Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2020:7380

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
30-09-2020
Datum publicatie
07-10-2020
Zaaknummer
8380993 CV EXPL 20-1111
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Woningruil. Gevolgen vlooienbesmetting. Schadevergoeding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Handel, Kanton en Bewind

locatie Alkmaar

Zaaknr./rolnr.: 8380993 CV EXPL 20-1111

Uitspraakdatum: 30 september 2020

Vonnis van de kantonrechter in de zaak van:

[eiseres]

wonende te [woonplaats]

eiseres

verder te noemen: [eiseres]

gemachtigde: mr. J. de Haan

tegen

[gedaagde]

wonende te [woonplaats]

gedaagde

verder te noemen: [gedaagde]

gemachtigde: mr. J.P.H.C. Swarts

1 Het procesverloop

1.1.

[eiseres] heeft bij dagvaarding van 4 maart 2020 een vordering tegen [gedaagde] ingesteld. [gedaagde] heeft schriftelijk geantwoord. [eiseres] heeft hierop schriftelijk gereageerd, waarna [gedaagde] nog een schriftelijke reactie heeft gegeven.

2 De feiten

2.1.

[eiseres] heeft in de zomer van 2019 haar woning in Soest geruild met de woning van [gedaagde] in Heerhugowaard. Dit gebeurde met instemming van de betrokken verhuurders. De woningruil vond plaats met ingang van 1 september 2019.

2.2.

Partijen hadden los hiervan afgesproken dat hun feitelijke verhuizing plaats zou vinden op 10 augustus 2019.

2.3.

Op 30 juli 2019 heeft mevrouw [XX] namens de verhuurder van de woning in Heerhugowaard een inspectie gedaan van die woning in bijzijn van beide partijen. Op dat moment zijn er geen bijzonderheden geconstateerd.

2.4.

Na de sleuteloverdracht op 10 augustus 2019 is door [eiseres] gemerkt dat in de woning in Heerhugowaard sprake was van een vlooienplaag. Nadat zij [gedaagde] hiermee heeft geconfronteerd schrijft deze onder meer: “Laat dan maar een bestrijder komen.T is niet anders denk ik. Ik vind dit ook heel erg vervelend, baal hier enorm van. En schaam me dood”. Naderhand schrijft de vriend van [gedaagde] : “Ik vind het heel vervelend dat dit gebeurt is. De katten zijn die laatste twee weken alleen in het huis gebleven.”

2.5.

[gedaagde] heeft aan [eiseres] de kosten van de door haar ingeschakelde ongediertebestrijder ad EUR 189,- betaald. Daarnaast heeft zij haar de kosten van 4 bussen vlooienspray ad EUR 40,60 vergoed.

2.6.

Op 10 augustus 2019 arriveerde [eiseres] met een aantal goederen bij de woning in Heerhugowaard. Toen bleek dat ze de goederen niet in de schuur kon zetten omdat zich daar nog spullen van [gedaagde] bevonden, heeft zij ze buiten laten staan, afgedekt met zeil. Deze goederen zijn kort daarna nat geworden toen het ging regenen en waaien, waardoor het zeil losraakte.

3 De vordering

3.1.

[eiseres] vordert dat de kantonrechter voor recht verklaart dat [gedaagde] aansprakelijk is voor de door [eiseres] geleden schade en [gedaagde] veroordeelt tot betaling van EUR 7.758,68, vermeerderd met rente en kosten. Bij conclusie van repliek heeft [eiseres] de vordering verminderd met EUR 321,- omdat vergoeding van de huur was gevorderd en [eiseres] in aanmerking bleek te komen voor huursubsidie.

3.2.

[eiseres] legt aan de vordering ten grondslag – kort weergegeven – dat [gedaagde] de afspraak om op 10 augustus 2019 ruimte te maken in haar schuur zodat [eiseres] daar haar spullen kon opslaan niet is nagekomen. Verder acht [eiseres] [gedaagde] aansprakelijk voor de gevolgen van de vlooienplaag in de woning.

4 Het verweer

4.1.

[gedaagde] betwist de vordering. Zij voert aan – samengevat – dat de afspraak waar [gedaagde] zich op beroept niet bestaat en dat [eiseres] er zelf voor heeft gekozen om haar spullen buiten te zetten. Verder voert zij aan dat zij niet verantwoordelijk is voor de vlooienplaag en dat de schade die [eiseres] vordert niet voldoende is onderbouwd.

5 De beoordeling

5.1.

De formele woningruil zou plaatsvinden per 1 september 2019. Om een tijdige verhuizing mogelijk te maken hebben partijen echter afgesproken om elkaar de sleutel van elkaars woning te geven op 10 augustus 2019. Op die datum zijn partijen ook verhuisd blijkens de stellingen over en weer en hadden zij geen toegang meer tot hun eigen woning.

5.2.

Partijen waren jegens elkaar verplicht om hun woning in goede staat over te dragen. Met het oog daarop heeft de verhuurder van de woning van [gedaagde] in Heerhugowaard een inspectie van die woning uitgevoerd in het bijzijn van beide partijen. Gesteld noch gebleken is dat de woning toen niet in goede staat is bevonden.

5.3.

Kort na de sleuteloverdracht heeft [eiseres] geconstateerd dat er sprake was van vlooien in de woning in Heerhugowaard. [gedaagde] betwist dat dit zo was, en, als dat al zo was, dat dit het gevolg was van de door haar gehouden huisdieren, maar die betwisting schiet tekort. Uit de overgelegde whatsapp-berichten die tussen partijen zijn gewisseld blijkt immers dat [gedaagde] de aanwezigheid van de vlooien niet betwistte toen zij er direct na de verhuizing mee werd geconfronteerd: “Ik schaam me dood”. Zij heeft ook de kosten van de bestrijding vergoed en de naam van haar aansprakelijkheidsverzekeraar doorgegeven aan [eiseres] . De vriend van [gedaagde] heeft bovendien het verband gelegd met de aanwezigheid van de katten van [gedaagde] : “Ik vind het heel vervelend dat dit gebeurt is. De katten zijn die laatste twee weken alleen in het huis gebleven.” Dat de vlooien aanwezig waren als gevolg van de door [gedaagde] gehouden katten, ligt ook alleszins voor de hand. Het is een feit van algemene bekendheid dat door het houden van katten vlooien kunnen optreden, zeker in de warme zomermaanden. Verder wordt de aanwezigheid van de vlooien, direct na de verhuizing nog eens bevestigd door de verklaring van de ongediertebestrijder en van de gebiedsconsulent van de verhuurder. Uit de verklaring van de eerste volgt dat hij een “zeer uitgebreide besmetting van vlooien” heeft geconstateerd en dat de bestrijding heeft plaatsgevonden op 15 augustus 2019, die is herhaald op 22 augustus 2019.

5.4.

Doordat [gedaagde] de woning in Heerhugowaard aan [eiseres] heeft overgedragen terwijl sprake was van een zeer uitgebreide besmetting van vlooien in die woning in een mate dat normaal gebruik ervan niet mogelijk was omdat eerst, tot tweemaal toe, bestrijding moest plaatsvinden, is [gedaagde] toerekenbaar tekort geschoten in de nakoming van de overeenkomst. [gedaagde] is gehouden de schade die [eiseres] hierdoor heeft geleden te vergoeden. Anders dan [gedaagde] meent, is zij ook in verzuim geraakt, omdat de verplichting om de woning in goede staat op te leveren per 10 augustus 2019 diende te gebeuren, hetgeen een fatale termijn moet worden geacht nu sprake is van woningruil waarbij de overdracht van de woningen op hetzelfde moment moet plaatsvinden.

5.5.

[eiseres] heeft een reeks van schadeposten opgevoerd. [gedaagde] heeft op haar beurt - terecht - aangevoerd dat deze schadeposten onvoldoende zijn onderbouwd met betalingsbewijzen, dan wel dat het verband tussen de vlooienbesmetting en de schade onvoldoende is onderbouwd. [eiseres] onderkent dit ook in haar conclusie van repliek waar zij met betrekking tot een aantal schadeposten voorstelt en vergoeding ‘ex aequo et bono’ toe te kennen.

5.6.

De stellingen van partijen geven de kantonrechter reden om de schade te schatten, omdat de omvang niet nauwkeurig kan worden vastgesteld, ook niet door middel van bewijslevering. Daarbij wordt rekening gehouden met de omstandigheid dat [eiseres] de woning enkele weken niet heeft kunnen gebruiken omdat de vlooienbesmetting afdoende moest worden bestreden. Verder is van belang dat [gedaagde] de kosten van die bestrijding al voor haar rekening heeft genomen. De (resterende) schade wordt geschat op EUR 500,-.

5.7.

De door [eiseres] van [gedaagde] gevorderde schadevergoeding, gebaseerd op de stelling zij op 10 augustus 2019 een deel van de door haar verhuisde goederen niet in de schuur van de woning in Heerhugowaard kon plaatsen, omdat daar nog goederen van [gedaagde] stonden wordt afgewezen. Daarvoor is redengevend dat de keuze van [eiseres] om de goederen buiten onder een zeil te plaatsen en daar weken te laten staan hoewel de weersomstandigheden slecht waren niet te rijmen is met haar schadebeperkingsplicht. [eiseres] had deze goederen zonder veel bezwaar in enkele van de inmiddels lege ruimtes in de woning kunnen plaatsen of bij derden in opslag kunnen laten nemen. Bovendien heeft [eiseres] haar schade op dit punt in het geheel niet onderbouwd.

5.8.

De conclusie is dat de kantonrechter de vordering van [eiseres] (gedeeltelijk) zal toewijzen tot een bedrag van EUR 500,-.

5.9.

Nu partijen over en weer op punten in het ongelijk zijn gesteld, is de kantonrechter van oordeel dat het redelijk is dat partijen ieder de eigen proceskosten dragen.

6 De beslissing

De kantonrechter:

6.1.

veroordeelt [gedaagde] tot betaling aan [eiseres] van € 500,-, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 4 maart 2020 tot aan de dag van de gehele betaling;

6.2.

bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt;

6.3.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

6.4.

wijst de vordering voor het overige af.

Dit vonnis is gewezen door mr. M. Flipse en op bovengenoemde datum in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.

De griffier De kantonrechter