Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2020:7371

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
22-09-2020
Datum publicatie
22-09-2020
Zaaknummer
15/133567-19
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Zedenzaak (artikel 245 en 249 Wetboek van Strafrecht).

Het verweer dat feit 2 (artikel 249) niet bewezen kan worden omdat de daarin bedoelde gedragingen worden geabsorbeerd door het onder feit 1 (artikel 245) ten laste gelegde faalt. De rechtbank overweegt dat uit de bewijsmiddelen volgt dat de ontuchtige handelingen welke niet vallen onder het begrip “binnendringen” niet steeds zijn gepleegd voorafgaand, vergezeld of gevolgd door handelingen die daar wel onder vallen. In deze, op zichzelf staande, gevallen zijn de ten laste gelegde ontuchtige handelingen te bewijzen en te kwalificeren als de in feit 2 bedoelde ontuchtige handelingen en worden zij niet geabsorbeerd door het onder 1 bewezenverklaarde

Gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden, waarvan 10 maanden voorwaardelijk, proeftijd van 3 jaren. Als bijzondere voorwaarden zijn onder meer opgelegd behandeling door De Waag en een contactverbod met beide slachtoffers. Immateriële schadevergoeding opgelegd van 5000 euro en 1500 euro.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Team Straf, locatie Alkmaar

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 15.133567.19

Uitspraakdatum: 22 september 2020

Tegenspraak

Vonnis

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van

8 september 2020 in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum 1] te [geboorteplaats] ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres [adres] .

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie

mr. R.P. Peters en van hetgeen verdachte en zijn raadsman mr. V.E. de Haas, advocaat te Schagen, naar voren hebben gebracht.

1 Tenlastelegging

Aan verdachte is, na wijziging van de tenlastelegging, ten laste gelegd dat:

Feit 1
hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 maart 2006 tot en met 28 februari 2009 te Bergen (NH), in elk geval in Nederland
met [slachtoffer 1] , geboren op [geboortedatum 2] , die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, buiten echt,
een of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, die bestonden uit of
mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die
[slachtoffer 1] , te weten

- het (telkens) brengen en/of houden van zijn, verdachtes vinger(s) in de vagina van die [slachtoffer 1]
en/of het aanraken van de clitoris van die [slachtoffer 1] en/of
- het (telkens) met zijn, verdachtes tong likken in de vagina van voornoemde [slachtoffer 1] en/of
- het (telkens) bewegen met zijn, verdachtes penis langs de vagina en/of tussen de schaamlippen van voornoemde [slachtoffer 1] ;

Feit 2
hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 maart 2006 tot en met 28 februari 2009 te Bergen (NH), in elk geval in Nederland, ontucht heeft gepleegd
met de aan zijn zorg, opleiding en/of waakzaamheid toevertrouwde minderjarige [slachtoffer 1]
, geboren op [geboortedatum 2] , door
- (telkens) de armen en/of benen en/of borsten en/of liezen en/of rug en/of billen, althans het
(ontklede) lichaam van voornoemde [slachtoffer 1] met zijn, verdachtes hand(en) te masseren (met olie) en/of te strelen en/of
- (telkens) de vagina van voornoemde [slachtoffer 1] aan te raken en/of te masseren met zijn, verdachtes hand(en) en/of
- (telkens) zijn, verdachtes penis, langs de liezen en/of tussen de benen van die [slachtoffer 1] te bewegen;
Feit 3
hij in of omstreeks de periode van 1 maart 2008 tot en met 28 februari 2010 te Bergen (NH), in elk geval in Nederland met [slachtoffer 2] (geboren op [geboortedatum 3] , die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, buiten echt, een of meer ontuchtige handeling(en) heeft gepleegd, die bestond(en) uit of mede bestond(en) uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer 2] , hebbende verdachte
zijn vinger(s) in de vagina, althans tussen de schaamlippen van voornoemde [slachtoffer 2]
gebracht en/of gehouden

en/of

hij in of omstreeks de periode van 1 maart 2008 tot en met 28 februari 2011 te Bergen (NH), in elk geval in Nederland ontucht heeft gepleegd met de aan zijn zorg, opleiding en/of
waakzaamheid toevertrouwde minderjarige [slachtoffer 2] geboren op [geboortedatum 3] door
zijn vinger(s) in de vagina, althans tussen de schaamlippen van voornoemde [slachtoffer 2] te brengen en/of te houden.

2. Beroep op niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie in de vervolging voor feit 2

2.1.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft naar voren gebracht dat feit 2 volgens hem wordt geabsorbeerd door feit 1, zodat voor feit 2 niet-ontvankelijkheid dient te volgen.

2.2.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat als de handelingen uitsluitend zouden worden ten laste gelegd als handelingen als bedoeld in artikel 245 Wetboek van Strafrecht (de rechtbank begrijpt: feit 1), het Openbaar Ministerie een vrijspraak riskeert. Het gaat volgens de officier van justitie bovendien om verschillende handelingen, die daarom onder twee verschillende feiten ten laste zijn gelegd.

2.3

Oordeel van de rechtbank en overige voorvragen

De rechtbank is van oordeel dat de tenlastelegging van feit 1 en feit 2 duidelijk en geoorloofd is. Hetgeen de raadsman aanvoert leidt niet tot de niet ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie. De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het Openbaar Ministerie voor de gehele tenlastelegging ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3. Beoordeling van het bewijs

3.1.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de onder feit 1, feit 2 en feit 3 eerste cumulatief/alternatief ten laste gelegde feiten.

3.2.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft gewezen op de omstandigheid dat verdachte erkent dat hij ontuchtige handelingen heeft gepleegd bij [slachtoffer 1] , maar dat hij betwist dat hij alle ten laste gelegde ontuchtige handelingen heeft gepleegd.

De raadsman heeft zich, voor wat betreft het onder 2.1 vermelde standpunt, -subsidiair- op het standpunt gesteld dat verdachte vrij moet worden gesproken van feit 2. Feit 1 en feit 3 tweede cumulatief/alternatief kunnen volgens de raadsman wettig en overtuigend bewezen kunnen worden verklaard.

3.3

Oordeel van de rechtbank

3.3.1

Redengevende feiten en omstandigheden

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van de onder feit 1, feit 2 en feit 3 eerste cumulatief/alternatief ten laste gelegde feiten op grond van de bewijsmiddelen die in de bijlage bij dit vonnis zijn vervat.

3.3.2

Bewijsmotivering/nadere bewijsoverwegingen feit 1 en feit 2

Verdachte heeft een gedeeltelijke bekentenis afgelegd. De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsman dat verdachte moet worden vrijgesproken van feit 2 en overweegt daartoe het volgende.

Verdachte heeft erkend dat hij het lichaam van [slachtoffer 1] heeft gemasseerd met olie toen zij kwam logeren, dat hij met zijn vinger aan de vagina van [slachtoffer 1] zat en haar vagina heeft gemasseerd. Hij heeft verder bekend dat hij haar clitoris heeft aangeraakt en gemasseerd, dat hij haar schaamlippen opzij heeft gedrukt en dat hij dit ook met zijn tong heeft gedaan. Verdachte heeft verklaard dat hij met zijn tong de vagina en clitoris van [slachtoffer 1] heeft gelikt. Ook heeft verdachte verklaard dat hij [slachtoffer 1] heeft aangeraakt bij haar borsten, billen, liezen, rug en armen. Hij heeft echter ontkend dat hij met zijn penis langs de liezen en vagina van [slachtoffer 1] is gegaan en aan de buitenkant van en tussen haar schaamlippen. Ook ontkent verdachte dat hij met zijn vinger in de vagina van [slachtoffer 1] is geweest.

Dit leidt dat ertoe dat op die punten de verklaring van [slachtoffer 1] niet door de verklaring van verdachte wordt gesteund. [slachtoffer 1] heeft in haar aangifte consistent, eenduidig en gedetailleerd verklaard over de aan verdachte verweten ontuchtige handelingen. Zij heeft verklaard dat zij gedurende een jaar lang zeker een keer of tien in de woning van verdachte seksueel is misbruikt. De aangifte van [slachtoffer 1] is in de kern gelijkluidend aan hetgeen zij tijdens het informatieve gesprek heeft gezegd. Haar aangifte wordt voorts gekenmerkt door details waarvan sommige als opvallend kunnen worden gekwalificeerd, zoals de opmerking dat zij al een beetje schaamhaar had, maar dat zij dat weghaalde omdat verdachte zei dat mannen het fijner vonden als het glad was. Gelet op het voorgaande acht de rechtbank de aangifte van [slachtoffer 1] authentiek en betrouwbaar. De verklaringen van [slachtoffer 1] vinden steun in die van [slachtoffer 2] wat betreft de aard van (een deel van) de ontuchtige handelingen die door verdachte werden gepleegd en de wijze waarop die handelingen plaatsvonden in zijn woning.

Gelet hierop en op het feit dat verdachte de verklaringen van [slachtoffer 1] over de meeste ontuchtige handelingen heeft bevestigd, komt de rechtbank tot bewezenverklaring van alle onder feit 1 en feit 2 ten laste gelegde handelingen, zodat beide feiten naar het oordeel van de rechtbank wettig en overtuigend bewezen kunnen worden verklaard.

Waar de raadsman aanvoert dat feit 2 niet bewezen kan worden omdat de daarin bedoelde gedragingen worden geabsorbeerd door het onder 1 ten laste gelegde, faalt dit. Uit de bewijsmiddelen volgt dat de ontuchtige handelingen welke niet vallen onder het begrip “binnendringen” niet steeds zijn gepleegd voorafgaand, vergezeld of gevolgd door handelingen die daar wel onder vallen, zoals het brengen van de vinger of tong in de vagina of het betasten of likken van de clitoris. In deze, op zichzelf staande, gevallen zijn de ten laste gelegde ontuchtige handelingen te bewijzen en te kwalificeren als de in feit 2 bedoelde ontuchtige handelingen en worden zij niet geabsorbeerd door het onder 1 bewezenverklaarde.

3.3.3

Bewijsmotivering/nadere bewijsoverwegingen feit 3 eerste cumulatief/alternatief

Verdachte heeft een gedeeltelijke bekentenis afgelegd. Hij heeft bekend dat hij met zijn vinger tussen de schaamlippen van [slachtoffer 2] heeft gestreeld en bij haar clitoris terecht kwam, maar ontkent dat hij met zijn vinger in haar vagina is geweest.

De rechtbank acht dit echter wel bewezen. Zij overweegt dat [slachtoffer 2] -naar de rechtbank uit de verklaringen opmaakt- nog onwetend van de seksuele handelingen bij [slachtoffer 1] , aan haar heeft verteld dat verdachte haar had gemasseerd en verder ging tussen haar benen. Gelet hierop en op de onderlinge overeenkomsten en samenhang tussen de verklaringen van [slachtoffer 2] , [slachtoffer 1] en ook van verdachte, zowel over het masseren/strelen als over het aanspreken van verdachte door [slachtoffer 1] , acht de rechtbank de verklaring van [slachtoffer 2] betrouwbaar én voldoende ondersteund.

Gelet op het vorenoverwogene acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zijn vinger in de vagina van [slachtoffer 2] heeft gebracht. De rechtbank komt daarmee tot een bewezenverklaring van feit 3, eerste cumulatief/alternatief.

3.4.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de onder feit 1, feit 2 en feit 3 eerste cumulatief/alternatief ten laste gelegde feiten heeft begaan, met dien verstande dat

Feit 1
hij op tijdstippen in de periode van 1 maart 2006 tot en met 28 februari 2009 te Bergen (NH)
met [slachtoffer 1] , geboren op [geboortedatum 2] , die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen heeft gepleegd, die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die
[slachtoffer 1] , te weten
- het brengen en/of houden van zijn, verdachtes vinger in de vagina van die [slachtoffer 1]
en/of het aanraken van de clitoris van die [slachtoffer 1] en/of
- het met zijn, verdachtes tong likken in de vagina van voornoemde [slachtoffer 1] en/of
- het bewegen met zijn, verdachtes penis langs de vagina en/of tussen de schaamlippen van voornoemde [slachtoffer 1] ;

Feit 2
hij op tijdstippen in de periode van 1 maart 2006 tot en met 28 februari 2009 te Bergen (NH), ontucht heeft gepleegd met de aan zijn zorg toevertrouwde minderjarige [slachtoffer 1] , geboren op [geboortedatum 2] , door
- de armen en/of benen en/of borsten en/of liezen en/of rug en/of billen, van voornoemde [slachtoffer 1] met zijn, verdachtes hand(en) te masseren (met olie) en/of te strelen en/of
- de vagina van voornoemde [slachtoffer 1] aan te raken en/of te masseren met zijn, verdachtes hand(en) en/of


- zijn, verdachtes penis, langs de liezen en/of tussen de benen van die [slachtoffer 1] te bewegen;
Feit 3
hij in de periode van 1 maart 2008 tot en met 28 februari 2010 te Bergen (NH), met [slachtoffer 2] (geboren op [geboortedatum 3] ), die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, buiten echt, een ontuchtige handeling heeft gepleegd, die bestond uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer 2] , hebbende verdachte zijn vinger in de vagina van voornoemde [slachtoffer 2] gebracht.

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten zijn verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is verdachte daardoor niet geschaad in zijn verdediging.

Hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. Verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

4 Kwalificatie en strafbaarheid van de feiten

Het bewezenverklaarde levert op:

ten aanzien van feit 1 en feit 3 eerste cumulatief/alternatief:

met iemand die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren heeft bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen plegen die bestaan uit of mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, meermalen gepleegd.

ten aanzien van feit 2:

Ontucht plegen met een aan zijn zorg, opleiding of waakzaamheid toevertrouwde minderjarige, meermalen gepleegd.

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is derhalve strafbaar.

5 Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is derhalve strafbaar.

6 Motivering van de sanctie

6.1

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 32 maanden, waarvan 8 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren en met aftrek van de tijd die verdachte in verzekering heeft doorgebracht. Als bijzondere voorwaarden heeft de officier een contactverbod geëist met zowel [slachtoffer 1] als [slachtoffer 2] en voorzetting van de huidige behandeling bij De Waag zolang De Waag dat noodzakelijk acht.

6.2

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft vanwege de verstreken tijd, de vrijwillige behandeling bij De Waag en het blanco strafblad van verdachte aan de rechtbank verzocht om aan verdachte een taakstraf op te leggen voor de duur van 180 uren.

6.3

Oordeel van de rechtbank

Bij de beslissing over de sanctie die aan verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het herhaaldelijk seksueel misbruiken van zijn veertig jaar jongere nichtje [slachtoffer 1] . Het misbruik vond plaats in een periode van ongeveer een jaar en [slachtoffer 1] was toen 12 of 13 jaar oud. Nadat dit misbruik stopte, heeft verdachte [slachtoffer 1] zusje [slachtoffer 2] seksueel misbruikt. Tijdens verschillende logeerpartijtjes van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] bij verdachte thuis heeft verdachte met zijn handelen ernstig inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van [slachtoffer 1] en eenmaal van [slachtoffer 2] . De idee indertijd van verdachte dat hij “de inwijder” was, de oom die [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] in een opgroeifase van seksualiteit op de hoogte moest brengen, is totaal misplaatst en getuigt van geen enkel inzicht bij verdachte destijds in de schadelijke en verstrekkende gevolgen van zijn handelingen. Verdachte heeft het vertrouwen dat [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] in hem hadden misbruikt ten behoeve van zijn eigen lustgevoelens en behoeftebevrediging en hen opgezadeld met gevoelens van schaamte en geheimen. Zo zei verdachte tegen [slachtoffer 2] dat ze het niet verder mocht vertellen, omdat hij dan in de gevangenis zou kunnen komen. De rechtbank rekent het verdachte zwaar aan dat hij hen op deze wijze heeft belast en niet zijn verantwoordelijkheid heeft genomen. Ook niet na het misbruik van [slachtoffer 2] , toen - zoals hij zelf heeft verklaard - hij met een donderklap wakker werd, omdat [slachtoffer 2] meteen weerstand bood. Integendeel, eerst vele jaren later, toen hij met het door hem gepleegde misbruik werd geconfronteerd door zijn schoonzus, de moeder van de nichtjes, en duidelijk werd dat er mogelijk aangifte zou worden gedaan, heeft hij zichzelf bij de politie gemeld en hulp gezocht.

Zowel [slachtoffer 1] als [slachtoffer 2] bevonden zich gedurende de periode - cq het moment- van het misbruik in een kwetsbare fase van de (seksuele) ontwikkeling: de (pre)puberteit. Niet voor niets is door de wetgever de geestelijke en lichamelijke integriteit van jeugdigen uitdrukkelijk beschermd, onder meer op de grond dat zij op seksueel gebied nog niet volgroeid zijn en dat zij worden geacht niet zelfstandig de emotionele gevolgen van seksueel contact voldoende te kunnen overzien. Minderjarigen moeten kunnen opgroeien in een veilige omgeving en zich veilig kunnen ontwikkelen, juist ook op seksueel gebied. Daarbij komt dat verdachte wist dat [slachtoffer 2] een verstandelijke beperking heeft, hetgeen haar extra kwetsbaar maakt.

Het is algemeen bekend dat feiten als de onderhavige (vooral in die levensfase) grote schade kunnen toebrengen aan de ontwikkeling van kinderen. Die schade doet zich ook voor bij [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] . Uit de vorderingen van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] en de toelichting daarop blijkt ook hoezeer zij lijden onder het misbruik en de wijze waarop verdachte hun vertrouwen heeft geschonden en dat zij hiervoor therapie hebben (gehad). De rechtbank rekent verdachte dit alles zwaar aan.

De rechtbank is gelet op de ernst van de feiten van oordeel dat niet kan worden volstaan met een andere straf dan een forse gevangenisstraf die deels een onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt.

Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank in het bijzonder gelet op het over de verdachte uitgebrachte voorlichtingsrapport gedateerd 31 juli 2019 van de reclassering en het aanvullend reclasseringsadvies van 24 maart 2020. Hieruit blijkt onder meer dat de identificatie van verdachte met kinderen als risicofactor kan worden beschouwd en dat verdachte sinds mei 2019 in behandeling is bij De Waag.

Bij een veroordeling adviseert de reclassering een straf zonder bijzondere voorwaarden. Interventies of toezicht zijn volgens de reclassering niet nodig. De reclassering adviseert een contactverbod met de slachtoffers zolang het Openbaar Ministerie dit verbod nodig vindt en waarbij de politie toeziet op handhaving van dit contactverbod.

Ter terechtzitting heeft verdachte verklaard dat de behandeling bij De Waag nog niet is afgerond. Hij heeft desgevraagd verklaard dat er zover hij weet geen diagnostiek is geweest en er volgens hem ook geen stoornis is vastgesteld. Hij heeft eerst individuele therapie gehad en volgt nu groepstherapie voor zeden.

De rechtbank zal aan verdachte een gevangenisstraf opleggen van 30 maanden, waarbij de rechtbank zal bepalen dat 10 maanden daarvan niet ten uitvoer zullen worden gelegd. De rechtbank zal aan het voorwaardelijk deel van de gevangenisstraf een proeftijd verbinden van drie jaren, opdat verdachte ervan wordt weerhouden zich voor het einde van die proeftijd schuldig te maken aan een strafbaar feit.

Daarnaast acht de rechtbank verplichte begeleiding door de reclassering noodzakelijk, hoewel de reclassering de rechtbank hier zelf anders over heeft geadviseerd. De rechtbank acht deze begeleiding echter van belang, omdat zij aan verdachte een contactverbod en, gelet op de ernst van het bewezenverklaarde en de genoemde risicofactor bij verdachte, een behandelverplichting zal opleggen. Zij acht het van belang dat de reclassering toezicht houdt op de naleving daarvan. Een dergelijke verplichting zal als bijzondere voorwaarde aan het voorwaardelijk deel van de op te leggen straf worden verbonden.

Daarnaast acht de rechtbank een contactverbod met [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] noodzakelijk. Een dergelijk verbod zal als bijzondere voorwaarde aan het voorwaardelijk deel van de op te leggen straf worden verbonden.

7 Vorderingen benadeelde partijen en schadevergoedingsmaatregel

7.1.1. Vordering benadeelde partij [slachtoffer 1]

De benadeelde partij [slachtoffer 1] heeft een vordering tot schadevergoeding van

€ 8.385,00 ingediend tegen verdachte wegens materiële en immateriële schade die zij als gevolg van de onder feit 1 en feit 2 ten laste gelegde feiten zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag. De gestelde schade bestaat uit een bedrag van

€ 385,00 voor materiële schade en een bedrag van € 8.000,00 voor immateriële schade.

7.1.2 Standpunt van de officier van justitie

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] moet volgens de officier van justitie worden toegewezen, met de schadevergoedingsmaatregel en wettelijke rente.

7.1.3 Standpunt van de raadsman

De raadsman heeft naar voren gebracht dat de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] niet is ondertekend door de benadeelde partij of haar gemachtigde.

Indien de rechtbank van oordeel is dat de voeging op een juiste wijze is geschiedt, heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat de gestelde stoornissen PTSS en depressie niet worden gedragen door de overgelegde verklaring van de psycholoog. Indien de rechtbank wel van oordeel is dat de benadeelde partij PTSS heeft, dan wordt betwist dat deze is veroorzaakt door de ontuchtige handelingen van verdachte.

De raadsman heeft de rechtbank verzocht om de vordering niet-ontvankelijk te verklaren. Subsidiair heeft de raadsman verzocht om wat de immateriële schade betreft een bedrag op te leggen van € 2.500,00. Ten aanzien van de materiële schade heeft verdachte zich volgens zijn raadsman gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

7.1.4 Oordeel van de rechtbank

Het enkele feit dat de benadeelde partij of diens gemachtigde het voegingsformulier niet heeft ondertekend, leidt niet tot de conclusie dat zij niet kan worden ontvangen in haar vordering. Gelet op de vordering, de onderbouwing daarvan, haar aanwezigheid op zitting en de toelichting op het verzoek ter zitting door haar gemachtigde is er immers geen twijfel dat die vordering door de benadeelde partij [slachtoffer 1] is ingesteld.

De rechtbank is van oordeel dat de materiële schade, die betrekking heeft op het eigen risico ziektekosten (behandeling door een psycholoog), rechtstreeks voortvloeit uit de onder feit 1 en feit 2 bewezen verklaarde feiten. Uit de toelichting bij de vordering blijkt immers dat de benadeelde partij zich bij haar huisarts meldde, nadat ze met [slachtoffer 2] bij haar ouders bekend maakte dat ze allebei misbruikt zijn door hun oom. Zij is vervolgens door haar huisarts doorverwezen naar een psycholoog. Verder overweegt de rechtbank dat de aard en de ernst van de normschending meebrengen dat de nadelige gevolgen voor de benadeelde partij zozeer voor de hand liggen dat een aantasting in de persoon als bedoeld in artikel 6:106 sub b Burgerlijk Wetboek kan worden aangenomen. De rechtbank komt vergoeding van de immateriële schade tot een bedrag van € 5.000,00 billijk voor gelet op de onderbouwing van de vordering en het verhandelde ter terechtzitting. In zoverre zal de vordering dan ook worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 28 februari 2009 tot aan de dag der algehele voldoening.

Daarnaast dient verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken. De tot op heden door de benadeelde partij gemaakte kosten worden vastgesteld op nihil.

De rechtbank zal de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk verklaren in haar vordering. De benadeelde partij kan het deel van de vordering waarin zij niet-ontvankelijk zal worden verklaard desgewenst bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

schadevergoedingsmaatregel

De rechtbank ziet als gevolg van verdachtes onder feit 1 en feit 2 bewezen verklaarde handelen [kort gezegd: ontucht, meermalen gepleegd] aanleiding ter zake van de vordering van de benadeelde partij de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht op te leggen.

7.2.1 Vordering benadeelde partij [slachtoffer 2]

De benadeelde partij [slachtoffer 2] heeft een (bijgestelde) vordering tot schadevergoeding van € 8.254,44 ingediend tegen verdachte wegens materiële en immateriële schade die zij als gevolg van het onder feit 3 ten laste gelegde feit zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag. De gestelde schade bestaat uit een bedrag van € 254,44 voor materiële schade en een bedrag van € 8.000,00 voor immateriële schade.

7.2.2 Standpunt van de officier van justitie

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] moet volgens de officier van justitie worden toegewezen, met de schadevergoedingsmaatregel en wettelijke rente.

7.2.3 Standpunt van de raadsman

De raadsman heeft naar voren gebracht dat hij van het Openbaar Ministerie geen voegingsformulier heeft ontvangen, zoals is opgenomen in artikel 51g lid 1 Wetboek van Strafvordering, maar dat hij van de gemachtigde van de benadeelde partij verschillende vorderingen heeft ontvangen.

Indien de rechtbank van oordeel is dat de voeging op een juiste wijze is geschiedt, heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat hij betwist dat de verklaring die is overgelegd ter onderbouwing van de vordering van een GZ-psycholoog afkomstig is, reden waarom hij daar geen waarde kan hechten. Overigens betwist de raadsman de gestelde stoornissen; die zijn volgens hem niet onderbouwd. De raadsman heeft de rechtbank verzocht in het geval dat zij de benadeelde partij ontvankelijk verklaart in haar vordering, een immateriële schadevergoeding op te leggen van € 1.500,00. Ten aanzien van de materiële schade betwist de raadsman de reiskosten van € 184,00.

7.2.4 Oordeel van de rechtbank

Op grond van artikel 51g lid 3 Wetboek van Strafvordering geschiedt ter terechtzitting de voeging door de opgave, bedoeld in het eerste lid, eerste volzin, bij de rechter uiterlijk voordat de officier van justitie in de gelegenheid is gesteld om overeenkomstig artikel 311 Wetboek van Strafvordering het woord te voeren. Naar het oordeel van de rechtbank is hiervan in dit geval sprake, nu de gemachtigde van de benadeelde partij ter zitting de aangepaste vordering vóór het requisitoir heeft overgelegd. De benadeelde partij [slachtoffer 2] is derhalve ontvankelijk in de vordering.

Naar het oordeel van de rechtbank wordt de vordering ondersteund door een verklaring van een deskundige. Bij de vordering zit een toelichting die is opgemaakt door [naam] , GZ-psycholoog, die aangeeft dat de benadeelde partij sinds april 2019 wekelijks behandelcontacten heeft met haar. Het beroep van GZ-psycholoog is een beschermde titel en er zijn geen aanwijzingen dat [naam] ten onrechte deze beschermde titel voert. De rechtbank is van oordeel dat de materiële schade, die betrekking heeft op het eigen risico ziektekosten (behandeling door een psycholoog) en de reiskosten naar de psycholoog rechtstreeks voortvloeien uit het onder feit 3 bewezen verklaarde feit. Uit de toelichting bij de vordering blijkt immers dat de benadeelde partij mede vanwege het misbruik onder behandeling is. Verder overweegt de rechtbank dat de aard en de ernst van de normschending meebrengen dat de nadelige gevolgen voor de benadeelde partij zozeer voor de hand liggen dat een aantasting in de persoon als bedoeld in artikel 6:106 sub b Burgerlijk Wetboek kan worden aangenomen. De rechtbank komt vergoeding van de immateriële schade tot een bedrag van € 1.500,00 billijk voor gelet op de onderbouwing van de vordering en het verhandelde ter terechtzitting. In zoverre zal de vordering dan ook worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 28 februari 2010 tot aan de dag der algehele voldoening.

Daarnaast dient verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken. De tot op heden door de benadeelde partij gemaakte kosten worden vastgesteld op nihil.

De rechtbank zal de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk verklaren in haar vordering. De benadeelde partij kan het deel van de vordering waarin zij niet-ontvankelijk zal worden verklaard desgewenst bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

schadevergoedingsmaatregel

De rechtbank ziet als gevolg van verdachtes onder feit 3 bewezen verklaarde handelen [kort gezegd: ontucht] aanleiding ter zake van de vordering van de benadeelde partij de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht op te leggen.

8 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

artikel 14a, 14b, 14c, 36f, 57, 245 en 249 van het Wetboek van Strafrecht.

9 Beslissing

De rechtbank:

Verklaart bewezen dat verdachte de onder feit 1, feit 2 en feit 3 eerste cumulatief/alternatief ten laste gelegde feiten heeft begaan zoals hiervoor onder 3.4 weergegeven.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.

Bepaalt dat de onder feit 1, feit 2 en feit 3 eerste cumulatief/alternatief bewezen verklaarde feiten de hierboven onder 4. vermelde strafbare feiten opleveren.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 (zegge: dertig) maanden.

Beveelt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot 10 (zegge: tien) maanden niet ten uitvoer zal worden gelegd en stelt daarbij een proeftijd vast van drie jaren.

Stelt als algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.

Stelt als bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:

  • -

    zich gedurende de proeftijd van drie jaren onder behandeling zal blijven stellen van De Waag of een soortgelijke instelling, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering dat, in overleg met De Waag, nodig vindt;

  • -

    zich gedurende de proeftijd van drie jaren met het oog op het toezicht op de hiervoor vermelde voorwaarde zal melden bij Reclassering Nederland, Adviesunit 1 Noord-West, Drechterwaard 102 te Alkmaar, zo vaak en zolang de reclassering dit noodzakelijk acht;

  • -

    gedurende de proeftijd van drie jaren op geen enkele wijze - direct of indirect - contact zal opnemen, zoeken of hebben met [slachtoffer 1] , geboren te Alkmaar op [geboortedatum 2] en [slachtoffer 2] , geboren te Alkmaar op [geboortedatum 3] , zolang de reclassering dit noodzakelijk acht.

Geeft aan voornoemde reclasseringsinstelling de opdracht als bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd:

- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

- medewerking zal verlenen aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht, daaronder begrepen.

Bepaalt dat de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk deel van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij [slachtoffer 1] geleden schade tot een bedrag van € 5.385,00, bestaande uit € 385,00 als vergoeding voor de materiële en € 5.000,00 als vergoeding voor de immateriële schade, en veroordeelt verdachte tot betaling van dit bedrag vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 28 februari 2009 tot aan de dag der algehele voldoening, aan [slachtoffer 1] , voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting.

Veroordeelt verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.

Verklaart benadeelde partij [slachtoffer 1] voor het overige niet-ontvankelijk in haar vordering.

Legt verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van slachtoffer [slachtoffer 1] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 5.385,00 en bepaalt dat het te betalen bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 28 februari 2009 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling op maximaal 61 dagen indien volledig verhaal van dit bedrag overeenkomstig de artikelen 6:4:4, 6:4:5 en 6:4:6 Sv niet mogelijk blijkt.

Bepaalt met betrekking tot dit bedrag dat betalingen aan benadeelde partij [slachtoffer 1] in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan benadeelde partij [slachtoffer 1] .

Bepaalt dat de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk deel van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij [slachtoffer 2] geleden schade tot een bedrag van € 1.754,44, bestaande uit € 254,55 als vergoeding voor de materiële en € 1.500,00 als vergoeding voor de immateriële schade, en veroordeelt verdachte tot betaling van dit bedrag vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 28 februari 2010 tot aan de dag der algehele voldoening, aan [slachtoffer 2] , voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting.

Veroordeelt verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.

Verklaart benadeelde partij [slachtoffer 2] voor het overige niet-ontvankelijk in haar vordering.

Legt verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van slachtoffer [slachtoffer 2] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 1.754,44 en bepaalt dat het te betalen bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 28 februari 2010 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling op maximaal 27 dagen indien volledig verhaal van dit bedrag overeenkomstig de artikelen 6:4:4, 6:4:5 en 6:4:6 Sv niet mogelijk blijkt.

Bepaalt met betrekking tot dit bedrag dat betalingen aan de benadeelde partij [slachtoffer 2] in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan [slachtoffer 2] .

Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door

mr. M.E. Allegro, voorzitter,

mrs. I.A.M. Tel en M.C.J. Lommen, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffier J.A. Huismans,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 22 september 2020.

mr. Tel en de griffier zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage

De bewijsmiddelen

De hierna vermelde processen-verbaal zijn in de wettelijke vorm opgemaakt door personen die daartoe bevoegd zijn en voldoen ook overigens aan de daaraan bij wet gestelde eisen.

De bewijsmiddelen zijn, ook in onderdelen, telkens slechts gebruikt tot het bewijs van het feit of de feiten waarop zij blijkens hun inhoud betrekking hebben.

Ten aanzien van feit 1 en feit 2

Verklaring van verdachte ter terechtzitting

De verklaring die verdachte ter terechtzitting van 8 september 2020 heeft afgelegd, houdt – zakelijk weergegeven – onder meer het volgende in.

In mijn herinnering is het gebeurd tijdens de jaren dat zij opgroeiden en in de zomer bij ons kwamen en kwamen logeren. Ik herinner mij dat ik [slachtoffer 1] streelde en ik voelde dat zij nat werd. Dat voelde ik doordat ik met mijn vinger aan haar vagina zat. Ik denk dat [slachtoffer 1] een jaar of 14 was. Het gebeurde bij mij in huis. Ik ging met [slachtoffer 1] naar de badkamer, droogde haar af en smeerde haar in met olie. Ik heb haar borsten aangeraakt in bed. Haar billen ook en haar armen ongetwijfeld ook. Ik heb ook haar liezen aangeraakt, dat is de binnenkant van haar been. Ik heb de clitoris aangeraakt. Ik heb de schaamlippen opzij gedrukt. Dat heb ik ook een keer met mijn tong gedaan. Ik heb haar vagina gemasseerd. Ik weet dat ik haar clitoris masseerde.

Een proces-verbaal van verhoor (pagina 80). Dit proces-verbaal houdt – zakelijk weergegeven – onder meer in als de op 16 april 2019 door verdachte ten overstaan van verbalisanten afgelegde verklaring:

V: Kunt u iets zeggen over het masseren van [slachtoffer 1] ?

A: Strelen... zij kon bijvoorbeeld niet slapen en om haar tot rust te brengen masseerde ik haar en viel zij in slaap. Later dat zij bij mij sliep streelde ik haar rug en over haar billen. Het moment van ontstaan is geweest dat zij zei ‘ [naam] ik ben nat’. Ik had het hierbij moeten laten natuurlijk maar ik ben toen gaan voelen en het was inderdaad zo.

V: Waar heeft u gevoeld?

A: Aan haar vagina.

V: Wat heeft u gedaan bij haar vagina?

A: Haar clitoris aangeraakt.

V: Wat heeft u gedaan bij de vagina van [slachtoffer 1] ?
A: Ik heb met mijn vinger tussen haar schaamlippen gestreeld en over haar clitoris gewreven.
Met de tong heb ik ook gedaan.
V: Hoe kwam u in deze situatie?
A: Zij kwam bij ons logeren. Toen is zij naar bed gegaan en toen heb ik haar tussen haar benen,,,.gelikt... .in de volksmond wordt het ook beffen genoemd.
V: Even terug naar de handeling het likken van de vagina. Wat deed u?
A: Ik likte haar met mijn tong.
V: Hoe was jullie positie?
A: Wij lagen op het bed en ik lag uit bed toen ik haar vagina likte. Daarmee bedoel ik dat ik op mijn knieën op de grond zat. Zij had haar benen wijd en lag op haar rug.
V: U zegt het likken van haar vagina. Wat likte u?
A: Ik likte haar clitoris.

V: U zei in het begin dat het ongeveer 10 a 11 jaar geleden is gebeurd.
A: Ja dan heb ik het over [slachtoffer 1] . En ik denk 10 a 11 jaar geleden omdat ik denk aan de leeftijd van 13 a 14 jaar dat [slachtoffer 1] was.

Een proces-verbaal van aangifte (pagina 10 e.v.). Dit proces-verbaal houdt – zakelijk weergegeven – onder meer in als de op 24 januari 2019 door aangever [slachtoffer 1] ten overstaan van verbalisanten afgelegde verklaring:

V: Waar wil je aangifte van doen?

A: Het aanraken op privé delen, op een ongepaste manier.

V: Tegen wie wil je aangifte doen?
A: Tegen [naam] . Mijn oom. Volgens mij heet hij volledig [naam verdachte] . Hij woont in Bergen.

V: Waar is dit gebeurd?
A: Bij hun thuis, in de slaapkamer. Op het adres waar ze nu ook nog wonen.
V: Wanneer is dit gebeurd?
A: Ik moet toen het gebeurde met mijn oom, 12 of 13 jaar zijn geweest.
V: Hoe vaak heeft dat aanraken plaats gevonden?
A: Het is zeker een keer of 10 geweest. In mijn hoofd zijn deze tien keer in een periode van een jaar gebeurd. En het gebeurde op keren dat ik daar sliep.
V: Vertel eens over die keer die je je nog weet te herinneren.
A: In mijn herinnering is de eerste keer dat, ik heb een droge huid. Dan ging hij mij insmeren met rozenolie. En dat deed hij dan in bed. En dan ging hij steeds met zijn handen steeds verder naar boven. En eerst niet echt aanraken maar wel in de buurt. En dan wel aanraken op mijn borsten bijvoorbeeld. Dan ging hij steeds dichter tegen mij aanliggen. Want als je masseert zit je normaal op een afstandje. Maar dan kwam hij dus dichterbij liggen en dan kwam hij in mijn 'ruimte' liggen. En dan ging hij daar beneden voelen.
V: En hoe gaat het dan verder?
A: De eerste paar keren hield het daar zeg maar een beetje op. Het ging wel van heel even voelen naar wat langer voelen. En zeg maar sneller van die massage naar die kant. Wat ik mij nog heel goed herinneren is dat hij heel dicht bij mij lag. Maar het werd wel elke keer een stapje meer.
V: Kan je dat uitleggen?
A: Het was eerst vooral masseren en een beetje betasten. En vanuit daar ging het van wel echt vingeren en van daar ging het over tot echt beffen zeg maar. Het merendeel was dus van beginnen met masseren of niet masseren maar strelen. En dat ging dan van een klein beetje naar steeds erger.

V: Kan je nog meer vertellen?
A: Hij heeft wel eens met zijn piemel tegen mij aan gezeten. En ook daarbij bij mijn vagina. Niet erin maar er wel gewoon overheen. Hij heeft ook wel eens zijn vinger naar binnen gebracht.

V: Maar wat kan je je nog herinneren van het strelen wat plaats vond in slaapkamer 3, de kamer met het stapelbed.

A: Ik lag dan voor [naam] onderin het stapelbed omdat ik anders de tv niet kon zien. De tv stond in de kast. Nou dan aaide streelde [naam] over mijn rug en zij.

V: Even over dat insmeren van je huid en het aanraken van jou. Wat kan je daar over vertellen?
A: Toen smeerde hij mijn benen in en mijn armen. En in eerste instantie een beetje masseren zodat de olie goed introk. En dan ging hij op een gegeven moment verder. Dus verder naar mijn buik, borsten en liezen.

V: Je hebt het onder anderen over het masseren van je borsten. Wat deed hij precies?
A: Met zijn handen er overheen.

V: Hoe zat het met je bovenkleding?
A: Ik denk dat het uit was. Ik droeg overdag al een bh maar niet 's avonds. En dit was 's avonds als ik een pyjama aan had. In mijn herinnering ging hij met zijn hand nergens onder maar zat hij op de huid van mijn borsten.
V: Je hebt het ook over het aanraken of insmeren van je liezen. Wat deed hij precies?
A: Insmeren, het gedeelte aan de bovenkant van mijn bovenbenen, aan de voorzijde, niet tussen mijn benen.
V: Dan gaan we nu het hebben over het vingeren. Wat kan je daar over vertellen. Wat kan je je nog herinneren?
A: Het vingeren gebeurde altijd in het bed van slaapkamer 1. Het was het aanraken van de vagina en in eerste instantie niet inwendig. Dat inwendig is wel een paar keer gebeurd, maar in het begin niet zo.
V: Wat deed hij bij het aanraken van je vagina?
A: ...ik denk dat ik het beste kan omschrijven als masseren van je vagina. Niet eventjes aanraken maar gewoon constant aanraken, niet op 1 plek. Dat deed hij dan met zijn handen.... of met zijn mond maar dat kwam later.
V: Hoe zat het met je kleding als hij je vagina aanraakte?
A: Dat was dan uit. Of in ieder geval was mijn onderkleding uit of naar beneden. Hij raakte mijn vagina aan de buitenkant, binnenkant en mijn clitoris aan.
V: Je noemde net dat [naam] je aanraakte op de buitenkant, binnenkant van je vagina en het aanraken van je clitoris.
A: Dat noem ik meer het aanraken van mijn vagina. En vingeren is meer het bewegen met een hand, vingers.
V: Heeft [naam] nog meer gedaan bij je vagina dan het aanraken van de buitenkant binnenkant en aanraken van de clitoris?
A: Ja hij is wel eens met zijn vinger erin gegaan.
V: Wat deed hij dan?
A: Hij ging met zijn vinger in mijn vagina, dus waar een penis normaal in gaat tijdens de seks. Ik kan mij wel herinneren dat dat pijn deed.
V: Weet je nog of [naam] reageerde toen hij met zijn vinger in je vagina ging en jij dit niet prettig vond
A: Ja hij stopte daarmee.
V: Is het daarna nog eens gebeurd dat hij met zijn vinger in je vagina ging?
A: Het is wel nog een keer gebeurd, maar niet constant. Omdat ik het in mijn herinnering niet prettig vond. Als ik iets deed waardoor [naam] merkte dat ik het niet prettig vond dan stopte [naam] daar ook mee.
V: Weet je of [naam] 1 of meerdere vingers in je vagina deed?
A: Nee dat weet ik niet, maar ik kan mij niet voorstellen dat het er meer dan 1 was. Ook omdat ik nu wel weet hoe het voelt. Daaruit kan ik denk ik nu wel duidelijk zeggen dat het er 1 was.
V: Wat deed hij met zijn vinger als hij deze in jouw vagina deed?
A: Niet zoveel want het naar binnen gaan was al pijnlijk. Dus veel verder kwam hij niet.
V: We hebben je voor de pauze gevraagd naar het betasten van je vagina. Je hebt ons ook verteld dat het vingeren over ging tot beffen. Wat kan je daar over vertellen?

A: Nou hij ging dan tussen mijn benen zitten of liggen, op bed. En dan ging hij met zijn tong en lippen over en in mijn vagina.
V: Hoe vaak heeft dat beffen tussen jou en [naam] plaats gevonden?
A: Een keer of 5 a 6, wat ik mij kan herinneren.
V: Hoe komt zo'n situatie tot beffen?
A: Het was wel altijd eerst vingeren en zo. Maar ik weet niet hoe het een van het ander ging. Het was niet dat hij dit zomaar deed. Maar dat was altijd zo. Het begon altijd met aanraken enzo, hij deed dit nooit zomaar in 1 keer.
V: Je hebt ook nog iets gezegd over zijn piemel die je tegen je aanvoelde. Wat kan je daar over zeggen?
A: Nou ik kan mij herinneren dat hij met zijn piemel, het voorste stukje, langs mijn vagina ging en tussen mijn schaamlippen door. En dat ik mij toen bedacht van 'dat past toch nooit, hoe kan een mens überhaupt seks hebben'.
V: Hoe was jullie positie toen hij dit deed?
A: Ik lag op mijn rug op bed. En hij kwam tussen mijn benen naar boven. Ik had zeg maar mijn benen wijd en hij zat of lag tussen mijn benen in zeg maar.

V: Hoe wist je dat het de piemel van [naam] was?
A: Omdat het anders voelde. Het voelde anders als een hand of tong. En het was bol en glad. Maar hij is wel een keer eerder met zijn penis er een keer zachtjes langs gegaan, langs mijn liezen tussen mijn benen, aan de buitenkant van mijn schaamlippen. Ik denk dat ik ook wel wist wat het was door de positie van zijn lichaam, dat hij zeg maar zo boven mij hing.
V: Hoe vaak is hij met zijn penis bij je vagina geweest?
A: Maximaal 2 keer. Een keer dus met zijn piemel tussen mijn schaamlippen en een keer met zijn piemel bij mijn liezen.

Ten aanzien van feit 3

Verklaring van verdachte ter terechtzitting

De verklaring die verdachte ter terechtzitting van 8 september 2020 heeft afgelegd, houdt – zakelijk weergegeven – onder meer het volgende in.

Met [slachtoffer 2] was een paar jaar later. Het was in mijn huis. Het is één keer gebeurd. [slachtoffer 2] wilde graag bij mij slapen. Ik ging haar strelen en kwam bij haar vagina en clitoris terecht. [slachtoffer 2] ging huilen. Ik zei tegen [slachtoffer 2] dat ze het niet verder moest vertellen, dan zou ik in de gevangenis kunnen komen.

Een proces-verbaal van verhoor (pagina 80). Dit proces-verbaal houdt – zakelijk weergegeven – onder meer in als de op 16 april 2019 door verdacht ten overstaan van verbalisanten afgelegde verklaring:

V: Hoe oud was [slachtoffer 2] dat het met [slachtoffer 2] gebeurde?
A: Ik denk 14 a 15 jaar die richting.

V: Even een stapje terug naar de handeling bij [slachtoffer 2] . Waar zat u met uw hand bij [slachtoffer 2] ?

A: Aan haar vagina (…) met de hand ertussen.

V: Met tussen bedoelt u?

A: Met mijn vinger (…) tussen de schaamlippen.

Een proces-verbaal van aangifte (pagina 32 e.v.). Dit proces-verbaal houdt – zakelijk weergegeven – onder meer in als de op 29 januari 2019 door aangever [naam] ten overstaan van verbalisanten afgelegde verklaring:

V: Waar wil je aangifte van doen?
A: Misbruik maken van mijn dochter [slachtoffer 2] .
V: Tegen wie wil je aangifte doen?
A: Mijn zwager, [naam verdachte] .
V: Op wat voor manier vertelde [slachtoffer 2] dit?


A: Met precieze woorden kan ik het niet zeggen maar [slachtoffer 2] zei iets in de trant van 'iemand heeft aan mij gezeten'. Ik vroeg haar wie bedoel je? [slachtoffer 2] antwoordde: Mijn oompje, [naam] .
Ze heeft gezegd: "Hij heeft met zijn vingers in mij gezeten.’’

Een proces-verbaal van bevindingen verhoor (pagina 39 e.v.). Dit proces-verbaal houdt – zakelijk weergegeven – onder meer in als relaas van bevindingen en/of verrichtingen van verbalisant [naam verbalisant] :

Op donderdag 14 februari 2019 uur werd in de AVR ruimte van de politie Alkmaar een verhoor afgenomen van [slachtoffer 2] , geboren op [geboortedatum 3] te Alkmaar. Dit verhoor is audiovisueel opgenomen en verbatim door mij uitgewerkt.

(…)

B: Ik sliep wel vaker bij ze, dat wel. En het was de eerste keer dat ik bij hem sliep eigenlijk.

V1: Wat deed hij?
B: Vingeren.
V1: Vingeren. En wat is vingeren [slachtoffer 2] ?
B:.. Dat je met je vinger daar beneden erin gaat, zeg maar.
V1: Jij zegt: Ging hij aan je zitten, ging hij met zijn vinger aan je vagina zitten?
B: Ja
V1: En over wie hebben wij het? Wie is hij?
B: Mijn oom.
V1: Hoe heet jouw oom?
B: [naam] .
V1: En hoe vaak is het vingeren, dus bij je vagina, gebeurd?
B: één keer
V1: dat is één keer gebeurd. En waar is het gebeurd?
B; In de slaapkamer van [naam] .
V1: en weet jij ook, wanneer dit is gebeurd?
B: Nee. Dat weet ik echt niet meer. Ik heb nog eens geprobeerd om erover na te denken wanneer het gebeurd is. Maar ik weet het niet, ik weet het echt niet. Het is in ieder geval wel voor mijn 17e dat weet ik wel.

V1: En kan je vertellen, wat ie precies deed bij jou? Als je nog weet te herinneren?
B: Gewoon een beetje over je buik wrijven en dan steeds een stukje naar beneden gaan.
V1: En toen? Steeds een stukje naar beneden en toen?
B: En was hij bij mijn...En toen ging hij vingeren en zo.

V1: En over dat vingeren zei jij... zei je nu dat hij met zijn vinger of vingers erin ging?
B: Vinger, ja.
V1: weet jij of hij met één vinger erin ging of met meerdere vingers?
B: Eén

Een proces-verbaal van aangifte (pagina 10 e.v.). Dit proces-verbaal houdt – zakelijk weergegeven – onder meer in als de op 24 januari 2019 door aangever [slachtoffer 1] ten overstaan van verbalisanten afgelegde verklaring:

V: Sliepen er nog wel eens anderen bij [naam] ?
A: Niet als ik daar was. Mijn broertje en zusjes logeerden daar ook. Maar [slachtoffer 2] heeft mij destijds wel een keer een verhaal verteld.
V: Wat bedoel je?
A: Een keer toen [slachtoffer 2] terug kwam van logeren. Dat was in de periode dat ik daar al niet meer logeerde. [slachtoffer 2] vertelde mij dat [naam] haar had gemasseerd en dat hij verder ging tussen haar benen. Ik weet niet meer precies wat ze zei. [slachtoffer 2] zei wel tegen mij dat ze het niet prettig vond en het niet wilde. En [slachtoffer 2] zei dat ze toen naar beneden is gegaan en op de bank is gaan slapen. Ik heb toen tegen [slachtoffer 2] gezegd dat ik het zou regelen.
V: En toen?
A: Ik weet niet hoe lang er tussen heeft gezeten maar op een gegeven moment kwam [naam] iemand afzetten bij ons thuis. Hij zat in zijn auto en ik heb toen tegen hem gezegd dat wat hij bij [slachtoffer 2] had gedaan dat hij dit nooit meer mocht doen. En als hij het nog wel zou doen dat ik dan de politie in zou lichten.
V: Hoe lang is dit denk je geleden?
A: Ik denk dat dit speelde rond mijn 14e jaar, mogelijk iets ouder.