Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2020:7441

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
24-09-2020
Datum publicatie
28-09-2020
Zaaknummer
AWB - 20 _ 3923
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Vovo hangende bezwaar, sluiting woning op grond van artikel 13b Opiumwet, bereiden harddrugs. Noodzaak sluiting staat op grond van bestuurlijke rapportage vooralsnog voldoende vast en dat sluiting niet evenredig is, is vooralsnog onvoldoende onderbouwd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummer: HAA 20/3923

uitspraak van de voorzieningenrechter van 24 september 2020 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

[verzoeker] , te [woonplaats] , verzoeker

(gemachtigde: mr. A.T. Leigh),

en

de burgemeester van de gemeente Haarlem, verweerder

(gemachtigde: mr. M.E. Kapel).

Procesverloop

Bij besluit van 2 juli 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder met onmiddellijke ingang de woning aan de [adres] gesloten voor de duur van 12 maanden op grond van artikel 13b van de Opiumwet.

De motivering van het sluitingsbevel heeft verweerder op 15 juli 2020 op schrift gezet.

Verzoeker heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt. Verzoeker heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 september 2020. Verzoeker is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, vergezeld van [naam] .

Overwegingen

1. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

2. Verzoeker staat ingeschreven op het adres en is woonachtig aan de [adres] (hierna: de woning). Op 1 juli 2020 heeft in de woning een huiszoeking plaatsgevonden in het kader van een strafrechtelijk onderzoek. Daarbij heeft politie, zoals ook blijkt uit de bestuurlijke rapportage van 3 juli 2020 die verweerder van de politie heeft ontvangen, het volgende aangetroffen:

- in de woning waren drie personen aanwezig, twee ervan waren bezig met het verpakken van cocaïne in kleine bolletjes;

- op de salontafel lagen 15 bolletjes met cocaïne (nettogewicht 1,07 gram), een plastic zakje met cocaïne (6,15 gram), tientallen reeds in stukjes geknipte plastic zakjes, een kleine weegschaal met cocaïneresten en een lepel met cocaïneresten;

- 5 literflessen ammoniak, waarvan er 4 waren verstopt in zakken met kattengrind;

- een steelpan met vermoedelijk cocaïneresten;

- een kommetje met vermoedelijk cocaïneresten.

Uit de bestuurlijke rapportage blijkt verder dat er in de periode maart tot en met juni 2020 meerdere meldingen van geluids- en drugsoverlast met betrekking tot de woning zijn gedaan en dat de politie heeft geconstateerd dat verzoeker dagelijks bezoek krijgt van jongeren die gerelateerd worden aan handel in verdovende middelen. Deze waarnemingen hebben uiteindelijk geleid tot het betreden en doorzoeken van de woning op 1 juli 2020.

3. Met het bestreden besluit heeft verweerder, met toepassing van artikel 5:31 van de Algemene wet bestuursrecht, de woning met onmiddellijke ingang gesloten voor de duur van 12 maanden wegens overtreding van artikel 13b van de Opiumwet. Daaraan ten grondslag liggen de bevindingen van de politie die zijn neergelegd in de bestuurlijke rapportage. Op grond daarvan stelt verweerder dat in de woning een handelshoeveelheid harddrugs aanwezig was en dat dealers in de woning harddrugs bewerkten ten behoeve van de drugshandel. De politie heeft verder vastgesteld dat er dagelijks drugsgerelateerde aanloop is naar de woning. Verzoeker heeft aan de politie verklaard dat hij zijn woning beschikbaar stelde voor het maken van base cocaïne (crack) en dat verschillende personen al maanden bij hem thuis kwamen om daar cocaïne door middel van ammoniak te bewerken tot crack, die bestemd was voor de verkoop. Verzoeker heeft ook verklaard dat hij verslaafd is aan crack en dat hij regelmatig een bolletje crack kreeg in ruil voor het beschikbaar stellen van zijn woning. Gelet op het geheel van bevindingen stelt verweerder dat de woning een belangrijke functie vervulde in het drugscircuit en dat er sprake was van overlast. Verweerder acht dit een ernstig geval in de zin van de ‘Beleidsregel Handhaving Opiumwet Woningen’ die hij ter uitvoering van artikel 13b van de Opiumwet hanteert en heeft daarom de woning voor de duur van 12 maanden gesloten.

4.1

Verzoeker vraagt de voorzieningenrechter het bestreden besluit te schorsen tot zes weken na het nemen van een beslissing op bezwaar. Hij heeft aangevoerd dat de noodzaak van de sluiting ontbreekt, nu geen sprake was van feitelijke handel in of vanuit de woning en omdat de aangetroffen hoeveelheid cocaïne gering is. Verzoeker is ruim 30 jaar verslaafd aan cocaïne, zodat niet zonder meer kan worden aangenomen dat de aangetroffen 7 gram cocaïne niet bedoeld is voor zijn eigen gebruik. Hoewel de woning werd gebruikt voor de productie van drugs, was er geen sprake van handel vanuit de woning. Het is onwaarschijnlijk dat de woning bij het vrijgeven ervan opnieuw zal worden gebruikt voor de productie van drugs, gelet op de ontdekking ervan door de politie en de arrestatie van twee verdachten.

4.2

De voorzieningenrechter is voorshands van oordeel dat verweerder zich mocht baseren op de bestuurlijke rapportage van 3 juli 2020. Uit de bevindingen van de politie ten tijde van de huiszoeking blijkt dat in de woning cocaïne werd bewerkt tot crack. Verzoeker heeft ook tegenover de politie verklaard dat de personen in de zijn woning cocaïne tot crack bewerken en dat die crack is bestemd voor de handel. Voorts blijkt uit de bestuurlijke rapportage dat de politie veelvuldig aanloop van en naar de woning heeft vastgesteld van personen die in verband worden gebracht met drugshandel. Ter zitting is bovendien aangevoerd dat slechts een deel van de aangetroffen hoeveelheid drugs bestemd was voor eigen gebruik. Gelet hierop staat de bevoegdheid tot het sluiten van de woning en de noodzaak voor sluiting naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter voldoende vast.

5.1

Verzoeker stelt voorts dat sluiting van de woning niet evenredig is, omdat hem geen verwijt kan worden gemaakt nu hij onder druk werd gezet. Verzoeker zelf heeft zich niet bezig gehouden met de productie van drugs, maar heeft zijn woning ter beschikking gesteld omdat hij onvoldoende financiële middelen had om in zijn drugsverslaving te voorzien en dat heeft geleid tot de ontstane situatie. Hij was bang dat hij bij het weigeren van medewerking geen drugs meer zou krijgen en er fysiek tegen hem zou worden opgetreden.

Verder grijpen de gevolgen van de sluiting hard in, nu de woningbouwvereniging heeft aangekondigd over te gaan tot buitengerechtelijke ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van de woning per 31 augustus 2020 heeft geëist. Zijn situatie is allerminst houdbaar, nu hij afwisselend slaapt bij zijn ouders of op straat en incidenteel bij vrienden die onderdak willen bieden, terwijl verzoeker gebaat is bij een stabiele thuissituatie vanwege de begeleiding die hij krijgt voor zijn middelengebruik. In het bestreden besluit is tot slot niet gemotiveerd dat is onderzocht of hij elders kan verblijven, terwijl dat op grond van jurisprudentie van de Afdeling bestuursrecht van de Raad van State (de Afdeling) wel is vereist, aldus verzoeker.

Ter zitting heeft verzoeker desgevraagd toegelicht dat hij twee dagen in de week bij zijn moeder overnacht, één dag in de week bij een vriend overnacht en de andere vier dagen op straat leeft. Volgens verzoeker is de nachtopvang geen geschikte plek voor een afkickende verslaafde, omdat daar veel drugsgebruikers verblijven. Verzoeker heeft na de woningsluiting een aantal dagen bij de afkickkliniek van Brijder in Alkmaar verbleven en vreest voor een terugval wanneer hij gebruik moet maken van de nachtopvang. Verder stelt verzoeker dat hij zich heeft gemeld bij de Brede Centrale Toegang, maar dat hij al drie weken in afwachting is van een intakegesprek.

5.2

Verweerder stelt zich op het standpunt dat geenszins is gebleken dat verzoeker onder druk werd gezet om zijn woning ter beschikking te stellen voor de productie van drugs. Nu verzoeker op de hoogte was van de situatie in zijn woning, kon hij voorzien welke consequenties de burgemeester en de woningbouwvereniging aan de overtreding van de Opiumwet zouden verbinden. Niet aannemelijk is dat verzoeker gedurende de sluitingsperiode nergens kan worden opgevangen en indien nodig kan hij zich wenden tot de Brede Centrale Toegang voor opvang, aldus verweerder.

5.3

Dat verzoeker is dit geval geen enkel verwijt kan worden gemaakt, is naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet gebleken. Gesteld, maar niet onderbouwd, is dat verzoeker onder druk zijn woning ter beschikking heeft gesteld. Hij heeft dat na de inval in de woning ook niet verklaard tegenover de politie. Evenmin heeft verzoeker (met stukken) onderbouwd dat hij als afkickende verslaafde redelijkerwijs geen gebruik kan maken van de nachtopvang. Ook heeft hij niet met stukken onderbouwd dat hij op geen enkele manier een verblijfplaats kan vinden voor de nachten dat hij op straat verblijft. Verder heeft hij ook niet onderbouwd hoeveel dagen hij daadwerkelijk op straat verblijft en wat de stand van zaken is ten aanzien van het afkickproces en de begeleiding daarbij. Dat maatschappelijke opvang of nachtopvang geen reële oplossing is voor het ontstane tijdelijke woonprobleem van verzoeker, staat dan ook (nog) niet vast. Het ligt op de weg van verzoeker dit in de bezwaarfase nader te onderbouwen. Op dit moment is er voor de voorzieningenrechter onvoldoende aanleiding om de sluiting van de woning niet evenredig te achten.

6. Gelet op de vorenstaande overwegingen wordt het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening afgewezen.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan op 24 september 2020 door mr. J.J. Maarleveld, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van R.I. ten Cate, griffier. Als gevolg van maatregelen rondom het coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak, voor zover nodig, alsnog in het openbaar uitgesproken.

griffier voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.