Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2020:7348

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
17-09-2020
Datum publicatie
25-09-2020
Zaaknummer
AWB _ 20 - 3967
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Strafontslag gemeenteambtenaar wegens (meekijken met) niet-functioneel raadplegen van het GBA en het niet melden ervan. Voorzieningenrechter is van voorlopig oordeel dat het beroep een redelijke kans van slagen heeft, zeker voor zover dat ziet op de onevenredigheid van het strafontslag. Voorlopige voorziening wordt daarom toegewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummer: HAA 20/3967


proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter van 17 september 2020 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

[verzoekster] , te [woonplaats] , verzoekster(gemachtigde: mr. E. van Es),

en

het bestuur van de Werkorganisatie BUCH, verweerder(gemachtigde: mr. F.I.M. Tevette).

Procesverloop
Bij besluit van 4 december 2019 (het primaire besluit) heeft verweerder verzoekster bij wijze van disciplinaire maatregel onvoorwaardelijk ontslag verleend.

Bij besluiten van 15 juli 2020 respectievelijk 31 juli 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van verzoekster tegen het primaire besluit ongegrond verklaard respectievelijk verzoekster - subsidiair - ontslag verleend vanwege de onherstelbare vertrouwensbreuk die is ontstaan.

Verzoekster heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Zij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 september 2020. Verzoekster is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Na afloop van de behandeling van de zaak ter zitting heeft de voorzieningenrechter onmiddellijk ter zitting uitspraak gedaan.

Beslissing

De voorzieningenrechter:

- schorst het bestreden besluit tot de uitspraak op het beroep;

- bepaalt dat verweerder de loondoorbetaling met ingang van 11 augustus 2020 hervat en doorbetaalt tot de bekendmaking van de uitspraak in de bodemprocedure;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 174,- aan verzoekster te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoekster tot een bedrag van € 1.050,-.

Overwegingen

De voorzieningenrechter geeft hiervoor de volgende motivering.

Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

Aan het spoedeisend belang in deze procedure wordt door de voorzieningenrechter niet getwijfeld.

Aan verzoekster is bij primair besluit van 4 december 2019 oneervol onvoorwaardelijk strafontslag gegeven wegens ernstig plichtsverzuim.

Dit ontslag is bij besluiten van 15 juli 2020 en 31 juli 2020 (welke besluiten tezamen aangemerkt moeten worden als het bestreden besluit zijnde de beslissing op bezwaar) in die zin gewijzigd dat aan verzoekster primair oneervol onvoorwaardelijk strafontslag is gegeven wegens ernstig plichtsverzuim en subsidiair eervol ontslag op andere gronden wegens een onherstelbare vertrouwensbreuk.

Het betoog van verzoekster dat verweerder bij het bestreden besluit niet een subsidiaire grondslag had mogen hanteren treft geen doel. Volgens vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) mag dit wel, mits het ontslag is gegrond op dezelfde feiten en omstandigheden als die waarop het primair gegeven strafontslag berust en verzoekster zich hierover in de bezwaarfase heeft kunnen uitlaten. Zie onder meer ECLI:NL:CRVB:2015:4470. Een en ander moet betrekking hebben op de oorspronkelijke ontslagdatum en dat is in dat geval 4 december 2019. In beginsel is aan deze voorwaarden voldaan. Van een met terugwerkende kracht gegeven subsidiair ontslag is dan ook geen sprake.

Primair gaat het om een disciplinair strafontslag en daarbij is het toetsingskader volgens vaste rechtspraak als volgt:

1. Wat wordt betrokkene verweten?

2. Heeft betrokkene de haar verweten gedraging begaan?

3. Zijn deze gedragingen aan te merken als plichtsverzuim?

4. Is dit plichtsverzuim haar toe te rekenen?

5. Is de opgelegde straf evenredig?

In het ambtenarentuchtrecht gelden niet de strikte bewijsregels die gelden in het strafrecht, maar volgens vaste rechtspraak van de CRvB is voor de constatering dat sprake is van plichtsverzuim, noodzakelijk dat op basis van de beschikbare deugdelijk vastgestelde gegevens de overtuiging is verkregen dat de betrokken ambtenaar de hem verweten gedraging heeft begaan.

Daarmee wordt evenwel niet bedoeld dat in ambtenarenzaken kan worden volstaan met lichter bewijs dan in het strafrecht, want voorop staat dat een en ander gebaseerd moet zijn op een deugdelijke vaststelling van de feiten. Enkel een aanname of veronderstelling is ook in ambtenarenzaken niet voldoende.

De voorzieningenrechter stelt voorop dat het hier een voorlopige voorzieningenprocedure betreft welke zich niet leent voor een uitgebreid inhoudelijk onderzoek ter zitting, met bijvoorbeeld het horen van getuigen. Deze procedure is ook met minder waarborgen omgeven dan de behandeling door een meervoudige kamer. Het onderstaande is dan ook een voorlopige beoordeling in afwachting van de behandeling in de bodemprocedure.

Verweerder heeft verzoekster een negental verwijten gemaakt welke staan vermeld in de bestreden besluitvorming.

Daarvan zijn – zoals verweerder ter zitting nader heeft toegelicht – kort en zakelijk samengevat, de meest zwaarwegende:

- het meekijken op 25 september 2019 met een collega in de GBA-V naar de gegevens van de coördinator en enkele van haar familieleden;

- het niet direct melden van het niet-functioneel raadplegen van het GBA-V door collega’s en

- het niet voldoen aan de dienstopdracht van 17 oktober 2019.

Wat er verder ook van zij, vooralsnog acht de voorzieningenrechter de opgelegde straf van onvoorwaardelijk strafontslag – ook al zouden de gedragingen, afzonderlijk dan wel in samenhang, kunnen worden gekwalificeerd als (ernstig) plichtsverzuim – onevenredig aan de aard en de ernst van dit plichtsverzuim. Hierbij neemt de voorzieningenrechter voorshands als vaststaand aan – gelet op de door verzoekster desgevraagd gegeven nadere toelichting waaraan de voorzieningenrechter op dit moment geen reden heeft om te twijfelen – dat het hierbij gaat om het meekijken van één enkele raadpleging in het GBA-V, dat dit meekijken niet is geschied op eigen initiatief van verzoekster maar op verzoek van een collega, en dat een en ander niet is gebeurd voor privédoeleinden, maar omdat er zeer reële twijfels bestonden over de integriteit van de coördinator, welke twijfels achteraf zonder meer gegrond bleken. Verzoekster heeft vervolgens ook (vrijwel) direct na haar terugkeer van vakantie de vertrouwenspersoon ingeschakeld. Deze omstandigheden nuanceren naar het oordeel van de voorzieningenrechter in belangrijke mate de verwijten die verweerder aan haar adres heeft gemaakt. Met het vorenstaande wenst de voorzieningenrechter niet te zeggen dat van de zijde van verzoekster geen fouten zijn gemaakt in de wijze waarop een en ander is gecommuniceerd naar verweerder, maar dit acht de voorzieningenrechter voorshands niet van een zodanig zwaar gewicht dat dit de keuze van een onvoorwaardelijk strafontslag rechtvaardigt, te minder nu verzoekster 35 jaar in dienst was en zij een onberispelijke staat van dienst had. De voorzieningenrechter komt dan ook tot het voorlopige oordeel dat het beroep ten aanzien van het onvoorwaardelijke strafontslag een redelijke kans van slagen heeft, zeker voor zover dat ziet op de onevenredigheid van dit ontslag.

Ook bij het subsidiaire ontslag kunnen vraagtekens worden gezet. Voorshands is de voorzieningenrechter er niet van overtuigd dat ten tijde van de ontslagdatum (4 december 2019) reeds sprake was van een impasse die aan een verdere vruchtbare samenwerking tussen verzoekster en verweerder in de weg stond. Verzoekster heeft zich verweerd tegen de door verweerder aan haar adres geuite beschuldigen en heeft zich daarbij ook in niet mis te verstane bewoordingen kritisch getoond naar haar organisatie en naar verschillende leidinggevenden. Dat een en ander bij sommigen in de organisatie kwaad bloed heeft gezet valt weliswaar te begrijpen, maar van een professionele organisatie als die van verweerder mag worden verlangd dat daar toch in zekere mate op een professionele en zakelijke manier mee wordt omgegaan en dat in ieder geval - ook al loopt de spanning in de onderlinge verhoudingen sterk op (wat bij een oneervol onvoorwaardelijk ontslag te begrijpen valt) - een poging wordt gedaan om de verstandhouding te normaliseren. Van enige vorm van mediation is geen sprake geweest. Dat verweerder van stonde af aan heeft ingezet op een onvoorwaardelijk strafontslag (het voornemen daartoe dateert van 30 oktober 2019), en daarom geen aanleiding heeft gezien om ook andere oplossingen in beraad te nemen, mag naar het voorlopige oordeel van de voorzieningenrechter bij het hanteren van een eerst achteraf gehanteerd subsidiair ontslag op andere gronden niet voor rekening en risico van verzoekster worden gebracht. Ook het beroep gericht tegen het subsidiair ontslag acht de voorzieningenrechter daarom zeker niet kansloos.

De voorzieningenrechter ziet – het vorenstaande overziend – dan ook aanleiding om in dit geval een voorlopige voorziening te treffen inhoudende dat het bestreden besluit in afwachting van de uitspraak in de bodemprocedure wordt geschorst en dat verweerder met ingang van de datum van indiening van het verzoekschrift, zijnde 11 augustus 2020, de betaling van de bezoldiging aan verzoekster zal hervatten. De voorzieningenrechter acht het niet aangewezen om thans bij wijze van voorlopige voorziening te bepalen dat verzoekster reeds nu terugkeert op haar werkplek. Daarvoor zal, zo daar al sprake van zal kunnen zijn in de toekomst, toch eerst op enige wijze de tussen partijen gerezen spanningen moeten worden uitgepraat.

Omdat het verzoek wordt toegewezen bepaalt de voorzieningenrechter dat verweerder aan verzoekster het door haar betaalde griffierecht vergoedt.

De voorzieningenrechter veroordeelt verweerder tenslotte in de door verzoekster gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.050,- (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 525,- en een wegingsfactor 1).


Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 17 september 2020 door mr. drs. J.H.A.C. Everaerts, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. J.H. Bosveld, griffier.

griffier

Voorzieningenrechter

Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.