Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2020:7471

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
05-08-2020
Datum publicatie
25-09-2020
Zaaknummer
AWB - 19 _ 3006
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

IB. In geschil is of de aftrek zorgkosten op het juiste bedrag is vastgesteld. De rechtbank komt tot het oordeel dat verweerder de door eiseres geclaimde aftrek in verband met extra uitgaven voor kleding en beddengoed ten onrechte heeft geweigerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 25-09-2020
FutD 2020-2768
V-N Vandaag 2020/2281
V-N 2020/55.21.4
NTFR 2020/2863
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank noord-holland

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummers: HAA 19/3006 en HAA 19/3007

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 5 augustus 2020 in de zaken tussen

[X] , wonende te [Z] , eiseres

(gemachtigde: J.A. Klaver),

en

de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Amsterdam, verweerder.

Procesverloop

HAA 19/3006

Verweerder heeft aan eiseres voor het jaar 2013 een navorderingsaanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (ib/pvv) opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning (tevens verzamelinkomen) van € 17.961. Bij afzonderlijke beschikking is € 233 aan belastingrente in rekening gebracht.

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar de navorderingsaanslag verminderd tot een aanslag berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning (tevens verzamelinkomen) van € 15.644 en de beschikking belastingrente verminderd tot € 117.

HAA 19/3007

Verweerder heeft aan eiseres voor het jaar 2014 een navorderingsaanslag ib/pvv opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning (tevens verzamelinkomen) van € 18.181. Bij afzonderlijke beschikking is € 186 aan belastingrente in rekening gebracht.

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar de navorderingsaanslag verminderd tot een aanslag berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning (tevens verzamelinkomen) van € 16.081 en de beschikking belastingrente verminderd tot € 112.

Gezamenlijk

Eiseres heeft daartegen beroep ingesteld.

Verweerder heeft verweerschriften ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 juni 2020 te Haarlem. Eiseres is vertegenwoordigd door gemachtigde voornoemd. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. [A] en [B] .

Overwegingen

Feiten

1. Eiseres is ongehuwd en staat de onderhavige jaren met haar twee kinderen [C] (geboortedatum [#] ) en [D] (geboortedatum [#] ) ingeschreven op het adres [E] te [Z] .

2. Op 31 maart 2014 heeft de gemachtigde voor eiseres haar aangifte ib/pvv voor het jaar 2013 op papier ingediend en daarin een bedrag aan inkomsten uit vroegere dienstbetrekking opgegeven van € 17.961 en een aftrek in verband met specifieke zorgkosten van € 4.618, hetgeen resulteert in een bedrag aan belastbaar inkomen uit werk en woning van € 13.343. De (primitieve) aanslag ib/pvv 2013, die is gedagtekend 16 december 2015, is conform de aangifte opgelegd.

3. Op 20 maart 2015 heeft de gemachtigde voor eiseres haar aangifte ib/pvv voor het jaar 2014 op papier ingediend en daarin een bedrag aan inkomsten uit vroegere dienstbetrekking opgegeven van € 18.181 en een aftrek in verband met specifieke zorgkosten van € 5.279, hetgeen resulteert in een bedrag aan belastbaar inkomen uit werk en woning van € 12.902. De (primitieve) aanslag ib/pvv 2014, die is gedagtekend 9 april 2016, is conform de aangifte opgelegd.

4. Op 14 maart 2017 heeft verweerder eiseres gevraagd om bewijsstukken met betrekking tot de door haar afgetrokken specifieke zorgkosten voor de jaren 2013 en 2014. Verweerder heeft geen bewijsstukken van eiseres ontvangen. Bij brief van 5 september 2017 heeft verweerder eiseres meegedeeld voornemens te zijn de aangegeven aftrek in verband met specifieke zorgkosten voor beide jaren na te vorderen en heeft hij eiseres in de gelegenheid gesteld hierop te reageren. Bij brief van 20 september 2017 heeft de gemachtigde van eiseres daarop gereageerd. In deze brief geeft hij aan het niet eens te zijn met de aankondiging op formele gronden, maar hij heeft daarbij geen bewijsstukken overgelegd. Bij brief van 17 oktober 2017 heeft verweerder aan eiseres meegedeeld dat omdat er geen bewijsstukken ter onderbouwing van de aftrekposten zijn overgelegd, de door hem aangekondigde navorderingsaanslagen zullen worden opgelegd.

5. Met dagtekening 11 november 2017 heeft verweerder eiseres de onderhavige navorderingsaanslagen opgelegd. Eiseres heeft daartegen bezwaar gemaakt en bewijsstukken overgelegd ter onderbouwing van de door haar geclaimde aftrek ziektekosten en er heeft een hoorgesprek plaatsgevonden. Bij de bestreden uitspraken op bezwaar heeft verweerder de bezwaren deels toegewezen en het belastbaar inkomen uit werk en woning verminderd tot € 15.644 voor het jaar 2013 en € 16.081 voor het jaar 2014. Verweerder heeft het verzoek van eiseres om een kostenvergoeding afgewezen.

Geschil
6. In geschil is of de navorderingsaanslagen terecht en naar de juiste bedragen zijn opgelegd. Meer in het bijzonder is in geschil of de aftrek zorgkosten op het juiste bedrag is vastgesteld. Voorts is in geschil of verweerder het verzoek van eiseres om een kostenvergoeding voor de bezwaarfase terecht heeft afgewezen. Ter zitting heeft de gemachtigde van eiseres desgevraagd verklaard geen beroep te doen op het ontbreken van een nieuw feit en op het vertrouwensbeginsel.

7. De gemachtigde van eiseres stelt dat eiseres in haar aangiften zorgkosten heeft opgevoerd die een structureel karakter hebben. Eiseres is zwaar ondervoed en lijdt aan huidproblemen. Ook haar dochters, waarvan er één eveneens lijdt aan huideczeem, dienden op medisch voorschrift een dieet te volgen. Verweerder heeft de aftrekken in verband met dieetkosten en extra uitgaven voor kleding en beddengoed ten onrechte niet volledig geaccepteerd aangezien eiseres haar recht hierop heeft onderbouwd middels het overleggen van medische verklaringen. De gemachtigde van eiseres erkent dat eiseres niet in het bezit was van een eigen auto, maar stelt dat het onredelijk is om aan te nemen dat zij geen reiskosten zou hebben moeten maken voor het bezoek aan haar dochter tijdens haar langdurige opname in Amsterdam, hetgeen eveneens geldt voor de vervoerskosten ten behoeve van haarzelf en haar dochters. Het integraal schrappen van de aftrekposten voor vervoerskosten in verband met ziekte of invaliditeit en reiskosten in verband met ziekenbezoek is dan ook onjuist. Ten slotte stelt eiseres zich op het standpunt dat verweerder eiseres ten onrechte geen kostenvergoeding voor de bezwaarfase heeft toegekend gezien het chronische karakter van de door eiseres afgetrokken zorgkosten.

Eiseres concludeert tot gegrondverklaring van de beroepen, vernietiging van de uitspraken op bezwaar en vermindering van de navorderingsaanslagen ib/pvv 2013 en 2014.

8. Verweerder stelt dat de navorderingsaanslagen terecht en naar de juiste bedragen zijn opgelegd en dat eiseres geen recht heeft op een kostenvergoeding voor de bezwaarfase.

Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van de beroepen.

Beoordeling van het geschil

9. Op grond van artikel 6.1, eerste lid, aanhef en onderdeel a, juncto het tweede lid, aanhef en onderdeel d, van de Wet inkomstenbelasting 2001, wettekst 2013 en 2014, (hierna: Wet IB 2001) komen voor aftrek in aanmerking de op eiseres drukkende uitgaven voor specifieke zorgkosten (afdeling 6.5 van de Wet IB 2001). De specifieke zorgkosten zijn limitatief opgesomd in artikel 6.17 van de Wet IB 2001 en de daarop gebaseerde Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001 (hierna: URIB 2001).

10. De bewijslast inzake het bestaan van uitgaven voor specifieke zorgkosten rust op eiseres. Daarbij dient eiseres aannemelijk te maken dat de kosten op haar hebben gedrukt conform het bepaalde in artikel 6.1, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van de Wet IB 2001 en dat aan de eventuele overige voorwaarden voor aftrek is voldaan. De rechtbank zal aan de hand van de opgevoerde kostenposten beoordelen of eiseres aan haar bewijslast heeft voldaan.

Vervoerskosten in verband met ziekte of invaliditeit en reiskosten in verband met ziekenbezoek

11. Artikel 6.17, eerste lid, aanhef en onderdelen b en h, en zesde lid, van de Wet IB 2001 luiden als volgt:

“1 Uitgaven voor specifieke zorgkosten zijn de uitgaven die wegens ziekte of invaliditeit zijn gedaan voor:

(…)

b. vervoer;

(…)

h. reizen in verband met het regelmatig bezoeken van wegens ziekte of invaliditeit langer dan een maand verpleegde personen met wie de bezoeker bij aanvang van de ziekte of invaliditeit een gezamenlijke huishouding voerde, indien de afstand tussen de woning of verblijfplaats van de bezoeker en de plaats waar de verpleging plaatsvindt, gemeten langs de meest gebruikelijke weg meer beloopt dan 10 kilometer.

(…)

6. De uitgaven, bedoeld in het eerste lid, onderdeel h, worden in aanmerking genomen, indien wordt gereisd:

a. per auto anders dan per taxi: voor € 0,19 per kilometer;

b. op andere wijze: voor de werkelijke kosten”

12. Eiseres heeft voor de jaren 2013 en 2014 bedragen wegens vervoers- en reiskosten geclaimd in verband met het brengen en ophalen van haar dochter [C] naar het [F] in het kader van een opname aldaar alsmede in verband met het bezoeken van haar dochter in het [F] ten tijde van de opname van haar dochter, en in verband met bezoeken aan de GGZ door haar dochter. Door de gemachtigde van eiseres is in de bezwaarfase ter onderbouwing van deze kosten een overzicht overgelegd met daarop afspraken van [C] bij de GGZ-NHN in de jaren 2013 en 2014 en een verklaring van een psychiater van het [F] , waarin staat vermeld dat [C] van 17 december 2013 tot en met 10 maart 2014 opgenomen is geweest in het [F] . De geclaimde aftrek vervoerskosten in verband met ziekte of invaliditeit van in totaal € 183 en de geclaimde aftrek reiskosten in verband met ziekenbezoek van in totaal € 192 gaan uit van de kosten van vervoer per auto. De gemachtigde van eiseres heeft erkend dat eiseres niet over een auto beschikt en heeft ter zitting verklaard te veronderstellen dat eiseres met het openbaar vervoer heeft gereisd. De rechtbank is van oordeel dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij de door haar gestelde kosten heeft gemaakt nu een specificatie van de gestelde kosten en betaalbewijzen ontbreken en onvoldoende duidelijkheid bestaat over de wijze waarop zou zijn gereisd.

Dieetkosten

13. Artikel 6.17, eerste lid, aanhef en onderdeel f, van de Wet IB 2001, rekent tot de aftrekbare uitgaven wegens ziekte of invaliditeit, de extra kosten van een op medisch voorschrift gehouden dieet. De omvang van de aftrek van dieetkosten wordt forfaitair bepaald aan de hand van de zogenoemde dieetkostentabel die is opgenomen in artikel 37 van de URIB 2001.

14. Eiseres stelt dat zij een dieet heeft moeten volgen in verband met ondervoeding, waarvoor geldt dat een aftrek dient te worden verleend van € 850, en verwijst ter onderbouwing hiervan naar de verklaring van haar huisarts die door haar is overgelegd. Deze verklaring heeft een voorbedrukte kop waarin staat vermeld “2015 Dieetbevestiging” en is gedagtekend 6 september 2016. Op de verklaring is met pen bijgeschreven “vanaf 2013-2014”. Blijkens het hoorverslag is hierover tijdens het hoorgesprek dat heeft plaatsgevonden op 4 februari 2019 het volgende verklaard:

“De inspecteur laat aan gemachtigde een door hem op 3 november 2016 ontvangen kopie dieetbevestiging 2015 zien gedagtekend en ondertekend op 6 september 2016. Daarnaast laat hij een door hem recentelijk, tijdens de bezwaarfase, ontvangen kopie dieetbevestiging 2015 zien welke gelijk is aan de eerdere maar waar naast het gedrukte jaartal 2015 met pen 2013-2014 is bijgeschreven. De inspecteur geeft de cautie en vraagt vervolgens hoe dit mogelijk is. De gemachtigde geeft aan dat het bijgeschrevene waarschijnlijk door mevrouw is bijgeschreven. Wij (gemachtigde en zijn kantoorgenoot) hebben dat niet ingevuld. Hij vind het overigens niet vreemd want bij ingangsdatum/einddatum staat permanent.

De voorzitter geeft aan dat de schijn van vervalsing is gewekt door de jaartallen 2013-2014 er bij te zetten. De inspecteur geeft aan dat er sprake is van een dieet wegens ondervoeding en dat het naar zijn mening onwaarschijnlijk is dat sprake is van een dieet wat onbeperkt voorgeschreven is. De gemachtigde geeft aan dat het bijschrijven van de jaartallen een uitwerking is van het woord permanent. De inspecteur vraagt wat de ingangsdatum is. De gemachtigde geeft aan dat hij de huisarts gaat vragen wat hij bedoelt met permanent en wat de ingangsdatum is van het dieet.”

Bij brief van 20 februari 2019 heeft de gemachtigde van eiseres aan verweerder meegedeeld dat het niet gelukt is om opnieuw een door de huisarts ondertekende dieetverklaring met ingangsdatum te verkrijgen.

15. Eiseres heeft naar het oordeel van de rechtbank met het overleggen van de dieetverklaring niet aannemelijk gemaakt dat zij in 2013 en 2014 op medisch voorschrift een dieet in verband met ondervoeding heeft gevolgd. Immers, een met gelijke datum getekende verklaring is eveneens door eiseres overgelegd aan verweerder naar aanleiding van vragen over haar aangifte ib/pvv 2015. Op die ter zitting in deze procedure overgelegde verklaring, die qua inhoud en vormgeving geheel gelijk is aan de in bezwaar in deze procedure ingebrachte verklaring, ontbreken de met de hand bijgeschreven jaartallen 2013-2014. De rechtbank leidt daaruit af dat die toevoeging, die in een ander handschrift is geschreven, is aangebracht nadat de huisarts zijn handtekening heeft geplaatst. Naar het oordeel van de rechtbank kan deze verklaring, met na 6 september 2016 door of namens eiseres aangebrachte toevoegingen daarom voor de jaren 2013 en 2014 niet als afdoende bewijs worden aanvaard. De stelling van eiseres dat het woord “permanent” op een op 6 september 2016 door de huisarts getekende verklaring voor het jaar 2015 er op wijst dat de dieetkosten ook al in 2013 en 2014 speelden wordt verworpen, nu er geen enkele onderbouwing van de juistheid van deze stelling is. Verweerder heeft de door eiseres geclaimde aftrek hiervoor dan ook terecht gecorrigeerd.

Extra uitgaven kleding en beddengoed

16. Artikel 6.17, eerste lid, aanhef en onderdeel g, van de Wet IB 2001, rekent tot de aftrekbare uitgaven wegens ziekte en invaliditeit uitgaven voor extra kleding en beddengoed alsmede daarmee samenhangende extra uitgaven volgens bij ministeriële regeling te stellen regels. Deze regels zijn uitgewerkt in artikel 38 van de URIB 2001.

17. Artikel 38, eerste lid, van de URIB 2001 luidt, voor zover hier van belang, als volgt:

“1. Uitgaven voor extra kleding en beddengoed alsmede daarmee samenhangende extra uitgaven als bedoeld in artikel 6.17, eerste lid, onderdeel g, van de wet worden in aanmerking genomen tot een bedrag van € 310 dan wel, […] indien:

a. de genoemde uitgaven voortvloeien uit ziekte of invaliditeit van een persoon als bedoeld in artikel 6.16 van de wet die tot het huishouden van de belastingplichtige behoort;

b. de ziekte of invaliditeit ten minste een jaar heeft geduurd of vermoedelijk zal duren.”

18. Eiseres heeft een verklaring gedagtekend 14 november 2018 overgelegd van de huisarts, waarin is aangegeven dat eiseres lijdt aan huideczeem en er zalf/crème is voorgeschreven ter bestrijding/behandeling van deze ziekte. Op de verklaring, die deels voorbedrukt is, is met pen onder meer bijgeschreven “vanaf 2010-2015”. Nu, anders dan in het geval van de dieetverklaring, geen enkele concrete aanwijzing bestaat dat de periode pas na ondertekening door de huisarts zou zijn bijgeschreven, is de rechtbank van oordeel dat eiseres met het overleggen van de verklaring aannemelijk heeft gemaakt dat zij recht heeft op de door haar geclaimde aftrek van € 310 in verband met uitgaven voor extra kleding en beddengoed. De rechtbank zal het belastbaar inkomen uit werk en woning voor de jaren 2013 en 2014 dan ook verminderen met € 310 x 1,4 = € 434 tot respectievelijk € 15.210 (€ 15.644 - € 434) voor het jaar 2013 en € 15.647 (€ 16.081 - € 434) voor het jaar 2014.

19. Gelet op het vorenoverwogene dienen de beroepen gegrond te worden verklaard.

Vergoeding immateriële schade

20. Eiseres heeft de rechtbank verzocht om een schadevergoeding in verband met een overschrijding van de redelijke termijn.

21. Bij de beoordeling van de vraag of de redelijke termijn is overschreden moet worden aangesloten bij de uitgangspunten als neergelegd in het arrest van de Hoge Raad van 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252. Voor een uitspraak in eerste aanleg heeft te gelden dat deze niet binnen een redelijke termijn geschiedt indien de rechtbank niet binnen twee jaar nadat die termijn is aangevangen uitspraak doet, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden. De termijn vangt in beginsel aan op het moment waarop verweerder het bezwaarschrift ontvangt. Als de bezwaar- en beroepsfase samen te lang hebben geduurd, vindt de toerekening als volgt plaats. De bezwaarfase heeft onredelijk lang geduurd voor zover de duur daarvan een half jaar overschrijdt en de beroepsfase voor zover zij meer dan anderhalf jaar in beslag neemt. Indien de redelijke termijn is overschreden, dient als uitgangspunt voor de schadevergoeding een tarief te worden gehanteerd van € 500 per half jaar dat die termijn is overschreden, waarbij ter bepaling van de totale vergoeding de geconstateerde overschrijding naar boven wordt afgerond.

22. De rechtbank is van oordeel dat de twee zaken van eiseres die zowel in bezwaar als in beroep gezamenlijk zijn behandeld in hoofdzaak betrekking hebben op hetzelfde onderwerp. Beide zaken vloeien immers voort uit onderzoek naar afgetrokken specifieke zorgkosten. Daarom wordt voor deze zaken samen éénmaal een vergoeding van immateriële schade toegekend.

23. Het bezwaarschrift dat is gericht tegen beide navorderingsaanslagen is ingekomen bij verweerder op 27 december 2017. De uitspraken op bezwaar zijn gedaan op 8 juni 2019. Het beroepschrift dat is gericht tegen beide uitspraken op bezwaar is op 1 juli 2019 door de rechtbank ontvangen. De rechtbank doet op 5 augustus 2020 uitspraak. Verweerder heeft niet gesteld en het is de rechtbank ook niet gebleken dat bij het bepalen van de overschrijding een bepaalde periode buiten beschouwing moet blijven wegens bijzondere omstandigheden. Dit betekent dat er sprake is van overschrijding van de redelijke termijn met afgerond acht maanden. Deze overschrijding is uitsluitend toe te rekenen aan de bezwaarfase, zodat de rechtbank verweerder zal veroordelen tot vergoeding van immateriële schade over twee keer een half jaar, dat wil zeggen (2 x € 500 =) € 1.000.

Proceskosten

24. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, uitgaande van twee samenhangende zaken, vast op € 1.572 (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, 1 punt voor het verschijnen ter hoorzitting met een waarde per punt van € 261, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 525 en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart de beroepen gegrond;

- vernietigt de uitspraken op bezwaar;

- vermindert de navorderingsaanslag ib/pvv 2013 tot een berekend naar een belastbaar

inkomen uit werk en woning van € 15.210;

- vermindert de navorderingsaanslag ib/pvv 2014 tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 15.647;

- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde bestreden besluiten;

- veroordeelt verweerder tot vergoeding van de door eiseres geleden immateriële schade tot een bedrag van € 1.000;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1.572.

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 47 aan eiseres te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. G.H. de Soeten, rechter, in aanwezigheid van mr. S.A. Carter, griffier, op 5 augustus 2020. Als gevolg van maatregelen rondom het coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak, voor zover nodig, alsnog in het openbaar uitgesproken.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na verzending hoger beroep instellen bij het gerechtshof Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312,

1000 BH Amsterdam.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.