Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2020:7310

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
17-09-2020
Datum publicatie
18-09-2020
Zaaknummer
15/138283-20 en 15/302050-19
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft zich samen met medeverdachte schuldig gemaakt aan een gewapende overval in een woning waar vier personen aanwezig waren. Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een jeugddetentie voor de duur van 130 dagen moet worden opgelegd, met aftrek van het voorarrest. De rechtbank zal bepalen dat een gedeelte van 90 dagen vooralsnog niet ten uitvoer zal worden gelegd en zal daaraan een proeftijd verbinden van twee jaren. De rechtbank acht hierbij een meldplicht, het deelnemen aan passende dagbesteding, een contactverbod en een locatieverbod hierbij als bijzondere voorwaarden noodzakelijk. De rechtbank zal bevelen dat deze voorwaarden en het uit te oefenen toezicht dadelijk uitvoerbaar zijn. Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat een werkstraf van 120 uren moet worden opgelegd. De vorderingen van de benadeelde partijen worden (gedeeltelijk) hoofdelijk toegewezen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Familie & Jeugd

Locatie Alkmaar

Meervoudige kamer jeugdstrafzaken

Parketnummers: 15/138283-20 en 15/302050-19 (tul)

Uitspraakdatum: 17 september 2020

Tegenspraak

Vonnis

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting met gesloten deuren van 3 september 2020 in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] te [plaats] (Haïti),

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres

[adres] .

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie

mr. R.P. Peters en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. J.C. Duin, advocaat te Hoorn, naar voren hebben gebracht.

1 Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 23 mei 2020 te [plaats] tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, in/uit een woning, gelegen aan [adres] , meerdere telefoons en/of een portemonnee en/of een geldkistje, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde, te weten aan [benadeelde partij 1] en/of [benadeelde partij 2] en/of [benadeelde partij 3] en/of [benadeelde partij 4] , heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [benadeelde partij 1] en/of [benadeelde partij 2] en/of [benadeelde partij 3] en/of [benadeelde partij 4] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door:

- de woning van die [benadeelde partij 1] en/of [benadeelde partij 2] te betreden met (gedeeltelijke) gezichtsbedekking en/of

- die [benadeelde partij 1] en/of [benadeelde partij 2] en/of [benadeelde partij 3] en/of [benadeelde partij 4] een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, en/of een mes en/of een koevoet/breekijzer en/of een schroevendraaier te tonen;

- voornoemde personen (dreigend)te bevelen op de grond te gaan liggen en/of daarbij een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, op hen te richten;

- voornoemde personen (dreigend) te vragen waar hun telefoon(s) en/of hun bezittingen lagen en/of te vragen: 'Waar is de kluis';

- een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, op het hoofd, althans het lichaam, van die [benadeelde partij 2] te zetten en/of te richten en/of te bevelen de kluis open te maken en/of;

- die [benadeelde partij 1] (met kracht) te duwen.

2 Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3 Bewijs

3.1.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit.

3.2.

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft bepleit om verdachte van het tenlastegelegde vrij te spreken.

3.3.

Partiële vrijspraak
Naar het oordeel van de rechtbank is niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte of medeverdachte [medeverdachte] aangever [benadeelde partij 1] (met kracht) heeft geduwd, zodat verdachte daarvan moet worden vrijgesproken.

3.4.

Redengevende feiten en omstandigheden

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit op grond van de bewijsmiddelen die als bijlage I aan dit vonnis zijn gehecht.

De door de rechtbank als proces-verbaal aangeduide bewijsmiddelen zijn in de wettelijke vorm opgemaakt door personen die daartoe bevoegd zijn en voldoen ook overigens aan de daaraan bij wet gestelde eisen.

3.5.

Bewijsoverweging

Uit de gebezigde bewijsmiddelen komt naar voren dat de daders van de woningoverval een blanke en een getinte dader betroffen, waarbij de getinte dader een zwarte trainingsbroek, zwarte schoenen en een zwarte hoodie droeg met een lichtkleurige tekst op zijn linker borst en een tas in zijn hand vast had. Verdachte en medeverdachte [medeverdachte] blijken elkaar te kennen van hun gelijktijdige verblijf in [verblijf] . Dit heeft verdachte uiteindelijk ook erkend. Volgens de moeder van medeverdachte [medeverdachte] had haar zoon op de dag van de overval, 23 mei 2020, afgesproken met een jongen die hij had ontmoet in [verblijf] . Deze jongen kwam met de trein vanuit [plaats] en de medeverdachte zou hem ophalen van het station te [plaats] . Het uitlezen van de telefoon van medeverdachte [medeverdachte] wijst uit dat er op 23 mei 2020 diverse keren contact is geweest met het contact [contact] . De roepnaam van verdachte is [roepnaam] .

Uit de telefoongegevens van verdachte blijkt daarnaast dat zijn telefoon de avond van 23 mei 2020 voor het moment van de overval een zendmast heeft aangestraald in [plaats] , nabij de plaats delict. Na de woningoverval heeft zijn telefoon ook nog een zendmast aan [adres] aangestraald en is verdachte uiteindelijk aangehouden op het station van [plaats] . Zowel bij de insluitingsfouillering van verdachte als bij de ter plekke aangehouden (en bekennende) medeverdachte [medeverdachte] zijn twee identieke witte in elkaar gestoken tie-wraps aangetroffen. Tot slot blijkt uit DNA-onderzoek dat het DNA-hoofdprofiel dat is afgenomen van beide hengsels van de tas die de gevluchte dader heeft achtergelaten in de buurt van [adres] , matcht met het DNA-profiel van verdachte, terwijl de frequentie van dit DNA-hoofdprofiel kleiner is dan één op één miljard.

De rechtbank constateert dat verdachte niet of nauwelijks openheid van zaken heeft gegeven over zijn bezigheden op die bewuste 23 mei 2020. Verdachte zou eerst met een vriend en daarna met een vriendin in [plaats] hebben afgesproken en niets met de woningoverval te maken hebben. Verdachte heeft echter geen nadere verifieerbare gegevens van deze vrienden kunnen of willen geven. Verder zou hij de tiewraps op het station hebben gevonden en hebben meegenomen om een spaak van zijn fiets te repareren. Zijn DNA zou op de tas gekomen kunnen zijn doordat hij maanden eerder wel eens boodschappen met de medeverdachte heeft gedaan, waarbij mogelijk een dergelijke tas gebruikt werd. De rechtbank acht de verklaring van verdachte, die op zichzelf al een hoog onwaarschijnlijkheidsgehalte heeft, bij gebreke van enige objectieve verificatie in het dossier onaannemelijk en schuift deze terzijde. Daarmee kan worden vastgesteld dat verdachte, tegenover de redengevende feiten en omstandigheden, geen alternatief scenario heeft geschetst dat die redengevendheid aantast. In onderling verband en samenhang bezien leveren de gebezigde bewijsmiddelen het wettig en overtuigend bewijs op dat verdachte degene is geweest die samen met medeverdachte [medeverdachte] de gewapende overval in [plaats] heeft gepleegd. De omstandigheid dat verdachte ten tijde van zijn aanhouding een zwarte hoodie droeg met de letters BALR op zijn rug, maakt het voorgaande niet anders. Medeverdachte [medeverdachte] heeft verklaard dat hij de bewuste dag dubbele kleding droeg.

3.6.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, met dien verstande dat

hij op 23 mei 2020 te [plaats] tezamen en in vereniging met een ander in een woning, gelegen aan [adres] , meerdere telefoons en een portemonnee en een geldkistje, toebehorende aan [benadeelde partij 1] en/of [benadeelde partij 2] en/of [benadeelde partij 3] en/of [benadeelde partij 4] , heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van bedreiging met geweld tegen die [benadeelde partij 1] en/of [benadeelde partij 2] en/of [benadeelde partij 3] en/of [benadeelde partij 4] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken door:

- de woning van die [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2] te betreden met gedeeltelijke gezichtsbedekking en

- die [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2] en [benadeelde partij 3] en [benadeelde partij 4] een op een vuurwapen gelijkend voorwerp en een mes en een koevoet en een schroevendraaier te tonen;

- voornoemde personen (dreigend) te bevelen op de grond te gaan liggen en daarbij een op een vuurwapen gelijkend voorwerp op hen te richten;

- voornoemde personen (dreigend) te vragen waar hun telefoons en hun bezittingen lagen en te vragen: 'Waar is de kluis';

- en die [benadeelde partij 2] te bevelen de kluis open te maken.

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten zijn verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is verdachte daardoor niet geschaad in zijn verdediging.

Wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. Verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

4. Kwalificatie en strafbaarheid van het feit

Het bewezenverklaarde levert op:

diefstal, voorafgegaan en vergezeld van bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen.

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is dus strafbaar.

5 Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dus strafbaar.

6 Motivering van de sancties

6.1.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot jeugddetentie voor de duur van 129 dagen met aftrek van het voorarrest waarvan 90 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar, met daarbij als bijzondere voorwaarden een behandeling bij De Waag, een meldplicht, het hebben van dagbesteding, een contactverbod met medeverdachte en de slachtoffers en een locatieverbod voor het gebied in een straal van 500 meter rondom het perceel [adres] . Daarnaast dient verdachte te worden veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 200 uur.

6.2.

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft bepleit om de eis van de officier van justitie ten aanzien van de taakstraf te matigen. De verdediging heeft daarbij verzocht verdachte te beschouwen als een first offender. Daarnaast ontbreekt de noodzaak tot het opleggen van de bijzondere voorwaarde ten aanzien van behandeling bij [instelling] , omdat deze voorwaarde in het kader van een andere strafzaak reeds is opgelegd.

6.3.

Oordeel van de rechtbank

Bij de beslissing over de sancties die aan verdachte moeten worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, en door de persoon van verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen. Verdachte heeft zich samen met medeverdachte schuldig gemaakt aan een gewapende overval in een woning alwaar vier personen aanwezig waren. Zij hebben hierbij gebruik gemaakt van een nepvuurwapen, een koevoet, een mes en een schroevendraaier. Zij hebben de slachtoffers bevolen om op de grond te gaan liggen en het nepvuurwapen op hen gericht. Vervolgens werd een van de bewoners van de woning onder bedreiging van een koevoet door medeverdachte meegenomen naar de kelder, waar hij de kluis moest openen. De slachtoffers hebben hun telefoons, een portemonnee en een geldkistje moeten afstaan.

Dit is een zeer bedreigende en beangstigende gebeurtenis geweest voor de slachtoffers. De ervaring leert dat slachtoffers van dit soort misdrijven daarvan nog langdurig nadelige psychische gevolgen kunnen ondervinden. Dit geldt temeer nu de onderhavige overval in een woning heeft plaatsgevonden, een plaats waar men zich bij uitstek veilig zou moeten kunnen voelen. Dat het feit angst en gevoelens van onveiligheid bij de slachtoffers teweeg heeft gebracht, blijkt ook uit de onderbouwing van het gevorderde smartengeld. Door het handelen van verdachte en medeverdachte is op grove wijze inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van de bewoners.

Met betrekking tot de persoon van verdachte heeft de rechtbank in het bijzonder gelet op:

- het op naam van verdachte staand Uittreksel Justitiële Documentatie, gedateerd 31 juli 2020, waaruit blijkt dat verdachte terzake van een geweldsdelict en een wapendelict onherroepelijk tot werkstraffen is veroordeeld.

- Het psychologische rapport Pro Justitia, gedateerd 27 juli 2020 van [GZ-psycholoog] , GZ-psycholoog. Dit rapport houdt onder meer het volgende in:

Er is sprake van een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens, bestaande uit een normoverschrijdende gedragsstoornis met begin in de adolescentie in matige mate en het functioneren op zwakbegaafd intelligentieniveau. Daarnaast is er sprake van hechtingsproblemen, samenhangend met adoptie, alhoewel er formeel gezien geen hechtingsstoornis geclassificeerd kan worden. Ten tijde van het tenlastegelegde was hiervan sprake.

Verdachte is gemotiveerd voor zijn entreeopleiding bij Frsh072. Verder komen er geen beschermende factoren naar voren, behalve een hulpverleningstraject in juridisch kader. Er zijn enige zorgen over het sociaal netwerk van verdachte en eventuele negatieve beïnvloeding door anderen. Daarnaast zijn er zorgen over het middelengebruik, met name omdat verdachte hiervan agressief zou worden en er dan nog minder rem is op zijn gedrag. Er zijn twijfels over in hoeverre er voldoende intrinsieke motivatie is voor een gedragsverandering. De responsiviteit voor behandeling wordt als beperkt ingeschat. Deze omstandigheden verhogen het risico op toekomstig grensoverschrijdend gedrag. Al met al wordt het risico op gelijksoortig gewelddadig handelen ingeschat als matig tot hoog.

Om de ontwikkeling van verdachte optimaal te bevorderen en het risico op toekomstig grensoverschrijdend gedrag te beperken, is begeleiding en behandeling aangewezen. Verdachte heeft baat bij een duidelijke structuur waarin op rustige en consequente wijze met hem wordt gecommuniceerd. Een (deels) voorwaardelijk kader wordt de best passende strafafdoening geacht, waarbij geadviseerd wordt om verplichte begeleiding door de jeugdreclassering op te leggen. Als bijzondere voorwaarde kan worden opgelegd dat verdachte moet meewerken aan behandeling, geboden door een instelling zoals Parlan of een andere (forensische) GGZ-instelling.

De rechtbank kan zich verenigen met de bevindingen en conclusies van dit rapport en neemt deze daarom over.

- de over verdachte uitgebrachte briefrapportage van de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad) van 28 augustus 2020. Deze rapportage houdt onder meer het volgende in:

Het algemene recidiverisico en het dynamisch risicoprofiel worden ingeschat als hoog. Er is geen zicht op de vriendengroep van verdachte en het is nog niet gelukt om inzicht te krijgen in zijn problematiek. Dit hangt ermee samen dat hij ook geen inzage geeft in zijn vrijetijdsbesteding en handelen. Verdachte heeft het contact met zijn adoptieouders verbroken. Verdachte ervaart zelf weinig problemen en betrokkenen geven aan dat zij de delicten niet hebben zien aankomen. Gezien de ernst van het feit is jeugddetentie passend. Indien deze langer zou moeten worden opgelegd dan het voorarrest heeft geduurd, dient deze voorwaardelijk te worden opgelegd, omdat het momenteel goed lijkt te gaan met verdachte. Het is belangrijk dat de beschermende factoren zoals wonen bij De Nollen, deelnemen aan Turnover en werken bij Frsh072 verder worden uitgebouwd. Verdachte houdt zich goed aan alle afspraken, elektronische controle is daarom niet nodig. Het is wel belangrijk dat verdachte zich houdt aan de aanwijzingen van de jeugdreclassering over zijn thuiskomsttijden en de inrichting van zijn vrije tijd.

Behandeling bij [instelling] is passend en nodig. De behandeling zal zich moeten richten op psycho-educatie en bespreking van onderwerpen zoals adoptie, identiteitsontwikkeling, zijn chronische ziekte, zijn emotieregulatie, middelengebruik en identiteitsontwikkeling. Hierbij wordt gedacht aan individuele therapie, waarbij behandeling in de vorm van psychomotore therapie (hierna: PMT) van meerwaarde kan zijn. Complicerend is dat verdachte geen hulpvraag heeft en niet goed weet wat hij aan zijn gedrag wil veranderen. Het verbeteren van het sociaal-emotioneel functioneren staat voorop, omdat uit het psychologische rapport naar voren komt dat daarmee de gedragsproblemen zullen verminderen. De Raad vindt dat verdachte nog een consequentie moet ervaren in de vorm van een werkstraf.

Verder adviseert de Raad als bijzondere voorwaarden het deelnemen aan een voor verdachte passend gedachte dagbesteding en een contactverbod met medeverdachte en de slachtoffers.

[vertegenwoordiger van de raad] heeft ter terechtzitting namens de Raad de rapportage als volgt toegelicht:

De ambulante hulpverlening in de vorm van [instelling] is ook nodig als bijzondere voorwaarde in deze zaak, omdat de Raad voor langere tijd wil waarborgen dat verdachte deze hulpverlening blijft volhouden. Zodoende kan verdachte worden ondersteund in de positieve lijn die hij heeft ingezet. Ook kan hij worden gesteund bij het verwerken van het verleden. Het zou een goed idee zijn om bovendien een locatieverbod als bijzondere voorwaarde toe te voegen.

De rechtbank heeft verder rekening gehouden met de jeugdige leeftijd van verdachte. Daarnaast is het positief dat verdachte gemotiveerd is voor zijn opleiding bij Frsh072 en dat hij zich goed aan zijn schorsingsvoorwaarden heeft gehouden. Ten nadele van verdachte heeft de rechtbank rekening gehouden met de proceshouding van verdachte. Het is zorgelijk dat verdachte geen openheid van zaken heeft willen geven over wat er is voorgevallen op 23 mei 2020. Hiermee heeft verdachte doen blijken het laakbare van zijn handelen niet te willen inzien.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een vrijheidsbenemende straf voor de duur van 130 dagen moet worden opgelegd, met aftrek van het voorarrest. De rechtbank zal echter bepalen dat een gedeelte van 90 dagen vooralsnog niet ten uitvoer zal worden gelegd en zal daaraan een proeftijd verbinden van twee jaren, opdat verdachte ervan wordt weerhouden zich voor het einde van die proeftijd schuldig te maken aan een strafbaar feit.

Daarnaast acht de rechtbank bijzondere voorwaarden noodzakelijk. Het betreft een meldplicht bij De Jeugd- en Gezinsbeschermers, het deelnemen aan passende dagbesteding, een contactverbod met de medeverdachte en de slachtoffers en een locatieverbod rondom perceel [adres] . Deze voorwaarden zullen aan het voorwaardelijk deel van de op te leggen straf worden verbonden.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een misdrijf dat gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van personen. Gelet op het matig tot hoge recidiverisico in combinatie met de gebrekkige motivatie voor hulpverlening, is de rechtbank van oordeel dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte wederom een dergelijk misdrijf zal begaan. Daarom zal de rechtbank bevelen dat bovengenoemde voorwaarden en het uit te oefenen toezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn.

De rechtbank zal ook een werkstraf aan verdachte opleggen, maar enigszins lager dan door de officier van justitie is gevorderd. De rechtbank kijkt behalve naar de feiten en omstandigheden van deze zaak ook naar straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd en naar de LOVS-oriëntatiepunten en vindt op grond daarvan een werkstraf van 120 uren passend en geboden.

7 Vorderingen benadeelde partijen en schadevergoedingsmaatregelen

7.1.

[benadeelde partij 2]

De benadeelde partij [benadeelde partij 2] heeft een vordering tot schadevergoeding van € 21.149,12 ingediend tegen verdachte wegens materiële en immateriële schade die hij als gevolg van het ten laste gelegde feit zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag. De gestelde materiële schade bestaat uit een camerabeveiligingsinstallatie en een hekwerk en betreft een bedrag van € 18.549,12. De immateriële schadevordering betreft een bedrag van € 2.600,-.

7.1.1.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij.

7.1.2.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft bepleit om de materiële schadeposten af te wijzen, subsidiair niet-ontvankelijk te verklaren, omdat deze schadeposten zijn onderbouwd middels offertes en vanwege het ontbreken van een causaal verband tussen de geleden schade en het tenlastegelegde feit. Subsidiair dienen de materiële schadeposten eveneens niet-ontvankelijk te worden verklaard vanwege een onevenredige belasting van het strafgeding. Daarnaast heeft de verdediging bepleit om de immateriële schadepost te matigen tot een bedrag van € 1,000,-, omdat het gevorderde bedrag buitenproportioneel is, te meer nu de psychische gevolgen van de benadeelde partij niet onderbouwd zijn door een verklaring van een deskundige.

7.1.3.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat de materiële schade niet voor vergoeding in aanmerking komt, omdat deze gevorderde schade in een te ver verwijderd verband staat van het ten laste gelegde feit, nog daargelaten dat de gevorderde schade voor de camerabeveiligingsinstallatie en het hekwerk slechts is onderbouwd met offertes. De rechtbank zal deze schadeposten dan ook niet-ontvankelijk verklaren.

De rechtbank is verder van oordeel dat de immateriële schade voor vergoeding in aanmerking komt tot een bedrag van € 1.000,- en zal de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk verklaren. Vergoeding van dit bedrag komt de rechtbank billijk voor, gelet op de onderbouwing van de vordering en op wat in soortgelijke zaken wordt toegewezen. Dit bedrag zal worden vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 23 mei 2020 tot aan de dag der algehele voldoening.

Daarbij zal de rechtbank bepalen dat indien de medeverdachte dit bedrag geheel of gedeeltelijk heeft betaald, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd.

Daarnaast dient verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken.

De rechtbank ziet als gevolg van verdachtes bewezen verklaarde handelen [kort gezegd: diefstal in vereniging, voorafgegaan en vergezeld van bedreiging met geweld tegen personen] aanleiding ter zake van de vordering van de benadeelde partij de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht op te leggen. Daarbij zal de rechtbank bepalen dat indien de medeverdachte dit bedrag geheel of gedeeltelijk heeft betaald, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd.

7.2.

[benadeelde partij 1]

De benadeelde partij [benadeelde partij 1] heeft een vordering tot schadevergoeding van € 2.675,- ingediend tegen verdachte wegens materiële en immateriële schade die hij als gevolg van het ten laste gelegde feit zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag. De gestelde materiële schade bestaat uit een mobiele telefoon en betreft een bedrag van € 75,-. De immateriële schadevordering betreft een bedrag van € 2.600,-.

7.2.1.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij.

7.2.2.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft bepleit dat vergoeding van de materiële schade dient te worden afgewezen, omdat de benadeelde partij heeft verklaard dat het scherm van de mobiele telefoon al beschadigd was. Daarnaast heeft de verdediging bepleit de immateriële schadepost te matigen tot een bedrag van € 1,000,-, omdat het gevorderde bedrag buitenproportioneel is, te meer nu de psychische gevolgen van de benadeelde partij niet onderbouwd zijn door een verklaring van een deskundige.

7.2.3.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat de gestelde materiële schade niet voor vergoeding in aanmerking komt, aangezien aangever in de aangifte heeft verklaard dat het scherm al kapot was en uit de bijgevoegde afbeeldingen bij het proces-verbaal van bevindingen van [naam] op pagina 106 van het procesdossier is gebleken dat de mobiele telefoon van de benadeelde partij nog werkzaam was op het moment dat deze na de overval door verbalisant [verbalisant] werd aangetroffen. Dit maakt dat de rechtbank niet kan vaststellen dat de mobiele telefoon van de benadeelde partij beschadigd en onbruikbaar is geraakt door het tenlastegelegde, zodat de rechtbank de benadeelde partij voor dit gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk zal verklaren.

De rechtbank is verder van oordeel dat de immateriële schade voor vergoeding in aanmerking komt tot een bedrag van € 1.000,- en zal de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk verklaren. Vergoeding van dit bedrag komt de rechtbank billijk voor, gelet op de onderbouwing van de vordering en op wat in soortgelijke zaken wordt toegewezen. Dit bedrag zal worden vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 23 mei 2020 tot aan de dag der algehele voldoening.

Daarbij zal de rechtbank bepalen dat indien de medeverdachte dit bedrag geheel of gedeeltelijk heeft betaald, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd.

Daarnaast dient verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken.

De rechtbank ziet als gevolg van verdachtes bewezen verklaarde handelen [kort gezegd: diefstal in vereniging, voorafgegaan en vergezeld van bedreiging met geweld tegen personen] aanleiding ter zake van de vordering van de benadeelde partij de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht op te leggen. Daarbij zal de rechtbank bepalen dat indien de medeverdachte dit bedrag geheel of gedeeltelijk heeft betaald, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd.

7.3.

[benadeelde partij 3]

De benadeelde partij [benadeelde partij 3] heeft een vordering tot schadevergoeding van

€ 109,- ingediend tegen verdachte wegens materiële schade die hij als gevolg van het ten laste gelegde feit zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag. De gestelde schade bestaat uit het vervangen van het scherm van een mobiele telefoon.

7.3.1.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij.

7.3.2.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft bepleit dat de vordering tot schadevergoeding dient te worden afgewezen ofwel niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, omdat de vordering niet is onderbouwd.

7.3.3.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat de schade tot het gevorderde bedrag rechtstreeks voortvloeit uit het bewezen verklaarde feit. Zo heeft verdachte verklaard dat hij tijdens zijn vlucht drie mobiele telefoons heeft laten vallen. Bovendien volgt uit het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant] op pagina 44 dat de schermen van de telefoons van [benadeelde partij 3] en [benadeelde partij 4] totaal gebarsten waren na de overval. De rechtbank zal het toe te wijzen bedrag schatten op € 109,- en de vordering dan ook volledig toewijzen, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 23 mei 2020 tot aan de dag der algehele voldoening. Daarbij zal de rechtbank bepalen dat indien de medeverdachte dit bedrag geheel of gedeeltelijk heeft betaald, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd.

Daarnaast dient verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken.

De rechtbank ziet als gevolg van verdachtes bewezen verklaarde handelen [kort gezegd: diefstal in vereniging, voorafgegaan en vergezeld van bedreiging met geweld tegen personen] aanleiding ter zake van de vordering van de benadeelde partij de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht op te leggen. Daarbij zal de rechtbank bepalen dat indien de medeverdachte dit bedrag geheel of gedeeltelijk heeft betaald, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd.

7.4

[benadeelde partij 4]

De benadeelde partij [benadeelde partij 4] heeft een vordering tot schadevergoeding van

€ 234,68 ingediend tegen verdachte wegens materiële schade die zij als gevolg van het ten laste gelegde feit zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag. De gestelde schade bestaat uit de aanschaf van een smartphone Samsung Galaxy A5i.

7.4.1.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij.

7.4.2.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft bepleit dat de vordering van de benadeelde partij dient te worden afgewezen ofwel niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, omdat de vordering onvoldoende is onderbouwd.

7.4.3.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat de schade tot een bedrag van € 109,- rechtstreeks voortvloeit uit het bewezen verklaarde feit. Verdachte heeft verklaard dat hij tijdens zijn vlucht drie mobiele telefoons heeft laten vallen en uit het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant] op pagina 44 volgt dat de schermen van de telefoons van [benadeelde partij 3] en [benadeelde partij 4] totaal gebarsten waren. De rechtbank stelt dan ook vast dat het scherm van de mobiele telefoon van de benadeelde partij ernstig beschadigd is geraakt als gevolg van het tenlastegelegde. Omdat echter niet is onderbouwd waarom de telefoon daardoor volledig onbruikbaar is geworden en de aanschaf van een nieuwe mobiele telefoon noodzakelijk was, zal de rechtbank de vordering toekennen ter hoogte van een geschat bedrag dat billijk wordt geacht om het scherm van de mobiele telefoon te vervangen. De rechtbank zal dit bedrag schatten op € 109,- en de vordering voor het overige niet-ontvankelijk verklaren. Dit bedrag zal worden vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 23 mei 2020 tot aan de dag der algehele voldoening.

Daarbij zal de rechtbank bepalen dat indien de medeverdachte dit bedrag geheel of gedeeltelijk heeft betaald, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd.

Daarnaast dient verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken.

De rechtbank ziet als gevolg van verdachtes bewezen verklaarde handelen [kort gezegd: diefstal in vereniging, voorafgegaan en vergezeld van bedreiging met geweld tegen personen] aanleiding ter zake van de vordering van de benadeelde partij de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht op te leggen. Daarbij zal de rechtbank bepalen dat indien de medeverdachte dit bedrag geheel of gedeeltelijk heeft betaald, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd.

8 Vordering tot tenuitvoerlegging

Bij vonnis van 25 februari 2020 in de zaak met parketnummer 15/302050-19 heeft de kantonrechter te Alkmaar verdachte ter zake van het handelen in strijd met artikel 26 lid 5 van de Wet Wapens en Munitie veroordeeld tot onder meer een voorwaardelijke werkstraf voor de duur van 10 uur. Ten aanzien van die voorwaardelijke straf is de proeftijd op een jaar bepaald onder de algemene voorwaarde dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit en onder de bijzondere voorwaarden een meldplicht en het meewerken aan hulpverlening van De Waag. De mededeling als bedoeld in artikel 366a van het Wetboek van Strafvordering is op 27 maart 2020 aan verdachte toegezonden.

De bij genoemd vonnis vastgestelde proeftijd is ingegaan op 10 maart 2020 en was ten tijde van het indienen van de vordering van de officier van justitie niet geëindigd.

De officier van justitie vordert thans dat de rechtbank zal gelasten dat die voorwaardelijke straf alsnog ten uitvoer zal worden gelegd.

De rechtbank heeft bij het onderzoek ter terechtzitting bevonden dat zij bevoegd is over de vordering te oordelen en dat de officier van justitie daarin ontvankelijk is.

De rechtbank is van oordeel dat de vordering dient te worden toegewezen, nu uit de overige inhoud van dit vonnis blijkt dat verdachte niet heeft nageleefd de voorwaarde dat hij zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

artikel 36f, 77a, 77g, 77i, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z, 77aa, 312 van het Wetboek van Strafrecht.

10 Beslissing

De rechtbank:

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan zoals hiervoor onder 3.6 weergegeven.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.

Bepaalt dat het bewezen verklaarde feit het hierboven onder 4. vermelde strafbare feit oplevert.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een jeugddetentie voor de duur van 130 (zegge: honderddertig) dagen.

Beveelt dat van deze jeugddetentie een gedeelte, groot 90 (zegge: negentig) dagen niet ten uitvoer zal worden gelegd en stelt daarbij een proeftijd vast van twee jaren.

Stelt als algemene voorwaarde dat veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.

Stelt als bijzondere voorwaarden dat veroordeelde:

- zich zal melden bij de gecertificeerde instelling De Jeugd- en Gezinsbeschermers, gevestigd te [adres] (hierna: de JGB) en zich daarna zal blijven melden, zo frequent en zo lang deze instelling dat noodzakelijk acht;

  • -

    zal meewerken aan het traject bij [instelling] of een soortgelijke instelling en aan eventuele hieruit voortvloeiende behandelingen;

  • -

    zal deelnemen aan een voor hem passend geachte dagbesteding;

- op geen enkele wijze - direct of indirect - contact zal opnemen, zoeken of hebben met de volgende personen, zolang de JGB dit noodzakelijk acht:

- [medeverdachte] , geboren op [geboortedatum] te [plaats] ;

- [benadeelde partij 2] , geboren op [geboortedatum] te [plaats] ;

- [benadeelde partij 1] , geboren op [geboortedatum] te [plaats] ;

- [benadeelde partij 3] , geboren op [geboortedatum] te [plaats] ;

- [benadeelde partij 4] , geboren op [geboortedatum] te [plaats] ;

- zich niet zal bevinden binnen een straal van 500 (zegge: vijfhonderd) meter van [adres] , zolang de JGB dit noodzakelijk acht.

Geeft opdracht aan De Jeugd- en Gezinsbeschermers, gevestigd te Alkmaar, een gecertificeerde instelling die jeugdreclassering uitvoert tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Stelt verder als voorwaarden dat de veroordeelde is gehouden om, ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking te verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aan te bieden en medewerking te verlenen aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 77aa, eerste tot en met het vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen en het zich melden bij de reclasseringsinstelling zo vaak en zolang als de reclasseringsinstelling dit noodzakelijk acht.

Beveelt dat de op grond van artikel 77z gestelde voorwaarden en het op grond van artikel 77aa uit te oefenen toezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn.

Bepaalt dat de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk deel van de opgelegde jeugddetentie in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Veroordeelt verdachte tot het verrichten van 120 (zegge: honderdtwintig) uren taakstraf in de vorm van een werkstraf, bij het niet of niet naar behoren verrichten daarvan te vervangen door 60 (zegge: zestig) dagen jeugddetentie.

Wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij [benadeelde partij 2] geleden schade tot een bedrag van € 1.000,- (zegge: duizend euro), bestaande uit immateriële schade, en veroordeelt verdachte tot betaling van dit bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 23 mei 2020 tot aan de dag der algehele voldoening, aan [benadeelde partij 2] , voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting.

Bepaalt dat indien genoemd bedrag geheel of gedeeltelijk door de medeverdachte is betaald, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd.

Veroordeelt verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering.

Legt verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van slachtoffer [benadeelde partij 2] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 1.000,- (zegge: duizend euro), vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 23 mei 2020 tot aan de dag der algehele voldoening, bij gebreke van betaling of verhaal te vervangen door 0 dagen gijzeling.

Bepaalt dat voor zover dit bedrag of een gedeelte daarvan reeds door of namens de medeverdachte aan de benadeelde partij en/of de Staat is betaald, verdachte in zoverre van die verplichting zal zijn ontslagen.

Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij.

Wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij [benadeelde partij 1] geleden schade tot een bedrag van € 1.000,- (zegge: duizend euro), bestaande uit immateriële schade, en veroordeelt verdachte tot betaling van dit bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 23 mei 2020 tot aan de dag der algehele voldoening, aan [benadeelde partij 1] , voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting.

Bepaalt dat indien genoemd bedrag geheel of gedeeltelijk door de medeverdachte is betaald, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd.

Veroordeelt verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering.

Legt verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van slachtoffer [benadeelde partij 1] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 1.000 (zegge: duizend euro), vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 23 mei 2020 tot aan de dag der algehele voldoening, bij gebreke van betaling of verhaal te vervangen door 0 dagen gijzeling.

Bepaalt dat voor zover dit bedrag of een gedeelte daarvan reeds door of namens de medeverdachte aan de benadeelde partij en/of de Staat is betaald, verdachte in zoverre van die verplichting zal zijn ontslagen.

Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij.

Wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij [benadeelde partij 3] geleden schade tot een bedrag van € 109,- (zegge: honderdnegen euro), bestaande uit materiële schade, en veroordeelt verdachte tot betaling van dit bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 23 mei 2020 tot aan de dag der algehele voldoening, aan [benadeelde partij 3] , voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting.

Bepaalt dat indien genoemd bedrag geheel of gedeeltelijk door de medeverdachte is betaald, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd.

Veroordeelt verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.

Legt verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van slachtoffer [benadeelde partij 3] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 109,- (zegge: honderdnegen euro), vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 23 mei 2020 tot aan de dag der algehele voldoening, bij gebreke van betaling of verhaal te vervangen door 0 dagen gijzeling.

Bepaalt dat voor zover dit bedrag of een gedeelte daarvan reeds door of namens de medeverdachte aan de benadeelde partij en/of de Staat is betaald, verdachte in zoverre van die verplichting zal zijn ontslagen.

Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij.

Wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij [benadeelde partij 4] geleden schade tot een bedrag van € 109,- (zegge: honderdnegen euro), bestaande uit materiële schade, en veroordeelt verdachte tot betaling van dit bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 23 mei 2020 tot aan de dag der algehele voldoening, aan

[benadeelde partij 4] , voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting.

Bepaalt dat indien genoemd bedrag geheel of gedeeltelijk door de medeverdachte is betaald, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd.

Veroordeelt verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering.

Legt verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van slachtoffer [benadeelde partij 4] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 109,- (zegge: honderdnegen euro), vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 23 mei 2020 tot aan de dag der algehele voldoening, bij gebreke van betaling of verhaal te vervangen door 0 dagen gijzeling.

Bepaalt dat voor zover dit bedrag of een gedeelte daarvan reeds door of namens de medeverdachte aan de benadeelde partij en/of de Staat is betaald, verdachte in zoverre van die verplichting zal zijn ontslagen.

Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij.

Wijst toe de vordering van de officier van justitie tot tenuitvoerlegging in de zaak met parketnummer 15/302050-19 en gelast de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke werkstraf voor de duur van 10 (zegge: tien) uren, opgelegd bij vonnis van de kantonrechter van 25 februari 2020.

Heft op het reeds geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van verdachte.

Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door

mr. L. Boonstra, voorzitter, tevens kinderrechter,

mr. G. Drenth, tevens kinderrechter, en mr. T. Fuchs, rechter,

in tegenwoordigheid van de griffier mr. D.A.C. Sinnige,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 17 september 2020.

mr. Fuchs is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

BIJLAGE I

De bewijsmiddelen, behorende bij het vonnis van 17 september 2020 van de rechtbank Noord-Holland, ten name van verdachte:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] te [plaats] (Haïti),

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres

( [adres]

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van het tenlastegelegde op grond van de volgende – zakelijk weergegeven – bewijsmiddelen:

- het proces-verbaal van aangifte van [benadeelde partij 1] van 23 mei 2020 (dossierpagina’s 101 tot en met 104):

Ik was vanavond 23 mei 2020 in mijn woning te [plaats] samen met mijn partner [benadeelde partij 2] . We hadden bezoek van [benadeelde partij 4] en [benadeelde partij 3] . [benadeelde partij 2] kwam met twee jongens de woonkamer in. Ze waren in het zwart gekleed en hadden hun gezicht bedekt. Eentje had een breekijzer en een pistool bij zich en de ander een mes en een schroevendraaier. We moesten gelijk op de grond gaan liggen en dat deden wij ook. Ze vroegen naar onze telefoons en ik heb gezegd dat ze in de keuken moesten kijken. Daarna vroegen ze naar de kluis. [benadeelde partij 2] is toen met één van de daders naar de kelder gegaan. Even later kwam [benadeelde partij 2] met deze dader weer terug en deze had een geldkistje in zijn handen. Een van de jongens is aangehouden.

Ze waren beide in het zwart gekleed. Een capuchontrui, iets van een joggingsachtige broek, zwarte sportschoenen waarschijnlijk van het merk Nike. Je kon eigenlijk alleen de ogen zien. Eentje was iets lichter van huidskleur dan de andere. Degene met het breekijzer en het vuurwapen had een lichte huidskleur. De andere had een redelijk donkere huidskleur. Ze waren beiden redelijk tenger. Ze waren ongeveer 175 centimeter lang. Beetje pubers, rond een jaar of 15 à 16.

V: Wat heeft dader 1 gedaan, degene met het breekijzer en het vuurwapen?

A: Die heeft ervoor gezorgd dat wij op de grond gingen liggen en bleven liggen. Hij dreigde met zijn pistool en breekijzer. Hij heeft zijn pistool op mij en de anderen gericht. Ik heb hem horen zeggen: :“Op de grond liggen allemaal. Met de buik op de grond.”

V: Op wat voor manier sprak hij?

A: Schreeuwend en op een dreigende manier.

V: Wat heeft dader 2 gedaan. degene met het mes en de schroevendraaier?
A: In het begin riep hij ook dat iedereen op de grond moest gaan liggen. Die vroeg aan ons: “Waar zijn jullie telefoons?” Dit zei hij wel op een schreeuwende manier. Ik heb gezegd in de keuken. Mijn telefoon, een iPhone, lag daar ook. Ik denk dat hij die wel heeft meegenomen, want hij lag niet meer op de plek waar ik hem had neergelegd.

V: Dat geldkistje, wat is daarmee gebeurd?

A: Volgens mij hebben ze dat uit hun handen laten vallen. Nu mis ik alleen mijn telefoon nog. Een 6s. Het is een zilvergrijze en het scherm was kapot.

- het proces-verbaal van verhoor van getuige [benadeelde partij 2] van 23 mei 2020 (dossierpagina’s 109 tot en met 111):

Ik zag een pistool en deinsde achteruit. We werden gedwongen om naar de woonkamer te lopen. Daar moesten we op de grond gaan liggen. Het waren twee jongens, een donkere en een blanke. De donkere jongen vroeg waar de kluis was. Ik werd onder bedreiging van een koevoet door de blanke jongen naar de kelder gebracht. Ik was erg bang voor die koevoet. Hij graaide van alles uit de kluis, ook een geel kistje.

- het proces-verbaal van verhoor van getuige [benadeelde partij 3] van 23 mei 2020 (dossierpagina’s 116 tot en met 118):

Ik zag dat [benadeelde partij 2] de woonkamer in rende met achter hem twee personen. Ik zag dat ze beide zwarte bedekking op hadden voor hun gezicht. Ik noem dader 1 de man die langer was dan de ander en een getinte huidskleur had. Ik zag dit aan zijn handen. Dader 2 was wat kleiner en blank.

Ik hoorde dat ze zeiden tegen ons alle vier dat we op de grond moesten liggen al dreigend. Ik hoorde dat een van de daders aan mij vroeg waar mijn waardevolle spullen waren, onder andere mijn portemonnee, telefoon en geld. Ik wees waar het lag. Ik zag dat beide naar de vensterbank liepen en naar de tafel waar onze spullen lagen. Ik heb niet gezien wie wat heeft gepakt, omdat ik mijn hoofd naar de grond moest richten: dit zeiden ze steeds.

Twee mensen die ik had aangesproken in een BMW zag ik later bij deze jongens staan en ik zag dat ze een van de aders vast hadden, dader 2. Ik zag dat ze dader 2 vasthielden. Ik zag dat hij mijn portemonnee uit zijn rechterzak pakte. Ik kreeg later mijn telefoon terug van omstanders die gezocht hadden op de vluchtroute van de daders. Ook de telefoon van mijn vriendin was teruggevonden.

- het proces-verbaal van 26 mei 2020, inhoudende de bevindingen van verbalisant [verbalisant] (dossierpagina’s 47 en 48):

Ik, verbalisant [verbalisant] , heb camerabeelden bekeken. Ik zag dat er twee in het donker geklede personen op 23 mei 2020 om 20.00 uur het beeld binnenlopen. Ik zag dat deze personen op 23 mei 2020 om 20.07 uur het pad oplopen van de bewoners van [adres] . Ik zag dat deze personen vervolgens hun gezichtsbedekking omhoog doen en verder het pad oplopen van de woning aan [adres] . Vervolgens zag ik op 23 mei 2020 om 20.10 uur deze personen hard wegrennen vanuit de tuin.

Dader 1:

- man;

- kleiner dan dader 2;

- zwarte jas met zwarte capuchon. Lichtkleurige tekst op de rug van de jas en een lichtkleurige tekst op de linker schouder;

- zwarte trainingsbroek met een embleem op het rechter bovenbeen en een licht vlak net onder de rechter knie. Rode verticale strepen aan de onderzijde van de broek;

- zwarte schoenen met lichte kleur bij de zool;

- deze dader draagt een grote doos in zijn handen.

Dader 2:

- man;

- langer dan dader 1;

- zwarte jas met zwarte capuchon. Lichtkleurige tekst op linker borst;

- zwarte trainingsbroek;

- zwarte schoenen;

- deze dader draagt een tas in zijn hand.

- het proces-verbaal van verhoor van 26 mei 2020, inhoudende de verklaring van getuige

[getuige] (dossierpagina’s 135 tot en met ):

Op 23 mei 2020, omstreeks 20:15 uur liep ik over de [dijk] , vlakbij [adres] . Ik zag twee jongens rennen. Ik zag dat een van de jongens voorbij de bussluis rende, achter de woningen langs, het paadje op. Ik zag dat deze jongen aan het begin van het paadje een tas weggooide, waar ik deze later ook aantrof. Ik ben bij deze tas gebleven totdat de politie bij mij kwam.

-het proces-verbaal van 24 mei 2020, inhoudende de bevindingen van verbalisant [verbalisant] (dossierpagina 29-30):

Op 23 mei 2020 omstreeks 20:13 hoorde ik een melding van een woningoverval op [adres] . Ter plaatse werd mij gezegd dat een getuige bij een tas zou staan die door de tweede verdachte was weggegooid. Op de locatie van de tas werd ik aangesproken door [getuige] . Ik zag dat de tas een boodschappentas betrof. Ik zag dat de tas zwart van kleur was

met grote bloemen erop. Ik heb de tas in beslag genomen onder nummer [nr]

- het proces-verbaal van 24 mei 2020, inhoudende de bevindingen van verbalisant [verbalisant] (dossierpagina’s 34 en 35):

Ik heb de moeder van [medeverdachte] , [moeder medeverdachte] opgebeld. Ik hoorde haar zeggen: “Ik heb [medeverdachte] vandaag afgezet bij het station in [plaats] . [medeverdachte] had vandaag met een vriend afgesproken die hij ontmoet had in [instelling] . Deze jongen zou met de trein vanuit [plaats] komen, [medeverdachte] zou hem ophalen van het station. Het viel mij al op dat [medeverdachte] handschoenen bij zich had terwijl het nu best warm was.”

- het proces-verbaal van 26 mei 2020, inhoudende de bevindingen van verbalisant [verbalisant] (dossierpagina’s 63 en 64):

[medewerker gesloten instelling] van [gesloten instelling] vertelde mij dat [medeverdachte] en [verdachte] een periode samen in [instelling] hebben verbleven. Zijn collega [medewerker gesloten instelling] vertelde mij dat [medeverdachte] en [verdachte] regelmatig samen een sigaret gingen roken en ook wel samen boodschappen gingen doen. [medeverdachte] heeft van 27 september 2019 tot 12 november 2019 in [instelling] verbleven en [verdachte] van 16 mei 2019 tot 1 december 2019.

- het proces-verbaal van 26 mei 2020, inhoudende de bevindingen van verbalisant [verbalisant] , (dossierpagina’s 55 en 56):

Ik, verbalisant [verbalisant] , zag dat er op 23 mei 2020 tussen 10.09 uur en 13.43 uur diverse keren een oproep is geweest tussen de eigenaar van de iPhone met de gebruikersnaam [gebruikersnaam] en een contact genaamd [contact] .

- het proces-verbaal van 3 juni 2020, inhoudende de bevindingen van verbalisant [verbalisant] (dossierpagina’s 77 en 78):

Bij de aanhouding van [verdachte] is zijn telefoon in beslag genomen. Op de dag van de overval, 23 mei 2020, zijn er registraties te zien van het gebruik van de telefoon:

- dataverkeer 23 mei 2020 19:16:37 uur [adres] ;

- dataverkeer 23 mei 2020 21:06:58 uur [adres] .

- het proces-verbaal van 23 juli 2020, inhoudende een vooronderzoek lab door verbalisanten [verbalisant] en [verbalisant] (dossierpagina’s 21 en 22 van het aanvullende procesdossier):

In verband met een woningoverval te [plaats] (onderzoek [onderzoek] , proces-verbaal 2020104794), hebben wij forensisch onderzoek gedaan naar een sporendrager. Wij zagen dat dit het volgende betrof: een boodschappentas van “De Huishoudbeurs,” zwart van kleur met een gekleurd bloemetjes patroon. De tas heeft twee hengsels. Ik, [verbalisant] , heb de gehele hengsels met behulp van twee stubs separaat bemonsterd op mogelijke aanwezigheid van humane biologische sporen. Wij hebben de sporen veiliggesteld, gewaarmerkt met [spoor] (hengsel aan de zijde met grote gele bloem) en [spoor] (hengsel aan de zijde met grote blauwe bloem) en verzegeld.

- Een geschrift, zijnde een deskundigenrapportage forensisch DNA-onderzoek van 20 augustus 2020, opgemaakt door [DNA-deskundige] , NRGD-geregistreerd forensisch DNA-deskundige (dossierpagina’s 12 tot en met 14 van het aanvullende procesdossier):

Er is een DNA-hoofdprofiel afgeleid van een man. De frequentie van het DNA-hoofdprofiel is kleiner dan één op één miljard. Het DNA-hoofdprofiel van het hengsel van de tas aan de zijde van de grote gele bloem [spoor] matcht met het DNA-profiel [verdachte] .

Er is een DNA-hoofdprofiel afgeleid van een man. De frequentie van het DNA-hoofdprofiel is kleiner dan één op één miljard. Het DNA-hoofdprofiel van het hengsel van de tas aan de zijde van de grote blauwe bloem [spoor] matcht met het DNA-profiel van [verdachte] .

- het proces-verbaal van 25 mei 2020, inhoudende de bevindingen van verbalisant [verbalisant] (dossierpagina’s 42 en 43):

Bij de insluitingsfouillering van zowel verdachte [medeverdachte] als verdachte [verdachte] werden twee tie-wraps aangetroffen. Dit betrof witte tie-wraps. In beide gevallen was de ene tie-wrap al door de andere tie-wrap gestoken.