Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2020:7353

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
24-09-2020
Datum publicatie
28-09-2020
Zaaknummer
AWB - 19 _ 3513
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Ziektewetzaak, Geen sprake van toegenomen arbeidsongeschiktheid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummer: HAA 19/3513

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 24 september 2020 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 19 februari 2019 (het primaire besluit) heeft verweerder aan eiser per 1 oktober 2019 geen uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) toegekend.

Bij besluit van 1 juli 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 augustus 2020. Eiser en verweerder zijn niet verschenen.

Overwegingen

1. Eiser heeft zich voor het eerst in februari 2007 ziekgemeld en heeft toen een uitkering op grond van de ZW ontvangen. Vervolgens heeft eiser zich in 2011, 2013, 2015 en mei 2018 ziekgemeld. Eiser heeft in die tijd uitkeringen op grond van de ZW en de Werkloosheidswet ontvangen en arbeid in loondienst verricht. Naar aanleiding van de ziekmelding in mei 2018 is eiser onderzocht door de verzekeringsarts, die op 18 september 2018 een functionele mogelijkhedenlijst (FML) op heeft gesteld. Verweerder heeft eiser bij besluit van 24 september 2018 arbeidsgeschikt geacht. Op 3 oktober 2018 heeft eiser bij een gesprek met de verzekeringsarts aangegeven toegenomen klachten te hebben. Hij heeft zich op 27 november 2018 toegenomen ziekgemeld met terugwerkende kracht. In overleg met verweerder is hierbij voor de datum 1 oktober 2018 gekozen. Op 30 november 2018 heeft eiser aanvullende medische informatie overgelegd.

2.1

Op 19 december 2018 heeft de verzekeringsarts op de door eiser op 30 november 2018 overgelegde medische informatie gereageerd. De informatie is volgens de verzekeringsarts een bevestiging van het beeld dat in eerdere rapportages is vastgesteld en waarvoor ook eerder behandeling heeft plaatsgevonden, namelijk dat eiser lijdt aan Somatisch onvoldoende verklaarde lichamelijke klachten (SOLK). Ook in de rapportage die heeft geleid tot het besluit van 24 september 2018, was hiervan sprake. Eiser heeft daarnaast klachten aan zijn knie. Er is volgens de verzekeringsarts geen reden om aan te nemen dat eiser op 1 oktober 2018 onvoldoende belastbaar was om in een fysiek en mentaal lichte functie te kunnen functioneren. Indien er een behandeling van start gaat die een substantieel deel van de week in beslag gaat nemen zou er sprake kunnen zijn van verminderde beschikbaarheid voor arbeid. Hier was ten tijde van het onderzoek nog geen sprake van. Volgens de verzekeringsarts was dus nog geen sprake van verminderde beschikbaarheid. Vanaf de datum ziekmelding was minstens één van de eerdere geduide functies, namelijk die van wikkelaar, geschikt te achten.

2.2

Verweerder heeft vervolgens het primaire besluit genomen, waarbij eiser een ZW‑uitkering is geweigerd, omdat niet plausibel is dat hij per 1 oktober 2018 arbeidsongeschikt is. Hiertegen heeft eiser bezwaar gemaakt.

1.

2.3

De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft informatie van de revalidatiearts opgevraagd en verkregen. Op 28 juni 2019 heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep gerapporteerd. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft geen aanleiding gezien om af te wijken van het standpunt van de primaire verzekeringsarts. In de door de revalidatiearts overgelegde informatie wordt (nogmaals) bevestigd dat sprake is van SOLK. Volgens de revalidatiearts ligt hier waarschijnlijk sociale problematiek aan ten grondslag, waar eiser moeilijk mee om kan gaan. Dit heeft geresulteerd in een hoog stress niveau, dat zich uit in lichamelijke klachten. Het behandelbeleid is erop gericht het denken en doen van eiser te veranderen. Eiser is het traject gestart en lijkt volgens de revalidatiearts al meer inzicht te hebben. De start van het traject is van na datum in geding, dus de vraag of dit leidt tot verminderde beschikbaarheid is volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep niet aan de orde. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft ten aanzien van de conclusie dat sprake is van SOLK verder verwezen naar wat hij eerder heeft beschreven in de rapportage van 12 november 2018. De overgelegde informatie heeft niet tot een andere conclusie geleid. De omstandigheid dat sprake is van uitgebreid medicijngebruik en afspraken met de pijnspecialist, neuroloog en chirurg kan volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep aan deze conclusie niets afdoen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft de verklaring van de huisarts, dat eiser niet zou kunnen werken, nergens terug kunnen vinden. Nu het beeld van SOLK is bevestigd heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep geen reden gezien om af te wijken van de FML van 12 september 2018. De functie van wikkelaar is volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep fysiek licht, niet kniebelastend en ook psychisch licht. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft eiser dan ook in staat geacht deze functie te verrichten.

2.4

Verweerder heeft in het bestreden besluit het bezwaar van eiser onder verwijzing naar voornoemde conclusies ongegrond verklaard.

3. Eiser voert in beroep aan dat ten onrechte de klachten ontstaan na 1 oktober 2018 niet zijn meegewogen. De door hem aangegeven datum van toename van arbeidsongeschiktheid is in overleg met het UWV tot stand gekomen. Dit omdat zijn klachten al langer bestaan. Hij heeft nu een revalidatieprogramma dat verlengd is met ergotherapie, hydrotherapie en psychotherapie. Het heeft lang geduurd voordat behandeling mogelijk was. Eiser stelt vanwege zijn klachten overal hulp bij nodig te hebben en diverse hulpmiddelen te gebruiken.

4. Verweerder stelt zich in het verweerschrift op het standpunt dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep zorgvuldig onderzoek heeft verricht en voldoende heeft gemotiveerd waarom eiser de functie van wikkelaar kan verrichten. Wat eiser heeft aangevoerd is hetzelfde als voorheen en daarop is door de verzekeringsarts bezwaar en beroep reeds gereageerd.

5. De rechtbank overweegt als volgt.

5.1

Uit artikel 19aa van de Zw volgt dat een verzekerde die geen werkgever heeft na 52 weken uitkering op grond van de Ziektewet, alleen nog recht heeft op ziekengeld als hij ongeschikt is tot het verrichten van zijn arbeid én de verzekerde door rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen ziekte niet meer dan 65% van zijn maatmaninkomen kan verdienen. Bij dit laatste wordt niet alleen gekeken of eiser zijn eigen werk zou kunnen verrichten, maar ook of hij andere algemeen gangbare arbeid zou kunnen doen waarmee hij meer dan 65% van zijn eerder verdiende salaris kan verdienen.

5.2

De rechtbank ziet zich geplaatst voor de vraag of verweerder eiser ten tijde in geding terecht geschikt heeft geacht voor het verrichten van de functie van wikkelaar. Om dit te kunnen beoordelen, dient de rechtbank te beoordelen of het onderzoek door de verzekeringsartsen zorgvuldig tot stand is gekomen en of aanleiding bestaat voor twijfel aan de juistheid van het medische oordeel van de verzekeringsartsen.

5.3

De rechtbank ziet geen aanknopingspunten voor het oordeel dat het medisch onderzoek niet zorgvuldig of niet volledig is verricht. De verzekeringsarts heeft het dossier bestudeerd en eiser op 6 augustus 2018 zowel psychisch als lichamelijk onderzocht. Op 3 oktober 2018 heeft een telefoongesprek met eiser plaatsgevonden. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft het dossier bestudeerd en heeft eiser op 31 oktober 2018 nogmaals lichamelijk en psychisch onderzocht. Vervolgens heeft de verzekeringsarts de door eiser op 30 november 2018 overgelegde medische informatie bestudeerd en beoordeeld. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft het dossier bestudeerd, heeft de hoorzitting van 16 mei 2019 bijgewoond, heeft eiser zowel lichamelijk als psychisch onderzocht en heeft informatie van de revalidatiearts opgevraagd, verkregen en in de beoordeling betrokken.

Er is voorts geen aanleiding voor twijfel aan de juistheid van de medische beoordeling. Met de door eiser overgelegde en de door de verzekeringsarts bezwaar en beroep opgevraagde medische informatie is zichtbaar rekening gehouden bij de beoordeling. De rechtbank volgt de verzekeringsarts bezwaar en beroep in de conclusie dat, gelet op de gestelde diagnose SOLK, geen aanleiding is voor verdergaande beperkingen. Er zijn immers geen objectieve afwijkingen gevonden, wat in beginsel een voorwaarde is voor het aannemen van beperkingen. Met de SOLK is vervolgens voldoende rekening gehouden door in zekere mate fysieke beperkingen te stellen en beperkingen te stellen die psychische stress voorkomt. Nu eiser geen nadere informatie heeft overgelegd over de behandelingen die hij zal ondergaan en hoeveel tijd daarmee zal zijn gemoeid, is de rechtbank van oordeel dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep geen rekening heeft hoeven houden met beperkingen die na de datum in geding nog opgekomen zijn.

6. Het beroep is dan ook ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. N.M.L. Rogmans, rechter, in aanwezigheid van F. Voskamp, griffier. De uitspraak is gedaan op 24 september 2020. Als gevolg van maatregelen rondom het coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak, voor zover nodig, alsnog in het openbaar uitgesproken.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.