst van de constatering en de omstandigheid dat verzoeker een verwijt kan worden gemaakt van de overtreding, kunnen de omstandigheden die verzoeker heeft aangevoerd er niet toe leiden dat verweerder niet in redelijkheid gebruik heeft kunnen maken van de bevoegdheid tot woningsluiting. Voor het toepassen van een lichter middel heeft verweerder dan ook geen grond hoeven zien.

11. Verweerder heeft naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter dan ook in redelijkheid kunnen overgaan tot sluiting van verzoekers woning voor de duur van 12 maanden.

12. De voorzieningenrechter wijst het verzoek daarom af.

13. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.


Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. N.M.L. Rogmans, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. E.A.D. Horn, griffier. De uitspraak is gedaan op 29 september 2020. Als gevolg van maatregelen rondom het coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak, voor zover nodig, alsnog in het openbaar uitgesproken.

griffier voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

1 Zie onder 5.3 van de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 29 november 2019, ECLI:NL:RVS:2019:4024.

2 Zie de uitspraak van de Afdeling van 13 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:395.

3 Beleidsregel van de burgemeester van de gemeente Zandvoort houdende regels omtrent aanpak van de illegale handel in soft- en harddrugs Beleidsregels Damocles Zandvoort 2017.

4 Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 27 juni 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2116