Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2020:7476

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
10-08-2020
Datum publicatie
25-09-2020
Zaaknummer
AWB - 18 _ 3949
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Inkomstenbelasting, navorderingsaanslag, ambtelijk verzuim, belastbare inkomsten uit eigen woning, specifieke zorgkosten, correctiebeleid Belastingdienst, verzoek vergoeding van immateriële schade

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 25-09-2020
FutD 2020-2766
V-N Vandaag 2020/2282
NTFR 2020/2778 met annotatie van
V-N 2020/62.6 met annotatie van Redactie
NLF 2020/2137 met annotatie van
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank noord-holland

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummer: HAA 18/3949

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 10 augustus 2020 in de zaak tussen

[X] , wonende te [Z] , eiser

(gemachtigde: J.A. Klaver),

en

de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Amsterdam, verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft aan eiser over het jaar 2012 een navorderingsaanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen opgelegd met dagtekening 19 augustus 2017, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 42.982 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 143. Verweerder heeft daarbij een beschikking inzake belastingrente gegeven ten bedrage van € 78.

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar de navorderingsaanslag en de beschikking inzake belastingrente gehandhaafd.

Eiser heeft daartegen beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Voor bijlage 14 bij het verweerschrift heeft verweerder een beroep gedaan op beperkte kennisname op grond van artikel 8:29 van de Algemene wet bestuursrecht. Bij uitspraak van 22 januari 2020 heeft de geheimhoudingskamer geoordeeld dat dit beroep gerechtvaardigd is.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 juni 2020 te Haarlem.

Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. [A] en [B] .

Overwegingen

Feiten

1. Eiser was in het onderhavige jaar gehuwd met mevrouw [C] (de echtgenote). Zij was zijn fiscale partner.

2. Op 24 juli 2012 heeft de echtgenote een ingreep ondergaan in de kliniek voor vasculaire en algemene heelkunde van dr. [D] te [E] , België. In een brief aan verweerder van 24 april 2018 heeft dr. [D] daarover het volgende verklaard:

“Ondergetekende, dr. [D] , algemeen en vasculair chirurg op rust […] bevestigt hierbij dat [de echtgenote] in mijn kliniek in België, op 24-7-2012 een heelkundige ingreep onderging. De kosten voor deze ingreep bedroegen 2105 euro. Tevens is [de echtgenote] enkele keren naar mijn kliniek in België gereden voor oriënterende gesprekken en na-controles. [De echtgenote] had last van psychische klachten, waarvoor er een noodzaak was voor haar om deze ingreep uit te voeren.”

Geschil
3.Het geschil gaat over de volgende vragen:

  1. Is ter zake van de kosten met betrekking tot de eigen woning sprake van een ambtelijk verzuim dat aan navordering in de weg staat?

  2. Heeft verweerder de belastbare inkomsten uit eigen woning in de navorderingsaanslag tot een te hoog bedrag vastgesteld?

  3. Heeft verweerder in de navorderingsaanslag terecht de door eiser opgevoerde bedragen aan specifieke zorgkosten niet in aftrek toegelaten?

  4. Staat het correctiebeleid van verweerder in de weg aan het opleggen van de navorderingsaanslag?

Beoordeling van het geschil

Ambtelijk verzuim

4. Eiser stelt dat verweerder op de hoogte was van de door hem afgetrokken hypotheekrente. Die wordt immers aan verweerder gerenseigneerd. Hij kon daarom niet later middels een navorderingsaanslag op het in aftrek toegelaten bedrag terugkomen.

5. Verweerder betoogt dat de inhoud van de aangifte in dit geval geen aanleiding gaf voor een nader onderzoek. Pas bij het opvragen van de onderbouwing voor de in de aangifte in aftrek gebrachte bedragen bleek dat eiser niet aan zijn bewijslast kon voldoen.

6. Dienaangaande overweegt de rechtbank als volgt. Eiser heeft in zijn aangifte een bedrag van € 6.404 in aftrek gebracht ter zake van betaalde rente en kosten van geldleningen voor de eigen woning. In de navorderingsaanslag wordt de betaalde rente ten bedrage van € 6.208, zoals die blijkt uit de door eiser overgelegde financiële overzichten, in aftrek toegelaten. Voor het verschil tussen het – volgens eiser gerenseigneerde – bedrag aan rente en het in de aangifte in aftrek gebrachte bedrag, bestond naar het oordeel van de rechtbank een niet onwaarschijnlijke verklaring, namelijk dat het in aftrek gebrachte bedrag mede betrekking had op kosten van geldleningen als bedoeld in artikel 3.120, eerste lid, letter a, van de van de Wet inkomstenbelasting 2001 (tekst 2012; Wet IB 2001). Op dit punt bestaat tussen partijen kennelijk ook geen verschil van inzicht, aangezien eiser ter zitting heeft betoogd dat het verschil tussen de rente die in de aangifte in aftrek wordt gebracht en de rente die in de navorderingsaanslag in aftrek is toegelaten, betrekking moet hebben op het royement van een hypotheeklening die is afgelost. Daarom is de rechtbank van oordeel dat zich hier niet een ambtelijk verzuim voordoet dat aan navordering in de weg staat (vgl. HR 12 maart 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL7165).

Belastbare inkomsten uit eigen woning

7. Eiser betoogt, zoals hiervoor vermeld, dat het verschil van € 196 tussen de kosten met betrekking tot de eigen woning die in de aangifte in aftrek zijn gebracht en het bedrag dat ter zake in de navorderingsaanslag in aftrek is toegelaten, betrekking moet hebben op het royement van een hypotheeklening na aflossing daarvan. Hij meent dat hij daarom recht heeft op aftrek van dit bedrag.

8. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de inkomsten uit eigen woning in de navorderingsaanslag eerder op een te laag, dan een te hoog bedrag zijn gesteld. In de navorderingsaanslag is immers geen rekening gehouden met het feit dat eiser en de echtgenote tot 23 februari 2012 op verschillende adressen woonden. Omdat zij geen keuze hebben gemaakt als bedoeld in artikel 3.111, achtste lid, van de Wet IB 2001, kan op grond van artikel 3.111, negende lid, aanhef en letter b, van de Wet IB 2001 geen van beide woningen in die periode als hoofdverblijf worden aangemerkt. Na herrekening van het eigenwoningforfait en de aftrekbare rente zouden de inkomsten uit eigen woning volgens verweerder dan uitkomen op -/- € 3.528. Verweerder betwist overigens dat op eiser royementskosten hebben gedrukt, omdat daarvan geen betalingsbewijzen zijn overgelegd.

9. De rechtbank oordeelt over dit geschilpunt als volgt. Op grond van artikel 3.120, eerste lid, aanhef en letter a, van de Wet IB 2001 behoren de kosten van geldleningen die behoren tot de eigenwoningschuld tot de aftrekbare kosten met betrekking tot een eigen woning. Gelet op de betwisting van de royementskosten door verweerder rust op eiser de last aannemelijk te maken dat zodanige kosten van een geldlening op hem gedrukt hebben. Eiser heeft evenwel in het geheel geen bewijsstukken ingebracht ter onderbouwing van zijn stelling. Hij is daarom naar het oordeel van de rechtbank niet geslaagd in de op hem rustende bewijslast. Verweerder heeft de kosten terecht niet in aftrek toegelaten.

10. Omdat de rechtbank de navorderingsaanslag niet op een hoger bedrag kan stellen dan is gebeurd in de uitspraak op bezwaar, behoeft de stelling van verweerder dat de navorderingsaanslag op dit punt tot een te laag bedrag is vastgesteld, geen behandeling.

Specifieke zorgkosten

11. Eiser heeft de door hem in aftrek gebrachte zorgkosten als volgt gespecificeerd:

Operatiekosten te België € 2.135

Reiskosten België 4 x 500 km à € 0,35 € 700

Tandarts € 25

Bloedonderzoeken € 80

Buikband € 100

Diverse reiskosten € 25

12. De echtgenote heeft in 2012 een operatie ondergaan in België. Eiser heeft daaromtrent een verklaring van de medisch specialist die de operatie heeft uitgevoerd en twee kwitanties overgelegd. De ingreep betreft volgens eiser een liposuctie. Deze is uitgevoerd wegens psychische klachten, aldus eiser. De echtgenote werkt als stewardess. In die wereld hadden haar collega’s een mooie uiterlijke vorm en de echtgenote leed eronder dat zij aan dat ideaal niet voldeed. Daarom heeft zij de operatie moeten ondergaan. Nu deze kosten door de zorgverzekeraar niet worden vergoed, meent eiser dat deze in aftrek kunnen worden gebracht als specifieke zorgkosten. Eiser is voor de operatie vier maal naar België gereisd en wil daarvoor reiskosten in aftrek brengen ter hoogte van € 700. Wat betreft de overige kosten zijn de bloedonderzoeken volgens eiser uitgevoerd in het kader van de operatie. Eiser stelt dat de echtgenote de buikband heeft moeten gebruiken ter bevordering van de wondgenezing. De uitgaven voor de tandarts zijn volgens eiser daadwerkelijk gemaakt; anders had hij ze niet opgevoerd.

13. Verweerder betwist dat de door eiser opgevoerde kosten in verband met de operatie zijn gedaan wegens ziekte en invaliditeit. Volgens verweerder is sprake van een cosmetische ingreep waarvoor geen medische noodzaak bestond. Verweerder heeft een advertentie van dr. [D] overgelegd, afkomstig uit De Tilburgse Koerier van 16 december 2004 en getiteld ‘Medische vibro-liposculptuur: figuurcorrectie onder locale anesthesie’. Verweerder maakt daaruit op dat de arts die de operatie heeft uitgevoerd, figuurcorrecties doet. Het gaat om een chirurg die niet kan beoordelen of sprake is van een psychische ziekte. Verweerder betoogt dat indien sprake is van psychische klachten, de behandeling wordt vergoed door de verzekering; zo niet, dan is ook geen sprake van medische noodzaak. Verweerder betwist voorts dat de echtgenote zo veel overgewicht had dat sprake was van ziekte of invaliditeit, omdat werkgevers van stewardessen dat niet toestaan. Omdat geen sprake is van geneeskundige hulp, zijn ook de vervoerskosten niet aftrekbaar. Overigens lopen de verklaringen van eiser en de arts over het aantal bezoeken aan de kliniek uiteen. Verweerder wijst erop dat van de bloedonderzoeken en de tandartskosten geen stukken zijn overgelegd.

14. Op grond van artikel 6.17, eerste lid, aanhef en letter a, van de Wet IB 2001 worden als uitgaven voor specifieke zorgkosten aangemerkt de uitgaven die wegens ziekte of invaliditeit zijn gedaan voor genees- en heelkundige hulp, met uitzondering van ooglaserbehandelingen ter vervanging van bril of contactlenzen. Om te kunnen oordelen dat uitgaven zijn gedaan wegens ziekte of invaliditeit, is nodig dat die uitgaven in direct verband met de ziekte of invaliditeit kunnen worden gebracht en de belastingplichtige zich daaraan op grond van medische noodzaak redelijkerwijs niet kon onttrekken (zie Kamerstukken II 1969/70, 10 790, nr. 3, p. 17 en de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 28 oktober 2010, ECLI:NL:GHAMS:2010:BO9020, r.o. 5.2).

15. Gelet op de medische expertise die nodig is om vast te stellen of een medische noodzaak bestond voor een behandeling die in aftrek gebrachte uitgaven heeft veroorzaakt, kan een belastingplichtige bij zijn bewijsvoering op dit punt naar het oordeel van de rechtbank in de regel volstaan met het overleggen van een verklaring van een arts, zoals eiser dat heeft gedaan. In dit specifieke geval is de overgelegde verklaring naar het oordeel van de rechtbank echter niet toereikend. De rechtbank acht daarbij met name de volgende omstandigheden van belang. Ten eerste is dr. [D] een chirurg, en daarom niet zonder meer de aangewezen persoon om psychische ziekten te diagnosticeren. Ten tweede is de verklaring van dr. [D] meer dan vijf jaar na de operatie afgegeven en kenmerkt deze zich door een hoge mate van vaagheid, zowel waar het gaat om de psychische problemen van de echtgenote, als waar het de uitgevoerde ingreep betreft. Ten derde is gesteld noch gebleken dat de echtgenote enige (andere) behandeling voor psychische klachten heeft ondergaan. Deze omstandigheden in onderlinge samenhang in ogenschouw nemend, is de rechtbank van oordeel dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat de uitgaven voor de liposuctie wegens ziekte of invaliditeit zijn gedaan. Dat betekent dat de uitgaven voor de operatie en de daarmee samenhangende uitgaven voor de reizen naar België, de bloedonderzoeken en de buikband, terecht niet in aftrek zijn toegelaten.

16. Met betrekking tot de overige reiskosten en de uitgaven voor tandartsbezoeken overweegt de rechtbank dat eiser deze evenmin aannemelijk heeft gemaakt, omdat hij daarvoor geen bewijsstukken heeft overgelegd. De enkele verklaring van eiser dat de kosten daadwerkelijk zijn gemaakt is in dit geval naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende om de kosten in aftrek toe te laten.

Correctiebeleid

17. Eiser betoogt dat het correctiebeleid van verweerder in de weg staat aan navordering, omdat, indien zijn beroepsgronden met betrekking tot de hypotheekrente en/of de specifieke zorgkosten slagen, de inkomenscorrectie waarop de navorderingsaanslag betrekking heeft, lager is dan € 1.000 en het bedrag van de na te vorderen belasting minder dan € 450 bedraagt.

18. Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiser geen vertrouwen kan ontlenen aan het correctiebeleid, omdat eiser niet aan de voorwaarden om een navorderingsaanslag achterwege te laten voldoet. De navorderingsaanslag is opgelegd naar een bedrag van € 563, zodat geen sprake is van een navorderingsaanslag van een bedrag van lager dan € 450.

19. Het door verweerder gehanteerde correctiebeleid van 30 maart 2011, versie 2.1, luidt, voor zover hier van belang, als volgt:

“1. In de visie van de Belastingdienst past het niet om aan belastingplichtige een belastingaanslag naar aanleiding van positieve1 [voetnoot: Positief vanuit de fiscus gezien, resulterend in een aan de ontvanger te betalen of af te dragen bedrag. Positief hier ook in de zin van een positief saldo van positieve en negatieve correcties.] correcties op de grondslag op te leggen, die slechts een “gering bedrag” aan te betalen belasting inhoudt. Hier kan gesproken worden van een bepaalde irritatiegrens bij belastingplichtige die invloed kan hebben op zijn complient gedrag. Zeker als het “bedrag” voor de belastingplichtige in geen verhouding staat tot de administratieve gevolgen van de correcties.

Tevens moet ook in ogenschouw worden genomen, de verhouding tussen de kosten van het opleggen van een aanslag sec en de opbrengst.

[…]

4. Het te hanteren bedrag bij een navordering bedraagt € 450 (c.q. € 1.000 inkomen), behoudens in gevallen waarin sprake is van kwade trouw of repeterende onjuistheden.

[…]

9. In die gevallen dat belastingplichtige inspeelt op dit interne correctiebeleid is het mogelijk dat hiervan afgeweken kan worden. Bijvoorbeeld dat de belastingplichtige door het verstrekken van onjuiste gegevens inspeelt op het correctiebeleid.”

20. Het op de navorderingsaanslag te betalen bedrag bedraagt € 563. In dit bedrag is € 78 aan belastingrente begrepen. Uit de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 28 mei 2020, ECLI:NL:GHAMS:2020:1409, r.o. 5.3.1.1 leidt de rechtbank af dat de belastingrente niet in aanmerking dient te worden genomen bij de vaststelling of het na te vorderen bedrag € 450 of meer is. In dit geval is voor toepassing van het correctiebeleid derhalve sprake van een na te vorderen bedrag van 563 -/- 78 = € 485. Dit bedrag is noch in bezwaar, noch in beroep verminderd. Dat betekent dat de grens van € 450 wordt overschreden en eiser geen beroep kan doen op het correctiebeleid. Overigens bedraagt de inkomenscorrectie in de navorderingsaanslag 196 (eigen woning) + 959 (specifieke zorgkosten) = € 1.155, zodat het beroep van eiser op het correctiebeleid ook daarop afstuit.

Slotsom

21. Gelet op het vorenoverwogene dient het beroep ongegrond te worden verklaard.

Beoordeling van het verzoek om vergoeding van immateriële schade

22. Eiser heeft verzocht om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn.

23. Bij de beoordeling van de vraag of de redelijke termijn is overschreden moet worden aangesloten bij de uitgangspunten als neergelegd in het arrest van de Hoge Raad van 22 april 2005, ECLI:NL:HR:2005:AO9006. Voor een uitspraak in eerste aanleg heeft te gelden dat deze niet binnen een redelijke termijn geschiedt indien de rechtbank niet binnen twee jaar nadat die termijn is aangevangen uitspraak doet, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden. De termijn vangt als regel aan op het moment waarop verweerder het bezwaarschrift ontvangt. Indien de redelijke termijn is overschreden, dient als uitgangspunt voor de schadevergoeding een tarief te worden gehanteerd van € 500 per half jaar dat die termijn is overschreden, waarbij ter bepaling van de totale vergoeding de geconstateerde overschrijding naar boven wordt afgerond. Op grond van de arresten van de Hoge Raad van 22 maart 2013, ECLI:NL:HR:2013:BX6666 en van 9 augustus 2013, ECLI:NL:HR:2013:199 is een termijn van zes maanden voor de behandeling van een bezwaar redelijk en voor de behandeling van een beroep een termijn van anderhalf jaar. De rechtbank zal de toerekening van de overschrijding van de redelijke termijn bepalen met inachtneming van het overzichtsarrest van de Hoge Raad van 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252.

24. De berechting van deze zaak is aangevangen met de ontvangst van het bezwaarschrift door verweerder op 25 september 2017 en geëindigd met de uitspraak van de rechtbank op 5 augustus 2020. De voor de procedure in eerste aanleg in aanmerking te nemen termijn bedraagt derhalve afgerond vijfendertig maanden. Van bijzondere omstandigheden die een langere termijn dan twee jaar rechtvaardigen, is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake. De redelijke termijn is daarom overschreden met afgerond elf maanden. Daarmee correspondeert een vergoeding van immateriële schade van € 1.000.

25. Van de overschrijding met afgerond elf maanden is een periode van afgerond vijf maanden toe te rekenen aan de bezwaarfase, die is voltooid toen verweerder met dagtekening 26 juli 2018 uitspraak op bezwaar deed. Het restant van zes maanden wordt toegerekend aan de beroepsfase. Verweerder dient daarom 5/11 deel van € 1.000 te betalen (€ 455) en de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid) 6/11 deel (€ 545).

26. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, zal de rechtbank verweerder veroordelen tot het betalen van een schadevergoeding van € 455 en zal zij de Minister van Justitie en Veiligheid veroordelen tot het betalen van een schadevergoeding van € 545.

Proceskosten

27. Naar het oordeel van de rechtbank bestaat in deze zaak aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 525 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 525 en een wegingsfactor 0,5 nu de proceskostenvergoeding uitsluitend wordt toegekend vanwege de immateriële schadevergoeding, vgl. het arrest van de Hoge Raad van 20 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:660, r.o. 2.3.2).

28. Op grond van het arrest van de Hoge Raad van 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252, r.o. 3.14.2 zal de vergoeding van dit bedrag deels moeten plaatsvinden door verweerder en deels door de Minister van Justitie en Veiligheid, waarbij om redenen van eenvoud en uitvoerbaarheid dient te worden uitgegaan van een verdeling waarbij ieder van hen de helft betaalt. Hetzelfde heeft te gelden voor de vergoeding van het griffierecht.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond;

- veroordeelt verweerder tot vergoeding van de immateriële schade van eiser tot een bedrag van € 455;

- veroordeelt de Minister van Justitie en Veiligheid tot vergoeding van de immateriële schade van eiser tot een bedrag van € 545;

- veroordeelt verweerder en de Minister van Justitie en Veiligheid in de proceskosten van eiser, ieder tot een bedrag van € 262,50; en

- draagt verweerder en de Minister van Justitie en Veiligheid op het betaalde griffierecht aan eiser te vergoeden, ieder tot een bedrag van € 23.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C. Maas, rechter, in aanwezigheid van mr. S.A. Carter, griffier. Deze uitspraak is gedaan op 10 augustus 2020. Als gevolg van maatregelen rondom het coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak, voor zover nodig, alsnog in het openbaar uitgesproken.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na verzending hoger beroep instellen bij het gerechtshof Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312,

1000 BH Amsterdam.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.